2. En zij was zwanger en riep als een, wier uur gekomen was, barensnood hebbende en zijnde in pijn om te baren.
Het kind, dat de vrouw hierna baren zal (Vers 5), is zonder twijfel Jezus, de Messias. Het spreekt dus vanzelf, dat wij bij de vrouw, die de ziener als het eerste, (vgl. Hoofdstuk 15:1) en wel in verhouding tot het andere als het grote teken aan de hemel aanschouwt, aan niemand anders hebben te denken, dan aan die, waaruit Christus naar het vlees voortkomt (Romeinen 9:5), aan Israël, de gemeente van het Oude Verbond. Men heeft wel gemeend, dat eerder onder dit teken de gemeente van God moet worden verstaan, zoals zij ten tijde van het Oude Verbond in Israël, in de tijd van het Nieuwe Verbond daarentegen door de Christenen voor ogen treedt, maar de Schrift neemt de verhouding van Christus tot Israël niet zo op, alsof de Kerk, geheel afgezien daarvan of het Joodse volk daarin een plaats heeft of niet, Zijn eigen volk was; integendeel wordt hier uitsluitend gesproken van dat volk, waaruit Hij naar het vlees voortkomt, zonder erop te letten, of het Hem heeft aangenomen of niet. Inderdaad wordt dan ook in Micha 4:10 de dochter van Zion voorgesteld als een in barensnood, evenals op onze plaats de vrouw; en hoe zou wel de gemeente van God in haar Oud-Testamentische vorm treffender kunnen worden voorgesteld dan door het beeld van een vrouw, die van de Messias zwanger is, die de tijd van baren aan de ene zijde met groot verlangen, aan de andere met grote vrees tegemoet gaat? Wat de hoogste wens en het hoogste verlangen was van de schare van de oude vaderen, waarop in Israël alles is aangelegd en waarheen het streeft, dat is dat Jesajaanse: "Een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven" (Jesaja 9:6); zelfs de tijd van druk, de tijd van de Babylonische ballingschap, die aan het volk zijn koningsgeslacht ontroofde, was slechts een weg tot het doel, een geboortewee tot het voortbrengen van de eigenlijk voor hen bestemde Koning (Micha 5:1 v.) zeer karakteristiek zijn nu ook de emblemen of zinnebeeldige tekenen, waarmee de vrouw versierd is. Zij verschijnt met de Zon, het symbool van de openbaring van de goddelijke zaligheid bekleed (Psalm 19). Zij is geheel in het licht van deze openbaring geplaatst en door die lichtglans ervan omgeven, waarbij wij bovenal moeten denken aan het profetische woord (2 Petrus 1:19), dat alle geheimen van het goddelijk raadsbesluit over de wereld eeuwen voor de vervulling reeds geopenbaard en ontsloten heeft. De wet daarentegen, die door Mozes gegeven is (Jozua 1:17), is de maan, waarop zij met haar voeten staat; geestelijk naar zijn oorsprong (Romeinen 7:14), dus een licht van het licht als de maan, hoewel als een blote afschaduwing van de toekomstige goederen (Colossenzen 2:17) en als tuchtmeester op Christus Galaten 3:24), voor zichzelf onvermogend om levend te maken, of meer dan een uitwendige gerechtigheid teweeg te brengen, diende het evenwel de vrouw voor de tijd van het Oude Testament tot een estrade, tot een trap, om Israël ver boven alle volken te verheffen (Deuteronomium 4:7 v.). Als de gemeente van God eerst in de volle glans van de goddelijke openbaring zal staan (Hebreeën 1:1 v.) en haar het kindschap zal zijn verleend, zodat zij niet meer onder de tuchtmeester hoeft te staan (Galaten 4:4), dan zal de wet tot een overwonnen standpunt voor haar worden; maar toch moest zij deze maan tot dat doel nog onder haar voeten houden, om van haar een solide fundament (Mattheus 5:5 vv.), haar hoofd daarheen te verheffen, van waar de heerlijke vrijheid van de kinderen van God komt (Romeinen 8:14,stellen zinnebeeldig alle bijzondere leden van het volk van God onder het Oude Testament voor, zoals dat reeds uit het beeld van Jozefs droom (Genesis 36:9 v.) blijkt; want naar de betekenis van de kandelaar met zeven armen in de tempel Exodus 25:40 zijn de leden van dit volk geroepen als een licht te lichten in de duisternis, die rondom het aardrijk bedekt. Omdat nu echter Israël's geheel volgens de leiding van God in de geschiedenis in 12 stammen verdeeld is, verschijnt hier boven het hoofd van de vrouw een diadeem van even zo vele sterren. Elke ster in het bijzonder heeft in het groot geheel van de schitterende kroon weer haar bepaalde, haar door God aangewezen plaats, zoals de geest van de profetie in Genesis 49 en Deuteronomium 33 die nader heeft voorgesteld.
De vrouw is niet de Kerk, maar de gemeente van God, de navolgster van de dochter van Zion van het Oude Verbond, de bruid van Christus, de dochter van Zion van het Oude Verbond, door de kinderen van Korach met haar Koning in de 45ste Psalm zo heerlijk bezongen. De gemeente van het Nieuwe Verbond wordt niet evenals de dochter van Zion jonkvrouw genoemd, maar vrouw, omdat de bruid met de Bruidegom, sinds de uitstorting van de Heilige Geest innerlijk verbonden is en ook een deel van de gemeente van het Oude Verbond, door Zijn opstanding (Mattheus 27:52-53) met Christus verenigd werd. Als vrouw met de Zon bekleed, staande op de maan, met een krans van twaalf sterren om het hoofd, is zij de op de Pinksterdag door Petrus en de overige apostelen gestichte, op de toezegging van het Oude Verbond staande en met de heerlijkheid door Christus omgeven gemeente van het Nieuwe Verbond. De zon, het zinnebeeld van Christus, wijst op het licht, dat in de wereld van haar uitgaat; de maan, die haar licht van de zon ontvangt, is een zinnebeeld van het Oude Testament, dat hoofdzakelijk zijn licht van de zon van het Nieuwe Verbond ontvangt en waarin de heerlijkheid van de zonnevrouw voor afgebeeld en voorspeld is. De twaalf sterren beduiden leraars en zijn de zinnebeelden van de twaalf apostelen, die voor alle tijden de kroon van de gemeenteleraars uitmaken. In Gods wijde wereld, zo ver zij ons zonen van de aarde bekend is, bestaat er zeker geen heerlijker, schoner en diepzinniger beeld, dat de bevalligheid en schoonheid, de heerlijkheid en heiligheid van de Christenbruid, die in haar uitnemendste leden eenmaal als koningin van de hemel geopenbaard zal worden, zo volzinnig en eenvoudig, zo aanminnig en hartveroverend schildert als dat van de zonnevrouw. Geen wonder, dat velen in haar Maria, de moeder van de Heere, de uitverkorene onder de vrouwen, de schoonste en edelste onder de heldinnen van het geloof meenden terug te vinden. De zonnevrouw was, tot op deze zwangerschap, waarin zij bij de aanvang van de zevende eeuw Christus op geestelijke wijze in gans nieuwe volken zou baren, de apostolische gemeente. In haar waren weliswaar in de eerste 600 jaar vele kinderen van God wedergeboren en tot de heerlijkheid gevoerd, maar nu zou zij Christus en de nieuwe mens in een geheel ander volk baren, namelijk in het Duitse. De opname van de Duitse volken in de gemeente van God, hun bekering, wordt hier geheel overeenkomstig de Schrift, met de natuurlijke geboorte vergeleken. Zo zegt de Heer zelf: "Een vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kindje gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is. " zo zegt ook Paulus, Galaten 4:19 : "Mijn kindertjes, die ik weer arbeid te baren, totdat Christus een gestalte in u krijgt. " En bij Jesaja 66:7-10 luidt het goddelijk getuigenis aangaande de plotselinge bekering van de Joden in de laatste tijd aldus: "Eer zij (de dochter Zions) in arbeid was, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost. Wie heeft ooit zulks gehoord? wie heeft dergelijk gezien? Zou een land kunnen geboren worden op een enige dag? Zou een volk geboren kunnen worden in een enkel uur? " Zo was het ook met Zion; toen zij arbeid voelde, had zij ook kinderen gebaard. Zou Ik de baarmoeder openbreken en niet genereren? zegt de Heer; "zou Ik, die genereer, voortaan toesluiten? zegt uw God. " Uit deze plaatsen blijkt voldoende, dat de geestelijke geboorte van Christus in een mens en `s mensen wedergeboorte of de geboorte van de nieuwe mens, onder het beeld van de natuurlijke geboorte verstaan moet worden, zoals alle gelovigen niet slechts weten, maar ook in eigen persoon ondervonden hebben. De weeën en smarten, die de gemeente ondervond, totdat Christus in de Germaanse volken geboren was, waren groot, omdat de geestelijke geboorte van enkelen en nog meer die van grote volken nu eenmaal niet zonder grote smarten kan plaats hebben, omdat grond en bodem, zoals Luther zegt, bij de mens het onderste boven gekeerd en het oude leven van Adam gedood worden moet. Deze geboorte geschiedde evenwel onder grote vijandschap van de Satan, die het Evangelie in het oosten door de Islam verdrongen en in het westen sinds lang door het Arianisme bekampt had en alle krachten inspande, opdat het aan geen volk ter wereld meer bekend zou worden. Dat God met de Duitsers iets voor had, was door Hem bij de volksverhuizing wel reeds bemerkt, omdat God alles zo bestuurde, dat zij niet het Evangelie en de gelovige gemeente, maar het heidendom en de Romeinse heerschappij vernietigden. In deze toestand van de barensweeën bevond zich de westerse gemeente van 600 tot op 750 en gedurende deze hele tijd stond de draak voor haar.
Die vrouw is de Kerk van God; de Kerk, die reeds in het Oude Verbond zinnebeeldig als de echtvriendin van de Heere wordt voorgesteld; Sion, de geliefde, de ene, de ondeelbare gemeente van het Oude en van het Nieuwe Verbond; het volk, dat de Heere is geheiligd, waarbuiten alles gesloten is, wat in het Israël van het Oude Verbond niet geloofde in de verbondsengel en in hetwelk daarentegen opgenomen zijn de heidenen, die tot het geloof zijn gebracht. Blijkens het vervolg, aanschouwt Johannes dit beeld van de vrouw onder dat van de gezegende moedermaagd. Heerlijk is haar aanblik! Zij is omstraald door de luister van God! Het beeld van de zon drukt hier uit hetgeen de Psalmdichter van de Heer zelf zegt: "Heere, mijn God, U bent zeer groot, U bent bekleed met majesteit en heerlijkheid. Hij bedekt Zich met het licht als met een kleed. " Ook bij de verheerlijking van Jezus op de berg wordt van Hem gezegd, dat "Zijn aangezicht blonk als de zon" en Johannes aanschouwde Hem, terwijl "Zijn aangezicht was zoals de zon schijnt in haar kracht. " En Jesaja had reeds van "het opgaan van de heerlijkheid van de Heere" gezegd: "Uw licht komt. " Zo is het ook een van de kenmerken van het nieuw Jeruzalem (de Kerk in de staat van haar verheerlijking), dat zij "de zon noch de maan behoeft, dat zij in henzelf zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht. " Trouwens, de Kerk wordt door alle tijden heen bestraald met de heerlijkheid van de Allerhoogste; maar zoals het goddelijke in Jezus, gedurende Zijn omwandeling op aarde, verborgen was onder het kleed van enen dienstknecht, evenzo is, gedurende de tegenwoordige huishouding van de dingen op aarde, de glans van de Kerk met wolken bedekt. Hij slechts aanschouwt haar glans volkomen, voor wie, zoals hier voor Johannes, een deur in de hemel geopend is. Hoogst belangrijk is de opmerking, waartoe wij hier aanleiding verkrijgen: er is voor de Christen een leven van inwendige heerlijkheid. Moge hij uitwendig geen gedaante hebben om begeerlijk te zijn in het oog van de kinderen van deze eeuw, inwendig is zijn waarde, zoals de kostbare parel verscholen ligt in een onaanzienlijke schelp. Dat hij maar toeziet, die waarde niet te verliezen!
Deze Kerk heeft de maan onder haar voeten. Zoals de zon het beeld is van eigen, onvergankelijke heerlijkheid, zo is de maan dat van ontleende, vergankelijke glans. En zoals de luister van de vorstin van de dag groter is dan die van de maan aan de nachtelijke hemel, zo taant alle heerlijkheid van schepselen voor die van Hem, die een ontoegankelijk licht bewoont. Men vergelijke met deze plaats anderen, die elders in de Bijbel melding maken van het schijnen van zon en maan.
Op haar hoofd heeft de Kerk een kroon van twaalf sterren. Daardoor heeft men te verstaan de twaalf patriarchen, vertegenwoordigers van de twaalf stammen van Israël. Deze stammen verbeelden ook de gemeente van het Nieuwe Verbond, omdat volgens Ezechiël, de vreemdelingen met de inboorlingen zelf moesten worden gelijk gesteld, om deel te hebben aan de erfenis van de Heere. Het beeld van "sterren" voor die twaalf hoofden van de stammen is zeer oud en wordt reeds aangetroffen in een van de dromen van de jeugdige Jozef. Elders zijn deze twaalf niet de vertegenwoordigers van de hele Kerk, maar verschijnen met hen de twaalf apostelen en maken de "vierentwintig ouderlingen" uit; maar dat hier ter plaatse van hen alleen melding wordt gemaakt, vindt daarin zijn reden, dat in de tijd, waartoe dit gedeelte van het gericht terugvoert, de Messias nog niet geboren en dus het twaalftal vertegenwoordigers van de Kerk van het Nieuwe Verbond nog niet aanwezig was.
Het is een onveranderlijke regel in de Godsregering, ook over de Kerk, dat smart voorafgaat, zal vreugde kunnen volgen en dat de ellende de weg moet bereiden voor het heil. Beproevingen moeten het verlangen naar Gods gunst opwekken; want als geen ontbering voorafgegaan is, kunnen wij noch het genot op prijs stellen, noch ervoor danken. En hoe groter nu de zegen zal wezen, des te smartelijker is de voorafgaande bezoeking, waarom dan ook de treurigste taferelen worden opgehangen van hetgeen aan de terugkomst van Jezus ten jongsten dage zal voorafgaan. Zulke zware beproevingen komen in de Heilige Schrift vaker voor onder het beeld van barensnood, soms met een uitvoerigheid, afwijkend van onze begrippen van kiesheid. De Kerk van God, het ware, geestelijk Israël, destijds nog bepaald binnen de grenzen van het Joodse volk, was voor de geboorte van de Heilands onderworpen aan de heerschappij van de Heidenen. De Romeinen hadden het land veroverd, het volk onderworpen en Herodes regeerde onder hun oppergebied met gruwzame tirannie. De duivel was het werktuig, waarvan God Zich bediende om Zijn, volk tot boete en verootmoediging te leiden. Deze vreesde dat de Heiland hem zijn heerschappij over de moeder, Israël, ontroven zou. Hij was het, die de Romeinen vervulde met de geest van de veroveringszucht, die Herodes tot een dwingeland maakte, opdat Israël vernederd en van de slavernij onderworpen mocht worden door de heidenen. De Heer liet dit toe en bestuurde de beproeving, omdat het uitverkoren volk haar dubbel verdiend had en nog bleef verdienen door afval, onboetvaardigheid en ongehoorzaamheid. Diezelfde boze was het, die oudtijds Farao en de Egyptenaars verstokte om Israël te kwellen, die later de Kanaänitische volken, de ASSYRIËRS, Babyloniërs, Perzen, Macedoniërs en Syriërs, met woeste veroveringszucht en hebzucht aanblies, zodat zij het Heilige Land aan de verwoesting prijsgaven, totdat Israël terugkeerde tot de Heere, als wanneer de boete werd gevolgd door verlossing. In de volheid van de tijd, toen velen met verlangen uitzagen naar de verlossing van Israël, zond God nog bij het leven van de dwingeland Herodes, Zijn Zoon, geboren uit een vrouw; want Gods trouw faalt niet en Hij doet Zijn toezeggingen gestand. De draak zag de geboorte van het kindje Christus te Bethlehem. Hij maakt zich op om het verslinden en kiest in Herodes zijn werktuig. Deze wast zich de handen in het bloed van de onschuldige slachtoffers te Bethlehem. Wat krijgsorkaan treft Efrata's geweste? Wat klacht vervult de Bethlehemsche veste, Die kort geleen van gulle blijdschap zong, Toen de Englen haar, al juichende op de velden, De heilige geboort' van Vorst Messias meldden, Daar al het gebergt haar dankbre klanken vong?
Helaas! wij zien de Bethlehemsche wijken Alom bezaaid met teed're kinderlijken, Door het staal ontzield op vorst Herodes last; De wreedheid vliegt als razend langs de straten, Terwijl het rot der woedende soldaten Op klacht noch bee van de droeve moed'ren past.
Geen zuigeling, hoe jong, vindt hier verschoning; het Geweld dringt woest in aller burg'ren woning; Daar rukt men het kind van moeders volle borst, Men kletst zijn hoofd te plett'ren aan de stenen en werpt het wicht verachtelijk daarhenen, Van brein en bloed te deerelijk bemorst.
De legerknaap, gevoelloos voor ontfermen, Rukt ginds een zoontje uit moeders klemmende armen, Terwijl zij het dacht te bergen in die nood; Zij kermt en smeekt om teder mededogen; Vergeefs, helaas! hij moordt het voor haar ogen En spot, terwijl hij het lachend wicht doorstoot,
Geen wrede wolf kon ooit de lammerstallen Om verse prooi verwoeder overvallen, Dan het moordziek rot dit jonggeboren kroost van de oud'ren hart, dat bij het angstig treuren, Met mond op wond op het wreedst zich voelt verscheuren, Versmelt van rouw en weigert allen troost.
Gelijk een roos, het sieraad van Sarons dalen, Ontloken door de warme zonnestralen, Verwelkt, wanneer de zicht haar steel doorkerft; Zo ziet ons oog deez' vroege roosjes kwijnen; de frissen blos van het lief gelaat verdwijnen, Te deerlijk door een doodse kleur misverfd.
O lentebloem van de eerste martelschaar! Het moordend staal dier woedende barbaren Wijdde u wel vroeg aan d' onverzaadbren dood, Maar, heilig kroost! u stapt, dus wreed verslagen, Van moeders schoot, in het opgaan uwer dagen, Op d' eigen stond in vader Abrams schoot.
Nu mag ge blijde in het onvergank'lijk leven, Eeuw uit, eeuw in, op eng'lenwiekjes zweven; Ten rije gaan voor `s Allerhoogsten troon. Daar vangt uw oor van de Cherubijnen galmen; Uw handje omvat de verse gloriepalmen. En het hoofd erlangt de schoonste martelkroon.
Maar u, wiens kruin wij Juda's kroon zien dragen, Wiens trotse ziel in wreedheid schept behagen, Die in uw hof geen gunstelingen spaart; Uw echtgenoot deed voor de moordbijl knielen, Meedogenloos uw zonen dorst ontzielen, U wijdt vergeefs dit teder kroost aan het zwaard.
U mist uw doel, hoe wis u het waant te treffen, Schoon nooit uw hart die waarheid zal beseffen, Hij, wien uw haat de dood gezworen had, Om wien uw vuist dit schuldloos bloed deed stromen. Dat godlijk kind is het lijfgevaar ontkomen; Egypte bergt die onwaardeerbren schat.
Die vorstenzoon, ter heerschappij geboren, Zal hier uw rust in `s rijks bezit niet storen; Hij wendt geen oog naar uwen wank'len troon; Zijn groots gebied, schoon dit u blijft verholen, Wordt niet begrensd door `s aardrijks beide polen; Het wijd heelal eerbiedigt zijn geboon. Wat wenteling de rijken om moog keren, Die Koning zal van eeuw tot eeuw regeren; Zelfs dan, wanneer de zon de zilv'ren maan Haar held'ren glans zal weig'ren meer te lenen, De dagtoorts zelf in rook zal zijn verdwenen. Zal het bloeiend rijk van dezen vorst bestaan!
Onder de vrouwe, die Jezus baart, is natuurlijk de gemeente van God te verstaan in haar Oud-Testamentische gestalte. En hoe kon deze ook treffender worden voorgesteld, dan door het beeld van een zwangere vrouw, het geboorte uur met uitgestrekt verlangen verbeidend (vers 2). De hoogste wens van de vaderen, hun vurigst verlangen was uitgestrekt naar de vervulling van Jesaja's profetie: "Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven, welks heerschappij is op Zijn schouder en men zal Zijn naam noemen Wonderlijk, Raad, sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst", zoals wij dit verlangen in een Simeon verpersoonlijkt zien. Maar de kiem van de belofte lag nog bedekt en verborgen in het Oude Testament, maar ontwikkelde zich meer en meer, naarmate de tijd van de volheid van God naderde en zij duidelijker tot bewustheid voor de gelovige Israëlieten werd. Micha zelf heeft de dochter Sions reeds in barensnood gezien (4:9-10; 5:2). Op de Oud-Testamentische gemeente wijzen ook het naast de tekenen en zinnebeelden, die wij (Vers 1) aan de vrouw vinden; ze is namelijk met de zon bekleed en heeft de maan onder haar voeten en een krans van 12 sterren om het hoofd. Deze drie tekenen herinneren ons Jozefs droomgezichten (Genesis 37:9-10). Aldaar past Jakob ze op zichzelf, zijn vrouw en zonen toe; dus op de Oud Testamentische gemeente in haar kiem; zoals Israël het dus uitdrukkelijk op zichzelf en Zijn tien stammen toegepast heeft. De zon is het bovenaardse licht, dat de duisternis, van deze nederige aarde overwint. De Heere onze God wordt "Zon en Schild" genoemd (Psalm 84:12). Het aangezicht van de Heere Jezus blonk zoals de Zon schijnt in haar kracht, toen de Heere op Patmos aan Zijn discipel verscheen (Openbaring :16). In Richteren 5:31 lezen wij, dat de gelovigen zullen wezen als een opgaande zon; en de Heere belooft aan de rechtvaardigen "dat zij zullen blinken als de zon in het Koninkrijk van de Vader" (Mattheus 13:43). De betekenis zal dus zijn, dat de gemeente in deze wereld de draagster is van het goddelijke en bovennatuurlijke licht; in Openbaring : 20 worden de Klein-Aziatische gemeenten de kandelaars of lichtdraagsters genoemd en die zeven Klein-Aziatische gemeenten vertegenwoordigen aldaar de gemeenten van God in haar geheel of de vrouw. In Psalm 104 wordt ons van God gezegd, "dat Hij Zich bedekt met het licht als met een kleed. " Zo mag dit afleidender wijze ook van de vrouw gezegd worden, van wie wij (Mattheus 5:14) evenals van Christus lezen: "U bent het Licht van de wereld (Johannes 8:12). De maan daarentegen is slechts een aards licht, dat in de duisternis schijnt, zonder die te kunnen overwinnen. De verwantschap, die sterrenkundig tussen aarde en maan bestaat, was reeds in de oudste tijden vastgesteld; zelfs in de mythologie vond men naast en tegenover het mannelijk beginsel of principe van de hemel, de zonnen-god, een vrouwelijk principe gesteld, dat maan- en aardgodin tegelijk was. De twaalf stammen van dit Israëlitische volk zijn de twaalf sterren, die als een krans het hoofd van de vrouw versieren; en dit heilig twaalftal herhaalt zich in het getal van de twaalf apostelen, die de grondslag van de Nieuw-Testamentische gemeente uitmaken, die ook in Mattheus 19:28 en vooral in Openbaring 1:12-14 in bijzondere betrekking tot de twaalf stammen van het volk van het Verbond gesteld worden. Bij Mattheus 19:28 wijst de Heere hen aan als toekomstige heersers over de twaalf stammen Israël's en in de Openbaring inden wij hun namen verenigd op de poorten en in de fundamenten van de Godsstad.
Het zinnebeeld is een vrouw, een zwak en vreesachtig mens; de vrouw is de Kerk. Zij was bekleed met de zon, die Christus is, de Zon der gerechtigheid (Maleachi 4:2. 2 Samuël 2:4). Met deze wordt zij niet alleen bestraald tot verlichting, maar ook bekleed, hebbende Hem aangedaan (Romeinen 13:14 Galaten 3:27), Zijn gerechtigheid aangenomen tot haar gerechtigheid, zodat zij in Hem is de rechtvaardigheid van God (2 Corinthiërs 5:21). En volmaakt (Colossenzen 2:10). Met de kleren van het heil en met de mantel der gerechtigheid is zij bekleed (Jesaja 61:10). Zij had de maan onder haar voeten; de maan zijn niet de schaduwen van het Oude Testament, want de vrouw is de Kerk van het Oude Testament niet. Ook worden de plechtigheden nooit maan genoemd, noch daarbij vergeleken. De plechtigheden waren op deze tijd al over drie honderd jaren vernietigd, maar door de maan worden alle ondermaanse dingen verstaan, de aarde en alles wat er op is, die aan gedurige veranderingen onderworpen zijn, die de Kerk veracht, onder de voeten treedt en schade en drek acht (Filippenzen 3:8). De kroon van twaalf sterren. De Kerk is gekroond met heerlijkheid, altijd heeft zij die, maar altijd blinkt die niet in het openbaar. Koningen hebben hun kronen van goud, bezet met edelgesteenten, die als sterren flikkeren; maar de Kerk draagt een kroon van twaalf sterren, die geen gemene leraren zijn, die ook sterren genoemd worden (Openbaring :16). Maar het getal van twaalf leidt ons tot de twaalf apostelen, niet tot de personen, maar tot het Evangelie, tot de goddelijke waarheden, die zij verkondigd hebben en waardoor zij de Kerk van het Nieuwe Testament hebben gesticht, in welk opzicht de Kerk gezegd wordt, gebouwd te zijn op het fundament van de apostelen en van de profeten (Efeze 2:20). Deze waarheid had de Kerk niet alleen in haar hart, maar zij kwam er voor uit. Zij achtte dat, haar heerlijkheid en zette ze als een kroon op haar hoofd, zoals Job eens zei van zijn oprechtheid tegen alle beschuldigingen (Job 31:36). De gelegenheid, waarin deze vrouw was, wordt beschreven (Vers 2). En zij was zwanger en riep, barensnood hebbende en zijnde in pijn om te baren. Dit geeft te kennen: 1) de grote begeerte, die de Kerk bijzonder in die tijd had, om vele zielen te bekeren; 2) de inspanning van alle krachten om vele geestelijke kinderen door het Evangelie te telen en de Kerk uit te breiden; 3) de pijnlijke ontmoetingen: zij was in barensnood, want door de wrede en hoe langer hoe bozer gaande vervolgingen werd zij als afgemat; zij was begerig om kinderen voort te brengen, zij verlangde daarnaar; zij was in arbeid. maar het viel haar bitter, zij riep er over uit, zij schreeuwde tot God om verlossing van de verdrukkingen, opdat zij meer gelegenheid mocht hebben om geestelijke kinderen te baren.
De Kerk wordt vaker als een vrouw voorgesteld (Jesaja 54:1 Ezechiel 6:8 Hosea 2:18 Hooglied 5:1. 2 Corinthiërs 11:2 Efeze 5:23 Openbaring 9:7 enz. om voor te stellen, haar geestelijke eenheid, eigen zwakheid, verzameling uit de mensen, merkwaardige groei, nauwe, liefelijke en nederige vereniging met Christus haar Heer en Man, geestelijk Zaad, dat zij voortbracht enz. Met dit gezicht wordt een terugsprong gedaan en tot de eerste beginselen van de Kerk opgeklommen, en wel over de tijd van Christus' komst. Zij is een vrouw; zo ooit, dan was zij toen een enige en zwak, als ontbloot van de ondersteunende macht van de koningen van de aarde; uit mensen bestaande, omdat velen, die haar uitmaakten, maar een geringe mate van de Geest en van Zijn hemelse genade genoten; tot vrouwelijke jaren gekomen, gehuwd, omdat God Zich door Zijn Verbond aan dat volk had verbonden en nu de verbondsbeloften zou vervullen; vruchtbaar als op het punt van het heiligende zaad en voorts het geheiligde overvloedig te baren. In het bijzonder is zij bekleed met de Zon, met Christus, van Wie alleen zij allen luister en licht heeft. Zij heeft de maan onder haar voeten, dat zegt, dat zij uitnemender is dan alle andere mindere schepselen en de wisselvallige en aardse dingen veracht, die zich meer, maar schijnbaar, dan waarachtig licht aanprijzen. Op haar hoofd is een kroon, omdat zij door Christus tot Rijksgemeenschap verheven wordt en overwinnares van de wereld is. Die kroon bestaat uit sterren en is ermee doorvlochten, ter aanduiding, dat het Koninkrijk niet aards, maar hemels is, boven alle wereldrijk in verheven, zuiver, schitterende en eeuwig. Twaalf zijn de sterren in getal, naar de twaalf stammen, waaruit de Kerk bestond, zoals Jozef de stamvaders, als sterren in de droom zag. Zij is zwanger, bevrucht van de beloften van de Messias en wordt daarom gezegd, als die baren zal (Mich. 5:2). De pijn om te baron, doelt op het vurig verlangen van die tijd, om Christus te zien en het daarbij komende geweld van de vijanden, dat haar zeer benauwde, ten slotte op de wrede overheersing en het verderf van de Farizeeën en Sadduceeën, die de gelovigen benauwden en hun zuchten naar de Messias vergrootten. De Romeinen konden evenmin als Herodes de geruchten van een aanstaande overheersende Koning, die verspreid waren door het oosten, verdragen.
Vitringa verklaart dit van de Kerk van het Nieuwe Testament "Christus geheimzinnig barend en als het ware in het licht brengend. "
Dit zwanger zijn geeft twee dingen te kennen: 1) een vruchtbare toestand van de Kerk; zij wordt ook een moeder genoemd (Jesaja 54:1 Galaten 4:9, vgl met Vers 26, 27); 2) een droevige en verdrukte, zoals ook Christus die droefheid noemt (Johannes 16:21), totdat het kind geboren is. Met een woord: deze Kerk is zuiver, vruchtbaar en verdrukt, zoals dat haar roeping te kennen geeft. De leraars hebben groot in angst en moeite (Galaten 4:19). Ook wordt de belijdenis van het Christendom met veel gevaar omhelsd en de Kerk heeft grote in strijd en worsteling in de gebeden tot God en grotelijks te lijden van de mensen, om van deze droevige toestand bevrijd te worden, eer zij ervan verlost wordt.