14. Gelijk een kraan, die langgerekte, schelle geluiden van zich geeft, of zwaluw, die een klagend geluid doet horen, alzo piepte ik, zo kermde ik van smart en angst; a) ik kirde als eens duif; mijne ogen verhieven zich omhoog 1); ik kon nog slechts een matten blik omhoog heffen met de bede: O HEERE, ik word onderdrukt, wees Gij mijn borg, 2) de koning der verschrikking (
Job 18:14) wordt mij hoe langer hoe meer meester, treed Gij, beloofde Messias, voor mij in (
Job 17:3)!
a) Jesaja 59:11.
1) Als wij het vonnis des doods in ons zelven ontvangen, is het met ons gedaan, zo Gods genade ons niet door het dal der schaduwen des doods gelieft heen te voeren en onbesmet te bewaren voor Zijn hemels Koninkrijk aan de andere zijde der vallei. Zo Christus niet voor ons tussen spreekt en ons rechtvaardigt in het oordeel en Zich voor ons aan zijn Vader aanbiedt om alles voor ons te doen, wat er van node is, zo zouden we nooit ten hemel kunnen geraken.
2) Gelijk Job in Job 17:3 en gelijk de dichter van Psalm 119:122, zo ook smeekt Hizkia dat God bemiddelend optrede, dat de Heere Zich stelle tussen hem en zijne vijanden, hier in dit geval tussen hem en den koning der verschrikking. Ook deze vrome koning Israël's leert nu alleen te zien op zijn God en Helper. Zal hij gered worden dan kan dat alleen door Hem, die verzoening doet over zijne zonden en hem in genade aanziet.