Galaten 4:8-11
In deze verzen herinnert de apostel hun wat zij geweest waren voor hun bekering tot het geloof in Christus en welk een gezegende verandering hun bekering in hen tot stand gebracht had, en tracht daardoor hen te overtuigen van hun grote zwakheid door het oor te lenen aan degenen, die hen onder het juk van de wet van Mozes brengen wilden.
I. Hij herinnert hun hun vroegeren toestand en gedrag, en wat ze waren voor het Evangelie hun verkondigd werd. Zij kenden God niet, zij waren volslagen onbekend met den waren God en de wijze, waarop Hij geëerd worden moet. En terzelfder tijd waren zij in de vreeslijkste slavernij, zij dienden degenen, die van nature geen goden zijn, zij waren bezig met een groot aantal van bijgelovige en afgodische diensten voor degenen, die, ofschoon ze voor goden gehouden werden, het toch niet waren, maar slechts schepselen wellicht zelfs van hun eigen maaksel, en daarom ten enenmale onmachtig om hen te horen en te helpen.
1. Zij, die den waren God niet kennen, zijn uit den aard der zaak geneigd tot valse goden. Zij, die den God, die de wereld geschapen heeft, verzaken, aanbidden liever goden, die zij zich zelven gemaakt hebben, dan geheel zonder god te zijn.
2. Godsdienstige verering komt Hem alleen toe, die van nature God is, want terwijl de apostel hen bestraft, die vereren degenen, die geen goden zijn, toont hij duidelijk aan dat alleen Hij, die van nature God is, het waardige voorwerp van onze godsdienstige verering is.
II. Hij roept hen op om de gelukkige verandering aan te merken, welke in hen gebracht is door de verkondiging van het Evangelie. Nu kenden zij God (zij waren gebracht tot de kennis van den enigen waren God en van Zijn Zoon Jezus Christus, waardoor zij uitgeleid waren van onder de onwetendheid en slavernij waarin zij vroeger gebonden lagen), en veelmeer waren zij van God gekend, deze gelukkige verandering in hun toestand, waardoor zij bekeerd waren van de afgoden tot den levenden God en door Christus vergeving van hun zonden ontvangen hadden en de aanneming tot zonen, hadden zij niet aan zich zelven, maar aan Hem te danken. Zij was het gevolg van Zijn vrije en rijke genade voor hen, en als zodanig moesten zij haar ook erkennen, en daardoor lagen zij onder des te ernstiger verplichting om de vrijheid, waarmee Hij hen vrijgemaakt had, aan te nemen. Al onze gemeenschap met God begint door Hem, wij kennen Hem, omdat wij door Hem gekend zijn.
III. Hier wijst hij op de onredelijkheid en uitzinnigheid van hun lijdelijkheid, waarmee zij zich weer onder het juk lieten brengen. Hij spreekt daarover met verwondering en diepe ergernis, dat zo iets gebeuren kon. Hoe keert gij u wederom, enz.? zegt hij, vers 9, "Hoe komt het dat gij, die onderwezen zijt God te verheerlijken op de wijze des Evangelies, nu overgehaald worden kunt om dat te doen in de wijze der ceremoniële wet? Dat gij, die gewoon zijt aan de bedeling van licht, vrijheid en liefde, zoals die van het Evangelie is, u nu onderwerpt aan een bedeling van duisternis, dienstbaarheid en schrik, als die van de wet is? Daarvoor bestond voor hen des te minder reden, omdat zij nooit, gelijk de Joden, onder de wet van Mozes geleefd hadden, en daarom waren zij nog minder te verontschuldigen dan de Joden zelven, omdat die mogelijk nog enige aanhankelijkheid konden hebben voor hetgeen, waaraan ze zo lang gewoon geweest waren. Daarenboven datgene, waaronder zij zich in dienstbaarheid lieten brengen, was slechts de arme en zwakke eerste beginselen, dingen die in zich de macht niet hadden om de zielen te reinigen of enige wezenlijke voldoening aan de ziel te geven. Zij waren alleen bestemd geweest voor den toestand van onmondigheid, waarin de kerk geweest was, maar waaraan nu een einde gekomen was. En daarom waren hun zwakheid en dwaasheid des te minder te verontschuldigen, wanneer zij zich onderwierpen, evenals de Joden, aan het houden van hun verschillende feesten, hier aangeduid als dagen, en maanden, en tijden, en jaren. Merk hier op:
1. Het is voor hen, die heerlijke belijdenis van den godsdienst afgelegd hebben, mogelijk afgetrokken te worden tot zeer grote verminkingen van de reinheid en den eenvoud des Christendoms, want dat was hier het geval. En:
2. Hoe meer genade God iemand bewezen heeft door hem in kennis te brengen met het Evangelie en zijn vrijheden en voorrechten, des te groter is de zonde van dien mens, indien hij zich daarvan laat beroven. Want bijzonderen nadruk legt de apostel er op, dat zij God kenden, veel meer van Hem gekend waren, en toch begeerden terug te keren tot de zwakke, armoedige eerste beginselen, door het juk der wet op de schouderen te nemen.
IV. Hierop geeft hij zijne vrees te kennen, dat hij enigszins tevergeefs aan hen gearbeid heeft. Hij heeft zich veel moeite voor hen gegeven, door hun het Evangelie te verkondigen en te trachten hen in de vrijheid en het geloof daarvan te bevestigen, maar nu verlieten zij die en maakten zijn arbeid onder hen vruchteloos en zonder uitwerking, en de gedachte daaraan kon niet anders dan hem diep bedroeven.
1. Een groot deel van den arbeid van getrouwe dienaren is vergeefse moeite, en waar zulks het geval is, kan het niet anders dan een grote droefheid zijn voor hen, die begeren zielen te redden.
2. De arbeid der dienaren is tevergeefs bij hen, die beginnen met den Geest en eindigen bij het vlees, die daar ze naar allen schijn wèl begonnen, later zich afkeren van den weg des Evangelies.
3. Zij laden een zware verantwoordelijkheid op zich, aan wie de getrouwe dienaren van Jezus Christus tevergeefs arbeiden.