Galaten 4:19-20
Ten einde deze Christenen des te beter te stemmen om de vermaningen te dragen, die hij verplicht was tot hen te richten, geeft de apostel hier uitdrukking aan zijn grote liefde voor hen en aan zijn tedere zorg voor hun welzijn. Hij was niet als zij, zo als hij tegenwoordig was en anders bij zijn afwezen. Hun afkeer van hem had zijn genegenheid voor hen niet weggenomen, hij had voor hen nog dezelfde gevoelens, die hij vroeger gehad had. Ook was hij niet gelijk hun valse leraren, die grote liefde voor hen voorwendden maar onderwijl alleen met hun eigenbelang te rade gingen. Hij had oprechte begeerte naar hun waarachtig welzijn, hij zocht niet het hun, maar hen. Zij waren slechts al te gereed om hem voor hun vijand te houden, maar hij verzekert hun dat hij hun vriend was, neen meer! dat hij voor hen de ingewanden van een vader had. Hij noemt hen zijne kinderen, en daartoe had hij het recht, want hij was het werktuig geweest voor hun bekering tot het Christelijk geloof, ja, hij noemt hen zijne kinderkens, waarmee nog hoger trap van tederheid en liefde wordt aangeduid. Ook kan dat woord doelen op hun tegenwoordig gedrag, waarbij ze zich voordeden als kleine kinderen, die gemakkelijk bewerkt werden door de kunstgrepen en verdachtmakingen van anderen. Hij toont hier zijn liefde voor hen en zijn ernstige begeerte naar hun welzijn en de gezondheid hunner ziel, door vergelijking met de weeën van een barende vrouw: die ik wederom arbeide te baren. De grote oorzaak van zijn moeiten, de grote zaak waarnaar hij zo ernstig begeerde, was niet dat zij hem meer mochten liefhebben, maar dat Christus een gestalte in u krijge, dat zij in werkelijkheid Christenen worden mochten en meer bevestigd en opgebouwd in het geloof des Evangelies. Hier hebben wij te letten op:
1. De zeer tedere toegenegenheid, welke getrouwe dienaren hun toedragen, onder welken zij arbeiden, die is van de tederste ouders voor hun kinderen.
2. Dat de voornaamste zaak, waarnaar zij verlangen en waarvan zij als `t ware in de geboorte zijn, deze is, dat Christus een gestalte in hen verkrijge, niet zozeer dat zij zelf hun genegenheid mogen winnen, veel minder nog dat zij hen als hun prooi verkrijgen mogen, maar dat zij mogen vernieuwd worden in den geest huns gemoeds, dat zij het beeld van Christus mogen dragen en meer volkomen bevestigd worden in het geloof des Christendoms. Hoe onredelijk handelen zij dan niet, die verdragen dat ze opgezet worden om zulke dienaren te verlaten of te mishagen.
3. Dat Christus geen goede gestalte heeft in hen, die nog niet er af gebracht zijn om op hun eigen gerechtigheid te bouwen, en die nog niet enig en alleen op Hem en Zijne gerechtigheid steunen. Als verder bewijs van de liefde en toegenegenheid, welke de apostel voor deze Christenen heeft, voegt hij er bij, vers 20, Ik wilde dat ik nu tegenwoordig bij u ware. Hij zou zich verheugen indien hij gelegenheid had om bij hen te zijn en met hen om te gaan, en dat om gelegenheid te vinden om zijne stem te veranderen, want hij was in twijfel over hen. Hij wist niet goed wat hij van hen denken moest. Hij was niet zo volkomen met hun toestand bekend, dat hij wist hoe hij zich het best tegenover hen gedragen kon. Hij was vol vrees en ijver over hen, en dat was de reden waarom hij op deze wijze hun geschreven had, maar het zou hem verheugen indien hij zien mocht, dat de zaken met hen beter stonden dan hij vreesde, en indien hij reden mocht krijgen om hen te prijzen in plaats van hen te bestraffen en te kastijden. Ofschoon dienaren maar al te dikwijls reden vinden om hen te bestraffen met wie zij te doen hebben, toch is het voor hen geen dankbaar werk, zij zouden er liever geen reden voor hebben, en zijn altijd verblijd wanneer ze aanleiding vinden om hun stem te veranderen.