4. a) Maar wanneer de volheid van de tijd, de door God van te voren bepaalde tijd (
Genesis 49:10. Mich. 5:2), als nu de mondigheid van ons zou aanvangen, gekomen is, heeft God Zijn Zoon van Zich uitgezonden (
Colossenzen 1:15.
Johannes 1:1 v., 14), geworden uit een vrouw uit het geslacht van David (
Romeinen 1:3.
Lukas 1:35) b) geworden onder de wet, dadelijk van Zijn geboorte af, zodat Hij ook, als elk ander Joods kind, aan de besnijdenis en aan alle overige voorschriften van de wet werd onderworpen (
Lukas 2:21-
23).
a) Daniël 9:24. b) Mattheus 5:17.
Men lette op het juiste parallellisme van de leden in deze gehele afdeling: 1) een kind is (vs 1) - wij kinderen waren (vs 3); 2) zo verschilt hij niets van een dienstknecht (Vers 1) - zo waren wij dienstbaar gemaakt (Vers 3); 3) onder voogden en verzorgers (Vers 2) - onder de eerste beginselen van de wereld (Vers 3); 4) tot de tijd, door de vader van te voren gesteld (Vers 2) - wanneer de volheid van de tijd gekomen is (Vers 4). Het "wanneer de volheid van de tijd gekomen is" wil zeggen, toen de tijd tot aan dat punt was gekomen, dat God naar Zijn wijze raad had bepaald. Waarom juist deze tijd de tijd was van de vervulling. d. i. waarom God juist dit tijdpunt van eeuwigheid voor het belangrijkste tijdstip van de menswording van Christus had gehouden, wordt noch hier, noch op gelijkluidende plaatsen (Markus 1:15. ontwikkeld.
God had Zijn Zoon duidelijk na de val in de wereld kunnen zenden. Hij heeft echter Zijn heilige redenen gehad, om dat pas ongeveer 4000 jaren later te doen, ja het is een wijsheid van God, dat de komst van Christus in het vlees zo lang is uitgesteld; het is onder anderen om die redenen gebeurd, dat de mensen hun ellende en de noodzakelijkheid van een Verlosser des te meer zouden inzien, opdat het verlangen van de vromen en hun vreugde over Zijn toekomst des te groter zou worden.
De uitdrukking: "God heeft Zijn Zoon uitgezonden", veronderstelt het persoonlijk voortbestaan van Christus, daardoor tevens ook het persoonlijk goddelijk wezen van Hem (Romeinen 8:3, 32. Filippenzen 2:6. 2 Corinthiërs 8:9, zodat de idee van de apostel overeenstemt met het woord van Johannes: "het Woord was bij God en God was het Woord. "
Door de woorden: "geworden uit een vrouw. " is volgens het gewone spraakgebruik (Job 14:1. Mattheus 11:11) de staat van een gebrekkig mens te kennen gegeven, waarbij echter de ontvangenis van Maria door onmiddellijke werking van God en zonder toedoen van een man, noch uitgesloten noch ingesloten wordt. Dat de bovennatuurlijke geboorte van Christus hier zou worden genoemd, zou zelfs tegen de samenhang zijn, want, in verband met het volgende: "geworden onder de wet", moet het "geworden uit een vrouw" zonder twijfel een dubbele vernedering te kennen geven, waarin Zich Christus, om Zich gelijk te stellen met hen die verlost moesten worden, in de tijd door de Vader bepaald, begeven heeft, omdat namelijk Hij, de Zoon, die in de gestaltenis van God was, aan de ene kant geworden is een Zoon van de vrouw, een zaak, gebrekkig mens (Filippenzen 2:6) en aan de andere kant Zich onder de wet heeft begeven en wel het eerste, omdat Hij in het algemeen mensen kon verlossen, het tweede, omdat Hij in de eerste plaats het Israël wilde verlossen, dat onder de wet was. Om nu nog zoveel mogelijk de gelijkheid van de Heere met hen, die verlost moesten worden, naar die twee kanten uit te drukken, laat Paulus hier geheel onvermeld het enige van Jezus, dat bij die gelijkheid op grond van Zijn waardigheid als Zoon nog altijd bestaat; want zo min als de Zoon van God geheel op dezelfde manier een vrouwenzoon was als de overige mensen, zo min was Hij ook op dezelfde manier een onderdaan van de wet als de overige dienaars van de wet, omdat Hij in het laatste geval ook van de wet verlost had moeten worden. Hem was de wet van God gegeven, om daaraan gedurende Zijn wandelen op aarde Zijn onzondige gehoorzaamheid te betonen (Mattheus 3:15; 5:17. niet zoals de overigen, die van hun dienstbaarheid onder de zonde door haar de bewustheid moesten verkrijgen. 5. Opdat Hij door hetgeen Hij in zodanigen staat zou doen en lijden (Hoofdstuk 3:14. Filippenzen 2:8) dengenen, die onder de wet als onder voogden en verzorgers (Vers 2) waren, verlossen zou, a) en opdat wij ten gevolge van deze verlossing en bevrijding uit de staat van onmondigheid, die ons gelijkelijk, zowel heidenen als Joden, ten goede zou komen, de ons toegedachte aannemingtot kinderen, het juist van zelfstandig geworden kinderen in het huis van God, verkrijgen zouden.
a) Johannes 1:12. Galaten 3:26.
De Heiland werd Mensenzoon, opdat alle mensen kinderen van God zouden worden (Augustinus: "God wilde van de mensen Zoon wezen en wilde, dat de mensen Gods zonen werden. Hij werd door de wet onderworpen, om door de bevrijding van de Joden van de wet hun met de heidenen tot een nieuwe mens te verenigen (Efeze 2:14). Daarom komt het eerste "opdat" overeen met het "geworden onder de wet" en het tweede "opdat" met het "geworden uit een vrouw". De vertaling van de leden van de zin heeft echter plaats, omdat het einddoel, "dat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden", alleen kon bereikt worden, doordat de vervulling van het middendoel plaats had, "opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou".
De eerste zin met "opdat" geeft een negatieve vrucht, die in de eerste plaats op de Joden betrekking heeft; de tweede een positieve vrucht, die Joden en heidenen aangaat een vrucht van de menswording en vernedering van de Zoon van God. Het "wij" bij "verkrijgen zouden" is namelijk ogenschijnlijk, evenals in Hoofdstuk 3:14, van de Christenen in het algemeen, van Joden en heidenen te verklaren.
In Hoofdstuk 3:14 was het "verkrijgen zouden" in de grondtekst uitgedrukt door het verbum simplex (eenvoudig werkwoord), want wij ontvangen hier beneden slechts de eerstelingen van de Geest (Romeinen 8:23); hier staat daarentegen een verbum compositum (samengesteld werkwoord), dat de volledigheid van de handeling of het ontvangen van de volle mate (Lukas 16:25) aanduidt: "Opdat wij de volkomen aanneming tot kinderen zouden verkrijgen. " Daarom is het geenszins, zoals vele uitleggers gemeend hebben, dat Paulus van zijn beeld afwijkt, dat hij in Vers 1 begonnen was te tekenen.
Starke onderscheidt zeer juist drie trappen van het kindschap: 1) het minderjarige kindschap, dat de gelovigen van het Oude Testament toekomt, 2) het mondige en vrije kindschap, dat een voorrecht is van de gelovigen van het Nieuwe Testament, 3) het heerlijke kindschap, dat bestaat in een volledig bezitten van de eeuwige erfenis (Lukas 20:36. Romeinen 8:25). Hier wordt gesproken van de tweede trap, maar zo dat de derde onfeilbaar daarop volgt.
Men begrijpt overigens de gehele uiteenzetting van de apostel pas dan volledig, als men Israëls roeping om de zaligheid voor de gehele mensheid teweeg te brengen, in het oog houdt. De erfgenaam, van wie in Vers 1 werd gesproken, was dat niet voor zichzelf, in afzondering van de overige wereld, maar hij maakte de elite of het uitverkorene uit de volken alleen om een bepaalde reden uit, omdat God met de gehele menigte van de volken tegelijk niet datgene kon teweeg brengen, wat Hij tot voorbereiding op de Heiland en Zijn zaligheid moest doen, maar een bijzondere haard voor zijn vuur nodig had. Nu was ook Israël niet voor zich alleen gedurende de tijd van zijn minderjarigheid onder de voogden en verzorgers, of onder uitwendige bepalingen gesteld, maar het droeg deze last als de dienstknecht van God en als uitverkorene van de Heere ("Isa 41:1" en "Isa 42:1 en als vertegenwoordiger van de volken van de wereld, waarvoor Hij ten Middelaar was gesteld. Ook aan Hem is een plaatsbekleding opgedragen, als aan de dienstknecht van God in de hoogste zin, de volkomen bewerker van zaligheid en het eigenlijk zaad van Abraham (Vers 16) en evenals nu daar, opdat het een werkelijke plaatsbekleding zou zijn, volgens de Aanmerkingen bij Vers 3 Ga 4:3 de uitwendige instellingen, waaraan het onderworpen werd, in verband moesten staan met de offerdienst en de overige godsdienstige gebruiken van de heidenwereld, zo kon de verlossing daarvan, die door Christus geschiedde, de gehele wereld ten goede komen en de inleiding in het kindschap een aanneming zijn voor alle volken van de aarde. Deze hebben een recht om zich te beschouwen als mede besloten in de Oud-Testamentische gemeente van de Heere, om zich door het geloof in Christus in deze te laten inlijven en zij hebben nu, zoals Rieger schrijft, tegenover de Mozaïsche wet in Christus Jezus hun man gesteld, die haar meester was geworden. Zij hebben nu de toegang tot Zijn genade, niet als degenen, die uit ongehoorzaamheid en weerspannigheid zijn weggelopen, maar als kinderen, die verlost zijn en op de bestemde tijd in vrijheid zijn gesteld. Nu genieten Joden en Heidenen, zegt V. Gerlach, de dubbele vrijheid: zij staan als mondigen niet meer onder de inzettingen van de wereld, maar aanbidden God in Geest en in waarheid. De wet stelt zich niet meer dreigend en veroordelend tegenover hen, maar bekleed met de gerechtigheid van Christus; in Hem de Vader aangenaam, verkrijgen zij de kracht om Zijn geboden in kinderlijke geest te vervullen, terwijl zij zelf hun bedoeling inzien en daarin hun zaligheid vinden. In hoeverre echter Hij, die onder de wet werd gebracht, degenen, die onder de wet waren, verloste, heeft Luther nader uiteengezet, als hij aldus spreekt: "Op tweeërlei wijze heeft Christus Zich onder de wet geplaatst. Ten eerste heeft Hij Zich gesteld onder de werken van de wet, die Hij niet verschuldigd was te doen, omdat Hij de Heer van de wet is; Hij heeft Zich laten besnijden, voor Zich in de tempel laten offeren en Zich laten reinigen; Hij is op de bestemde tijd naar Jeruzalem getrokken, is vader en moeder onderdanig geweest en dergelijke. Ten tweede heeft Hij Zich gewillig gesteld onder de straf, die de wet dreigt, hen veroordelend, die haar niet houden. Dit mag zeker wel een wonderlijke strijd worden genoemd, omdat de wet als een gemaakt iets, zich onderwindt, zijn Maker aan te klagen en dus haar macht en tirannie aan Gods Zoon waagt uit te oefenen, zodat zij Hem wil verdoemen als een andere zondaar, hoewel zij daartoe geen bevoegdheid of recht heeft, zoals zij heeft tegen ons, die kinderen van de toorn zijn, omdat dan de wet tegen haar God zo gruwelijk en lasterlijk gehandeld heeft, moet zij terecht staan en worden aangeklaagd. Nu moet de wet, die vroeger de hele ziel veroordeeld en gedood heeft, omdat zij zich volstrekt niet kan verantwoorden noch verontschuldigen, ook worden verdoemd en gedood, zodat zij dus verder geen macht of recht meer heeft, niet alleen niet over en tegen Christus maar ook niet over degenen, die in Hem geloven. " Nog op een andere manier spreekt Besser zich uit: "Zoals de apostel ons leert (Hoofdstuk 3:18) de kruisdood van Christus te erkennen voor een dood van de vloek, zo laat hij ons deze dood ook aanschouwen, als de volmaakte daad van de gehoorzaamheid van die, die het op Zich heeft genomen, in de allervrijste liefde een onderdaan te worden van de wet, die op vervulling aandringt en als de ware Middelaar alle gerechtigheid te vervullen, opdat door de gehoorzaamheid van een velen gerechtvaardigd zouden worden, zoals door de ongehoorzaamheid van één mens velen tot zondaars zijn gesteld. De wet eist dat haar overtreders gestraft worden en Christus heeft de straf in onze plaats geleden. De wet eist onderwerping van haar knechten en Christus heeft de onderwerping in onze plaats betoond. Nu heeft de wet haar vervuller gevonden, die zij wilde hebben en moest hebben om tevreden gesteld te worden. En zij is voor altijd met ons tevreden, die geloven in Christus, die voor ons heeft gedaan, want Hij voor Zichzelf niet verschuldigd was te doen; een volkomen betaling van het verschuldigde heeft plaats gehad, waardoor wij zijn vrijgekocht uit de staat van ons schuldig zijn (Colossenzen 2:14). 6. En omdat u, die in Jezus Christus gelovig bent geworden (Hoofdstuk 3:26), volgens het zo-even gezegde kinderen bent, zo heeft God Zich nu tot u gesteld als een Vader jegens Zijn kinderen en met de daad u van uw kindschap verzekerend, de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, die met de ernstigste en tederste aandrang (Exodus 8:12; 14:15. 1 Sam. 7:9. evenals eens Hij, de Zoon, Zijn God heeft aangesproken (Markus 14:36), roept: Abba, Vader! Romeinen 8:15.
Met deze woorden wil Paulus de Galaten op een onloochenbare wijze bevestigen, dat zij echt kinderen en niet meer knechten zijn, evengoed als de Christenen uit de Joden, zo zeker als ook in hen de Geest roept.
Opmerkelijk is de tweede persoon: "u bent", omdat alleen het kindschap van de Christenen uit de heidenen door de tegenstanders in twijfel was getrokken. Even juist wordt echter later weer gezegd "in onze harten", zoals er volgens betere lezing moet staan, omdat de uitstorting van de Heilige Geest aan beiden, heidenen en Joden, gemeenschappelijk is en Paulus zichzelf ook wil insluiten, als een, die de werkelijkheid van zo'n zalig inwonen van de Geest uit eigen ervaring kan bevestigen.
Hoe meer de daar aanwezige dwaalleraars de Galaten de wet wilden opdringen, des te meer moet de apostel alles in het werk stellen om ze te versterken in het geloof, dat zij kinderen van God zijn. De dwaalleraars hebben alles verloren en Hij heeft alles gewonnen, als zij weten dat zij kinderen van God zijn. Tot hiertoe heeft de apostel alleen op logische, didaktische weg hen willen overtuigen, dat zij niet meer dienstknechten, maar kinderen van God zijn. Maar wat baat zo'n logische overtuiging? Niet op logica, maar op de empirie, niet op gedwongen gevolgtrekkingen van het verstand, maar op de ervaring van het hart rust de zaak van het ethisch religieus gebied. De apostel weet dit, hij haalt daarom in ons vers nog een hoogst belangrijk punt aan. Maar waarom zegt hij, zo vraagt Luther daarover, dat de Heilige Geest gegeven is, omdat zij kinderen zijn, wanneer toch de Heilige Geest eerst van dienstknechten kinderen maakt en er zijn moet voordat zij kinderen van God worden? Al is het ook zeker dat wij niet zonder het genadewerk van de Heilige Geest in ons, kinderen van God worden, zo gaat toch het kindschap bij God de Vader, het intreden in een nieuwe betrekking tot Hem, de zending van de Heilige Geest vooraf.
Het "God heeft de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten" noemt de persoon van de Heilige Geest als onderscheiden van de Vader. Hij wordt gedacht als vertoevend in de nabijheid van de Vader, van waar Hij gezonden wordt in de harten van de mensen, evenals de Zoon van God gedacht is als zijnde in de nabijheid van de Vader, als in Vers 4 gezegd wordt dat de Vader Hem gezonden heeft in de volheid van de tijd. Hij wordt de Geest van de Zoon genoemd met het oog daarop, dat Hij het kindschap van de Christenen verzekerd en is bij het roepen "Abba, Vader! " degene, die eigenlijk handelt, terwijl in Romeinen 8:15 gezegd wordt, dat wij dus roepen in de Heilige Geest.
Het gewicht ligt hier juist daarin, dat het niet ons roepen is, maar het roepen van de Geest van Christus. Zoals de Zoon van God tot Zijn Vader spreekt, zo klinkt het weer in ons. Horen wij in plaats van de stem van het geweten zo'n roepen van de Geest van Christus in ons, dan heeft u, zo geeft de apostel de Galaten te bedenken, in dit feit van de zending van dienzelfde Geest in onze harten het bewijs, dat u in die verhouding tot God staat, die zich uitdrukt in dat roepen tot God, dat inwendig vernomen is. Deze Geest fluistert niet. Hij zingt noch spreekt; het is alles veel groter: Hij roept uit alle macht d. i. met het hele, volle hart, zodat alles leeft en zich beweegt in zodanig vertrouwen. De apostel voegt een Hebreeuws en het Grieks woord bij elkaar, dat zo veel is als "Vader, Vader! " Ik heb vrede met de verklaring van enigen, die zeggen, dat Paulus hier het woordje "Vader" opzettelijk in de Hebreeuwse en Griekse talen heeft uitgedrukt, om aan te tonen dat de Christelijke gemeente uit twee volken Joden en heidenen vergaderd was en hoewel Joden en heidenen in tweeërlei talen God aanroepen en Vader noemen, slaken zij toch beide dezelfde zuchten, omdat zij beiden Hem Vader noemen. Maar waarom verdubbelt hij het woord en geroep van de Geest. Ik wil daarover mijn gedachte zeggen: ten eerste om de kracht en de sterkte van het roepen uit te drukken; want die zeer ernstig roept herhaalt een woord en geroep vele malen; ten anderen is het de aard van de Schrift, dat zij door zodanige verdubbeling de zekerheid en zekerheid te kennen geeft (Vgl. Genesis 41:32); ten derde moet het vertrouwen, dat God Vader is en wil zijn, ook bestendig zo blijven - dat heeft wellicht ook Paulus gewild, omdat hij het vreemde Hebreeuwse woordt eerst zegt en vervolgens het gewone Griekse, om aan te duiden dat het begin van zo'n vertrouwen ongewoon en de mens vreemd is; maar als hij heeft overdacht en in praktijk gebracht, wordt het hem wel bekend en even alsof het zijn natuur was.