Jesaja 8:16-22
In deze verzen hebben wij:
I. Het onuitsprekelijk voorrecht van het volk van God daarin, dat hun de orakels van God zijn toevertrouwd: en dat zij de heilige Schriften bezitten, opdat zij de Heer der heerscharen heiligen, Hem tot hun vreze maken, en Hem hun heiligdom bevinden. Bind de getuigenis toe, vers 16. Het is een groot bewijs van Gods zorg over Zijn kerk en van Zijn liefde voor haar, dat Hij er de kostbare schat van de goddelijke openbaring in heeft neergelegd.
1. Het is een getuigenis en een wet, niet alleen de profetie is dit, die daarom bewaard moet worden tot vertroosting van Gods volk in de naderende tijd van benauwdheid en beroering, maar het gehele woord van God is dit. God heeft het betuigd en Hij heeft het bevolen. Als een getuigenis bestuurt het ons geloof, als een wet leidt het onze handel en wandel, en wij behoren de waarheden ervan te onderschrijven, en ons te onderwerpen aan de voorschriften ervan.
2. Deze getuigenis en die wet zijn gesloten en verzegeld, want wij moeten er niets aan toevoegen en er niets van afdoen, zij zijn een brief van God aan de mens, opgevouwen en verzegeld, een proclamatie uitgevaardigd onder het grootzegel. Het sluiten en verzegelen van het oude testament betekende dat de volle verklaring van vele van de profetieën ervan bewaard is voor de nieuw testamentische tijden, Daniël 12:4 :Verzegel dit boek tot de tijd van het einde, maar wat toen gesloten en verzegeld was, is thans open en ontzegeld, en aan de kinderen geopenbaard, Mattheus 11:25. Maar ten opzichte van de andere wereld en de toekomende staat is de getuigenis ook nu nog gesloten en verzegeld, want wij kennen slechts ten dele en profeteren slechts ten dele.
3. Zij zijn als een heilig pand toevertrouwd aan de leerlingen, aan de kinderen van de profeten en van het verbond, Handelingen 3:25. Dat is het goede pand, dat hun toevertrouwd is, en dat hun bevolen wordt te bewaren, 2 Timotheus 1:13, 14. Zij, die profeten tot onderwijzers hadden, moeten zich toch stipt en nauwkeurig aan het geschreven woord houden.
II. Het goede gebruik, dat wij van dit voorrecht behoren te maken. Dit wordt ons geleerd
1. Door de eigen praktijk van de profeten en besluiten, vers 17, 18. Hij omhelsde de wet en de getuigenis, en hij smaakte er de vertroosting van temidden van de vele ontmoedigingen, die hij ontmoette. Die leraren kunnen het best het Woord God aanbevelen aan anderen, die zelf voldoening hebben gesmaakt in er op te vertrouwen.
Merk op:
A. De ontmoedigingen, waaronder de profeet arbeidde. Hij noemt er twee.
a. Het toornig aangezicht van God, niet zozeer tegen hemzelf gericht, als wel tegen zijn volk, welks belangen hem zeer na aan het hart lagen. "Hij verbergt Zijn aangezicht voor het huis van Jakob en schijnt hen thans te veronachtzamen en hen onder de tekenen van Zijn misnoegen te leggen". De profeet werd zelf gebruikt om Gods toorn tegen hen te openbaren, maar hij treurde er over als een, die de dodelijke dag niet begeerde. Indien het huis Jakobs de God Jakobs verlaat, dan moet men het niet vreemd vinden, dat Hij, Zijn aangezicht voor hen verbergt. b. De verachting en de smaad van mensen, niet alleen over hem, maar ook over de leerlingen, onder wie de wet en de getuigenis verzegeld waren. Ik en de kinderen, die de Heer mij gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen, wij worden aangestaard als monsters, of als buitenlanders nagewezen als wij door de straten gaan. Waarschijnlijk werden de profetische namen, die hij aan zijn kinderen had gegeven, bespot door de onheilige spotters van de stad. Ik ben velen als een wonder geweest, Psalm 71:7. Gods volk is het wonder van de wereld, Zacheria 3:8, vanwege hun eigenaardigheid, en omdat zij niet met hen medelopen tot dezelfde uitgieting van overdadigheid, 1 Petrus 4:4. De profeet was hier een type van Christus, want dit wordt aangehaald, Hebreeën 2:13. Ziedaar ik en de kinderen, die God mij gegeven heeft. Ouders moeten hun kinderen beschouwen als gaven van God, Zijn genaderijke gaven, Jakob heeft dit gedaan, Genesis 33:5. Leraren moeten hun bekeerlingen beschouwen als hun kinderen, en hen als zodanig liefhebben, 1 Thessalonicenzen 2:7, en als de kinderen, die God hun gegeven heeft, want als wij het middel zijn voor iets goeds voor anderen, dan zijn wij dit aan God verschuldigd. Christus ziet op de gelovigen als op Zijn kinderen, die de Vader Hem gegeven heeft, Johannes 17:6, en beide Hij en zij zijn tot tekenen en tot wonderen, die weersproken worden, Lukas 2:34, overal worden tegengesproken, Handelingen 28:22.
B. De bemoediging, die hij nam met betrekking tot deze ontmoedigingen.
a. Hij zag Gods hand in alles wat ontmoedigend was voor hem, en daar hield hij het oog op gevestigd. In welke benauwdheid het huis van Jakob ook zij, zij ontstaat uit het verbergen van Gods aangezicht, ja welke smaad ook op hem en zijn vrienden wordt geworpen, het is van de Heer der heerscharen. Hij heeft tot Simeï gezegd: vloek David, Job 19:13, 30:11
b. Hij zag God wonen op de berg Zion, zich openbarende aan Zijn volk, en bereid om hun gebeden te horen en hun hulde te ontvangen. Hoewel Hij voor het ogenblik Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, weten zij toch waar Hem te vinden, Hij woont op de berg Zion.
c. Daarom besloot hij op de Heer te wachten, naar Hem uit te zien, acht te geven op Zijn bewegingen, zelfs terwijl Hij Zijn aangezicht verbergt, en met een nederige verzekerdheid te wachten op Zijn weerkeren in genade. Zij, die in geloof en gebed op God wachten, kunnen met hoop en blijdschap naar Hem uitzien. Als wij geen merkbare vertroostingen hebben, moeten wij toch op God letten, Hem gehoorzaam blijven en dan een poos wachten, ten tijde des avonds zal het licht wezen.
2. Door de raad, die hij geeft aan zijn leerlingen, onder wie de wet en de getuigenis verzegeld waren, aan wie de levende orakels waren overgegeven.
A. Hij veronderstelt dat zij ten dage van hun benauwdheid in verzoeking zullen zijn om waarzeggers te raadplegen, die met de duivel gemeenschap hebben, hem om raad vragen en begeren door hem ingelicht te worden nopens toekomstige zaken en gebeurtenissen, ten einde dan daarnaar hun maatregelen te nemen. Zo heeft Saul toen hij in benauwdheid was zich tot de tovenares van Endor gewend, 1 Samuël 28:7, 15, en Ahazia tot de god van Ekron, 2 Koningen 1:2. Deze waarzeggers gebruikten fantastische gebaren en geluiden, zij piepten en mompelden binnensmonds, zij omwonden hun hoofd, zodat zij niet duidelijk konden zien of gezien worden wat zij te zeggen hadden zeiden zij met een helklinkende, afgebroken stem soms met een piepend, klagend geluid, geluid van een kraanvogel, of zwaluw, of als het gekir van een duif, Hoofdstuk 38:14. Zij spraken niet met de vrijmoedigheid en duidelijkheid, waarmee de profeten van de Heer spraken, maar als degenen die er zich meer op toelegden het volk te vermaken dan het te onderwijzen. Toch weren er sommigen, die zo erbarmelijk dom en verdwaasd waren, dat zij hen raadpleegden en ook andere aanraden om dit te doen, namelijk de hoorders van de profeet, die betere dingen kenden, en daarom waarschuwt de profeet hen om niet te zeggen een verbintenis met de zodanigen. Er waren bepaalde, uitdrukkelijke wetten tegen deze goddeloosheid, Leviticus 19:31, 20:27, en toch werd zij in Israël gevonden, gevonden zelfs onder christelijke volken, maar laat allen, die nog enig besef hebben van godsdienst, dit tonen door te huiveren van afgrijzen bij de gedachte eraan en zeggen: Ga achter mij, Satan. Wees bang voor het gebruik van tovermiddelen en het raadplegen van hen, die door geheime kunsten voorwenden de toekomst te voorspellen ziekten te genezen, of verloren zaken te ontdekken, want dit is een zware misdaad, het is een loochenen van de God die hierboven is.
B. Hij voorziet hen van een antwoord op deze verzoeking, legt hun woorden in de mond. "indien iemand het beproeft u aldus te verstrikken, geeft hem dit antwoord: Zal niet een volk zijn God vragen? Hoe! Zal men voor de levenden de doden vragen?"
a. Zegt hun dat het een beginsel van Godsdienst is, dat een volk zijn God moet vragen: nu is Jahweh onze God en daarom behoren wij Hem te vragen, Hem te raadplegen, en niet hen, die een waarzeggende geest hebben. Alle volken zullen wandelen elk in de naam van zijn God, Micha 4:5. Zij die het hemels heerleger tot hun goden maakten zochten ze, Jeremia 8:2. Zal niet een volk, op hetwelk schuld ligt en dat in benauwdheid is zijn God zoeken om vrede en vergeving te verkrijgen? Zal niet een volk, dat in twijfel, in nood en in gevaar is, zijn God zoeken om leiding te verkrijgen en voorziening in zijn nood en bescherming tegen zijn gevaar? Daar de Heer onze God is, en wij Zijn volk zijn, is het gewis onze plicht om Hem te zoeken."
b. "Zegt hun dat het een bewijs van de grootste dwaasheid is, om voor levende mensen dode afgoden te vragen." Wat kan ongerijmder zijn dan om bij levenloze beelden leven en levende vertroostingen te zoeken, of te verwachten dat doden onze vrienden zullen zijn, dat zij, als wij ze vergoden en tot hen bidden, voor ons zullen doen wat onze levende vrienden niet voor ons doen kunnen? De doden weten niemendal, en er is bij hen noch verzinning, noch werk, noch wijsheid, noch wetenschap, Prediker 9:5, 10. Daarom is het dwaasheid voor de levenden om hun het hof te maken met enigerlei verwachting om van hen hulp te zullen verkrijgen. Tovenaars raadpleegden de doden, zoals de waarzegster van Endor, en aldus hebben zij hun eigen dwaasheid openbaar gemaakt, wij moeten leven bij de levenden, en niet bij de doden, welk leven of welk licht kunnen wij verwachten van hen, die zelf noch leven noch licht hebben?
C. Hij zegt hun de orakels van God te raadplegen. Indien de profeten, die onder hen waren, geen direct antwoord hadden op iedere vraag, hadden zij toch het geschreven Woord, en daartoe moeten zij de toevlucht nemen. Diegenen zullen er nooit toe gebracht worden om waarzeggers te raadplegen, die een goed gebruik weten te maken van hun bijbel. Willen wij weten hoe wij onze God kunnen vragen, en tot de kennis kunnen komen van Zijn wil? Tot de wet en tot de getuigenis! Daar zult gij zien wat goed is en wat de Heer van u eist. Maak Gods wetten tot uw raadgevers, en gij zult goed geraden worden.
Merk op:
a. Welk gebruik wij moeten maken van de wet en van de getuigenis: wij moeten spreken naar dat woord, dat moeten wij tot ons richtsnoer maken, er ons naar regelen, er raad aan ontlenen, er ons toe begeven, en ons in alles er door laten besturen en regeren, wij moeten met deze gezonde woorden, 1 Timotheus 6:3, instemmen, en van de dingen Gods spreken met de woorden, die de Heilige Geest leert. Het is niet genoeg er niets tegen te zeggen, wij moeten in overeenstemming er mee spreken.
b. Waarom wij dit gebruik moeten maken van de wet en de getuigenis, omdat wij overtuigd zullen worden van de grootst mogelijke dwaasheid, zo wij het niet doen. Zij, die niet instemmen met het woord van God, bewijzen dat er geen licht, geen morgenlicht-dat is de betekenis van het woord-in hen is, zij hebben geen goed besef van de dingen, zij verstaan zichzelf niet, noch het onderscheid, dat er is tussen goed en kwaad, waarheid en leugen. Zij, die de goddelijke openbaring verwerpen, hebben niet een menselijk verstand, noch erkennen zij eigenlijk de orakels van de rede, die de orakels van God niet willen erkennen. Sommigen lezen het als een bedreiging: Indien zij niet spreken naar dat woord, het zal zijn dat zij geen dageraad zullen hebben, dat is: er zal geen licht in hen zijn, geen goed, geen vertroosting, geen hulp of verlichting, maar zij zullen heengedreven worden naar duisternis en wanhoop," zoals hier volgt in vers 21, 22. Welk licht had Saul, toen hij de waarzegster raadpleegde? 1 Samuël 28:18, 20. Of welk licht kunnen zij verwachten die zich afwenden van de Vader van de lichten?
D. Hij leest het vonnis over hen, die waarzeggers en duivelskunstenaars vragen, en geen acht slaan op Gods wet en getuigenis, er zal niet slechts geen licht in hen wezen, zij zullen niet allen geen vertroosting en geen voorspoed hebben, maar zij kunnen allen schrik en alle ellende verwachten, vers 21, 22.
a.De benauwdheid, die zij vreesden, zal over hen komen. Zij zullen door het land gaan, of heen en weer gaan in het land ongestadig, onbeslist, heengedreven van plaats tot plaats door de dreigende macht van het invallende leger van een vijand. Zij zullen hard gedrukt zijn, niet wetende waarheen zich te wenden om de noodzakelijks levensbehoeften te verkrijgen, hetzij omdat het land zo verarmd was, dat er niets te krijgen was, of ten minste dat zij en hun vrienden zo verarmd zijn, dat er voor hen niets te krijgen is, zodat zij, die ten volle verzadigd plachten te wezen, zullen hongeren. Zij, die weggaan van God, gaan weg van alle goed.
b. Zij zullen zeer ongerust zijn, en zeer onrustig door hun ontevredenheid en hun ongeduld onder hun benauwdheid. Een godvruchtige kan gebrek lijden, maar dan zet hij zijn hart stil, en doet zijn best om gerust en geduldig te zijn, maar als deze lieden hongeren, dan zullen zij kniezen en zich kwellen, en als zij niets hebben om er zich mee te voeden, dan zal het verdriet, de gemelijkheid, knagen aan hun hart, want ontevredenheid is een zonde, die zichzelve straft.
c. Zij zullen zeer tergend en prikkelend zijn voor allen, die hen omringen, ja ook voor allen die boven hen zijn. Als zij bevinden dat al hun maatregelen verbroken zijn, en zelf ten einde raad zijn, dan zullen zij alle regelen van plicht en betamelijkheid vergeten, verraderlijk hun koning vloeken en godslasterlijk hun God vloeken, en wel meer dan in hun gedachten en in hun slaapkamer, Prediker 10:20. Zij beginnen met hun koning te vloeken, omdat hij de openbare zaken niet met beter beleid heeft bestuurd alsof hij de schuld was van alles, terwijl toch de beste en wijste koningen geen voorspoed kunnen verzekeren, maar als zij de banden van trouw hebben verbroken, dan is het niet te verwonderen als die van hun godsdienst hen ook niet lang kunnen houden, zij vervloeken nu ook hun God, vervloeken Hem en sterven, zij twisten met Zijn voorzienigheid, en smaden deze, alsof zij hun onrecht had gedaan. De dwarsheid van de mens zal zijn weg veranderen, en dan zal zijn hart zich tegen de Heer vergrammen, Spreuken 19:3. Zie hoe nodig het ons is om onze mond als met een slot te bewaren, als ons hart heet is in ons binnenste, want de taal van de gemelijkheid is gewoonlijk zeer beledigend. d. Zij zullen zich aan wanhoop overgeven, want waarheen zij ook de blik richten, nergens kunnen zij hulp of uitkomst ontwaren, zij zullen opwaarts zien, meer de hemel ziet dreigend op hen neer, hij heeft een somber aanzien en hoe kan het ook anders, als zij hun God vloeken? Zij zullen zien op de aarde, maar welke troost kan zij bieden aan degenen, tegen wie God strijd voert? Daar is niets dan benauwdheid, en duisternis, verduistering door angst, alles is even dreigend, geen straal van licht is te bespeuren, geen moedgevend vooruitzicht doet zich voor, maar door het geweld van hun eigen vrees zullen zij heengedreven worden naar duisternis, die vrees stelt alles wat om hen heen is voor als zwart en afzichtelijk. Dit verklaart wat hij gezegd heeft in vers 20, namelijk dat er voor hen geen licht zal zijn. Zij, die hun ogen sluiten voor het licht van Gods woord, zullen rechtvaardig in duisternis gelaten worden, overgelaten worden om eindeloos rond te dwalen, en de vonken, die zij zelf ontsteken, zullen hun geen dienst bewijzen.