27. "Van onze aller", zei ik en onder deze uitdrukking versta ik niet alleen het tegenwoordige, maar ook het toekomstige bestaan van de kerk van Christus, waardoor deze een veel meer omvattende zal zijn dan de kerk van de wet ooit is geweest. Want er is in
Jesaja 54:1 geschreven: "Wees vrolijk ("Laetare, u onvruchtbare, dieniet baart, breek uit in gejubel en roep met vreugdevol gejuich over uw groei, u, die geen barensnood heeft, zoals vroeger Sara dat mocht doen (
Genesis 21:6.
Psalm 113:9)! Want de kinderen van de eenzame, de kinderen van haar, die tot hiertoe kinderloos was (
Job 24:21.
Psalm 68:7), zijn opeens, zonder dat zij zelf weet hoe dat heeft plaats gehad (
Psalm 110:3), veel meer dan degene, die de man heeft, die tot hiertoe de gemeenschap van de echtgenoot mocht genieten en van wie zo vruchtbaarheid mocht worden gewacht.
Terwijl Paulus deze plaats uit de profeten volledig aanhaalt, erkent hij in de slotwoorden ervan volkomen, dat vóór de tijd van de Oud-Testamentische bedeling, de kerk van de wet, die onder het beeld van Hagar wordt voorgesteld, de plaats als moeder in het huis van God bezette en degene was die de man had, evenzo dat haar kinderen, de lichamelijke nakomelingen van Abraham, de legitimiteitsrechten tegenover de heidenen bezaten. Had toch God vroeger Hagar, toen zij in de tijd van de zwangerschap haar meesteres was ontvlucht, geboden tot haar terug te keren en het daardoor zo bepaald dat zij werkelijk, zoals Sara dat had gewild, Abraham de zoon, die zij onder het hart droeg, baarde (Genesis 16:4). Hij had haar ook het doel van haar vlucht, haar vaderland Egypte kunnen laten bereiken en daar haar zoon evengoed kunnen zegenen als elders; maar nee, juist door haar moest de wet, die, totdat het ware zaad (Hoofdstuk 3:16) kwam, tussen zou komen (Hoofdstuk 3:19. Romeinen 5:20) vooraf aangeduid worden. Gedurende deze hele tijd nu was de kerk van het Nieuwe Testament, de kerk van het Evangelie, nog de onvruchtbare, die niet baarde. Zij was wel reeds in het huis van God, waar zij de van de beginne in Gods raad besloten en door woord en voorbeeld ook reeds voorspelde kerk is. Ja, zij was van de beginne de eigenlijke meesteres van het huis, zodat ook Abraham alleen rechtvaardig is geworden door het geloof. Er is echter ten tijde van het Oude Testament nog geen eigenlijke kerk van de zaligheid of van het Evangelie geweest met werkelijke kracht tot voortbrenging, eerst met de verlossing, die door Christus' heengaan is voleindigd, is om zo te zeggen Sara, de vrije, vruchtbaar geworden, daarom wordt in Hebreeën 11:40 van de Oud Testamentische gelovigen gezegd, dat zij niet zonder ons konden volmaakt worden. Zo zullen wij ook verstaan, in welke zin Paulus zegt: "het Jeruzalem, dat boven is, dat vrij is, hetwelk is van onze aller moeder. " Reeds Luther verwerpt de opvatting van enige leraars of uitleggers, die de uitdrukking gebruiken van de triomferende kerk, als zij reeds alles overwonnen heeft en zegt zeer juist: "het andere (nieuwe) testament is begonnen te Jeruzalem, toen de Heilige Geest gezonden werd van de hemel op de berg Zion, waarbij hij de plaatsen Jesaja 2:3 en Psalm 110:2 aanhaalt, als die daardoor zijn vervuld geworden. Herinneren wij ons, dat in het woord Johannes 3:3, dat onze vertaling "wedergeboren worden", de Duitse "opnieuw geboren worden" vertaalt, eigenlijk een dubbele betekenis ligt, daar dit woord ook kan betekenen "van boven geboren worden", zoals Jezus in Johannes 3:6 de uitdrukking werkelijk naar die kant verklaart, als Hij van een geboren worden "uit water en Geest" spreekt, dan zal ons duidelijk worden, dat Paulus de kerk van de wet, onder Hagar voorgesteld, niet eerst de triomferende kerk aan het einde van de tijden, maar de kerk van de Geest van het Nieuwe Testament als allegorische Sara tegenover stelt, men dus noch van het "Jeruzalem, dat nu is", in de tweede helft van het 25ste vers een besluit voorwaarts mag maken, wat het "Jeruzalem dat boven is" op onze plaats is, noch van het Jeruzalem op onze plaats een besluit achterwaarts, wat het Jeruzalem op die plaats moet betekenen. Had Paulus zijn brief in die tijd geschreven, die de Handelingen in Hoofdstuk 2:1-6:7 beschrijft, dan had hij hier in Vers 24-26 kunnen zeggen: "dat zijn de twee testamenten: het een van de berg Sinaï, dat tot dienstbaarheid baart, dat is Hagar, want Hagar heet in Arabië de berg Sinaï. Het tweede van de berg Zion, dat tot vrijheid baart, dat is Sara; want "van Zion, zegt de Schrift, zal de wet uitgaan en des Heeren woord van Jeruzalem. " Nu heeft hij echter in een tijd geschreven, dat hij in de eerste helft van de allegorie de zin er moest bijvoegen: "en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is en dienstbaar is met haar kinderen; " daarom kon hij de tweede helft niet laten voortgaan op een wijze, die met de eerste overeenkwam, maar moest hij een vorm kiezen, waarbij het Jeruzalem, dat de moeder voorstelt die tot vrijheid baart, voorkomt als weggenomen van de berg Zion en overgebracht tot God en Zijn troon (Openbaring 2:5). Op de eerste pinksterdag daalde de Geest onder hoorbare tekenen neer op de berg Zion en vervulde het gehele huis, waar de discipelen zaten en de stem, die geschiedde, bracht de menigte op die plaats bijeen; ook zouden volgens de woorden van de profetieën (Jesaja 2:2, Mich. 4:2) de volken hebben moeten toelopen en de volken onder elkaar zeggen: "kom, laat ons opgaan tot de berg van de Heere en ten huize van de God Jakob, opdat Hij ons leert van Zijn wegen en wij in Zijn paden wandelen. " Sinds de Joden echter door hun halstarrig ongeloof en hun onverbeterlijke ijver voor de wet hebben bewerkt dat het Hagar-verbond komt tot het Jeruzalem, dat nu is, terwijl volgens de raad van Gods genade de tijd daarvan reeds afgelopen was, hebben de Judaïsten in de Christelijke gemeente geen recht meer dat zij, die uit de heidenen worden geboren, naar datzelfde Jeruzalem lopen; want zij zouden daar slechts worden tot dienstbare kinderen van Hagar; maar het Jeruzalem, dat zij voor hun moeder moeten erkennen, is boven. Daar alleen, waar het verheerlijkt Hoofd is, heeft de Nieuw Testamentische gemeente voortaan de plaats van haar oorsprong en de plaats waar haar zegen ontspringt. Vandaar komt onmiddellijk haar de Geest toe, die haar steeds nieuwe kinderen verwekt en vandaar vloeien onmiddelijk haar ook de krachten van de toekomstige wereld toe, in wier bezit deze vrij zijn van alle dienstbaarheid onder een dwang van de wet.