17. Al die dingen, die het Oud-Testamentische verbond heeft verordend, zijn een schaduw van de toekomende dingen, van de nieuwe heilsweg, die komen zou, maar het lichaam is van Christus, dat die schaduw van zich gaf (
Hebreeën 8:5;
10:1).
De treffende voorstelling, die de apostel vroeger heeft gegeven van de waarde van de persoon en van de betekenis van het werk van Christus, geeft hem nu aanleiding, om de Kolossensen des te meer te dringen tot verzet tegen het nieuwe juk van inzettingen van de dwaalleraars. Deze hadden, zoals onze plaats doet zien een theosofisch-ascetische richting, waarin zij de oudere Mozaïsche inzettingen door de strengheid van hun eisen nog overtroffen. Wat het voedsel aangaat, schijnen zij vooral op strenge waarneming van de joodse spijswetten te hebben aangedrongen. Of zij alle gebruik van vlees, zoals de asceten te Rome, hebben verworpen, kan uit het verband niet worden opgemaakt. Het verbod om wijn te drinken, in het Oude Testament alleen voor de Nazireërs en de dienstdoende priesters gegeven (Numeri 6:3 Leviticus 10:9), kan bij het vermelden van "drank" niet bedoeld zijn; door die dwaalleraars werd elk genieten van wijn voor zondig gehouden.
Als de apostel de Christenen te Rome, die meenden dat zij zich van zodanig genot, als van vlees en wijn, moesten onthouden, verschoond wilde hebben en er ook niets tegen inbrengen, dat iemand meende verschillende dagen op verschillende wijzen te moeten houden (Romeinen 14:5), heeft hij het nu met degenen te doen, die van beiden een wet voor de Christenen maakten, terwijl het waarnemen daarvan een onvermijdelijk bestanddeel uitmaakte van Christelijke heiligheid en dat moest hij voorkomen. Bij de dwaalleraars te Kolosse was sprake van een heiligheid van het leven, die voor alle leden van de gemeente dezelfde moest zijn; daarom herinnert hij, dat al dergelijke zaken, in het bijzonder de Oud-Testamentische heilige tijden tot datgene wat in en met Christus aanwezig is, staan als de schaduw tot het lichaam.
Christus en diens werken in de mensheid is het toekomstige, waarvan het Oude Testament met zijn symbolisch-typisch karakter de schaduw is. In de tegenstelling tot schaduw en lichaam ligt in de eerste plaats de nietigheid, het wezenloze van de schaduw, vergeleken met het lichaam, dat deze vormt, maar verder ook de analogie tussen schaduw en lichaam. Dit, het lichaam, werpt een schaduw af, die een beeld ervan voorstelt; zo is ook het Oude Testament een afschaduwing van het Nieuwe, een symbool en type van Christus, van Zijn werk en van Zijn kerk.
Sinds Christus verschenen is, staat de zon van de goddelijke openbaring niet meer achter ons, zoals dat bij de leden van het Oude Verbond het geval was, voor wie de schaduw een voorafgaande was, waaruit zij konden opmerken, wat toekomstig was; maar zij staat vóór ons en werpt nu het lichaam zijn schaduw achterwaarts, zodat wij uit hetgeen Christus ons heeft aangebracht, verstaan, wat de voorspellingen en bepalingen van het Oude Testament moesten betekenen.