1. En ik zag een ander groot wonderlijk teken in de hemel naast dat, wat mij in
Hoofdstuk 12:1, was verschenen. Het was wonderlijk vanwege de grote en wonderbare werken van God, die nu zouden worden volbracht. Ik zag namelijk opeens zeven engelen verschijnen, hebbende, zoals uit hun hele uiterlijk bleek, al hadden zij ook de schalen vol van de toorn van God, nog niet in handen (
Vers 17), de zeven laatste plagen, in vergelijking met die van de 7 zegels (
Hoofdstuk 6:1) en van de zeven bazuinen (
Hoofdstuk 8:2), ter hun beschikking. Dat echter na deze plagen geen andere meer zouden komen, bleek uit haar hele aard en gesteldheid, alsmede uit richting en bestemming; want in deze is de toorn van God geëindigd en de tijd van de genade gesloten, waarom ook op de zesde plaag (
Hoofdstuk 16:12) dadelijk de zevende volgt (
Hoofdstuk 16:17) en geen tussenpoos tussen beide plaats vindt, zoals dat tussen de zesde en zevende plaag van de zeven zegelen en van de zeven bazuinen het geval was geweest.
In Hoofdstuk 8:2 werden de zeven engelen, waaraan zeven bazuinen werden gegeven, als degenen voorgesteld, die voor God staan, Zijn hoogste en onmiddellijke dienaars zijn, wat met het gewone begrip van aartsengelen overeenkomt. Vergelijken wij daarmee de eenvoudige naam "engelen" op onze plaats en zien wij aan de andere zijde op Hoofdstuk 6:1 vv. terug, dan blijkt, dat in de zeven zegels, de zeven bazuinen en de zeven schalen een trap is van het hogere tot het mindere. De zeven zegelen worden door Christus zelf geopend, de bazuinen worden door de aartsengelen geblazen, de schalen door gewone engelen uitgegoten. Daardoor worden wij gewezen op de hogere en mindere waarde, die de voorwerpen van de drie verschillende gerichten voor het rijk van God hebben en wordt vooral ten opzichte van Israël een grote voorrang opgemerkt.
Hier wordt de ondergang van de anti-christ voorgesteld, die men naar het uiterlijk aanzien niet te verwachten had en dat door zeven stappen, kort op elkaar volgend, totdat hij verdelgd en in de afgrond geworpen wordt. In het zinnebeeld komen zeven engelen voor; men moet het aanmerken als een zinnebeeld en daarom niet te zeer starogen, wie deze engelen zijn, maar daardoor verstaan zodanige mensen, die God tot dit werk zou willen gebruiken; want dit werk is tot onze dagen niet uitgevoerd door engelen, maar door mensen, zoals de ondervinding leert. De beschrijving (Vers 6) en het werk van een van de vier dieren aan de engelen (Vers 7) tonen dat duidelijk. Zij hadden de laatste plagen over de anti-christ, die zij, als middelen in de hand van God over hem brengen zouden en in die zou de toorn van God eindigen, omdat hij te enenmale door die plagen verwoest en uitgedelgd zou worden.