1 Samuël 28:15-19
Wij hebben hier het gesprek tussen Saul en Satan. Saul kwam vermomd, vers 8, maar Satan heeft hem spoedig ontdekt, vers 12. Satan komt vermomd, hij heeft zich vermomd met Samuëls mantel, maar Saul kan hem niet ontdekken.
Dat is ons nadeel bij ons worstelen met de machten van de duisternis van deze eeuw, dat zij ons kennen, terwijl wij onbekend zijn met hun listen.
I. De verschijning, die Samuël voorstelde, vraagt waarom hij geroepen is, vers 15 : Waarom hebt gij mij onrustig gemaakt, mij doende opkomen?
Voor ons blijkt hieruit dat het een boze geest was, die Samuël voorstelde, want (zoals bisschop Patrick opmerkt) het is niet in de macht van toveressen om de rust van Godvruchtigen te storen, hen terug te brengen in deze wereld, wanneer hun dit behaagt: en de ware Samuël zou ook nooit zo'n macht van de toverij erkend hebben, maar voor Saul was dit een gepaste list van Satan om hulde en eerbied van hem te verkrijgen, hem een hogen dunk te geven van de macht van de waarzeggerij, en hem alzo geheel en al in des duivels net te verstrikken.
II. Saul doet zijn beklag aan deze nagebootsten Samuël, hem voor de waren houdende en het is een zeer treurige klacht: Ik ben zeer beangstigd, want de Filistijnen krijgen tegen mij, hen zou ik echter gerust kunnen tegentreden, indien ik slechts de tekenen had, dat God met mij is, maar, helaas, God is van mij geweken.
Hij heeft niet geklaagd over dit wijken van God van hem vóór hij er in moeilijkheid en benauwdheid door kwam, voordat de Filistijnen tegen hem krijgden, en dan begint hij over Gods wijken van hem te klagen. Hij, die in zijn voorspoed niet naar God gevraagd heeft, vond het in zijn tegenspoed hard, dat God hem niet antwoordde, generlei acht sloeg op zijn vragen, hetzij door dromen of door profeten.
Hij heeft noch zelf geantwoord, noch hem door Zijn boden een antwoord gezonden. Hij erkent niet als een boeteling, Gods rechtvaardigheid hierin, maar als een verwoed man vaart hij uit tegen God als onvriendelijk, en wendt hij zich van Hem af, daarom heb ik u geroepen, alsof Samuël, een dienstknecht Gods, gunst zou bewijzen aan hen, op wie God vertoornd is, of alsof een dode profeet hem meer van dienst kon zijn dan de levenden.
Hieruit zou men opmaken dat hij werkelijk begeerde de duivel te ontmoeten, en niemand anders verwachtte (hoewel onder de dekmantel van Samuëls naam) want hij begeert anderen raad dan van God, dus van de duivel, die Gods mededinger is. "God verstoot mij, daarom kom ik tot u". "Flectere si nequeo superos, Adheronta movebo-Faal ik met de hemel, dan zal ik welslagen bij de hel."
III. Het is schrale troost, die deze boze geest in Samuëls mantel aan Saul geeft, blijkbaar is het zijn doel om hem tot wanhoop en zelfmoord te brengen. Indien het de ware Samuël was geweest, dan zou hij, toen Saul begeerde dat hem gezegd zou worden wat hij doen moest, hem gezegd hebben zich te bekeren, zich met God te verzoenen, en David uit zijn ballingschap terug te roepen, en hem gezegd hebben, dat hij aldus mocht hopen genade van God te verkrijgen, maar inplaats hiervan stelt hij zijn geval voor als hulpeloos en hopeloos, behandelde hij hem zoals hij Judas behandeld heeft, van wie hij eerst de verleider, en toen de pijniger was, hem eerst bewoog zijn Meester te verraden, en daarna zich te verhangen.
1. Hij werpt hem zijn tegenwoordige benauwdheid voor de voeten, vers 16, zegt hem dat God niet slechts van hem geweken is, maar dat Hij zijn vijand is geworden, en dus geen troostrijk antwoord van hem moet verwachten. Waarom vraagt gij mij toch? Hoe kan ik uw vriend zijn als God uw vijand is, of uw raadsman als Hij u verlaten heeft?"
2. Hij werpt hem voor de voeten dat David gezalfd is voor het koninkrijk, vers 17. Hij kon geen snaar hebben aangeraakt, die onaangenamer in Sauls oren klonk dan deze. Er wordt niets gezegd om hem met David te verzoenen, maar alles strekt om hem nog meer tegen David te verbitteren, en de breuk wijder te maken.
Om hem echter te doen geloven dat hij Samuël was, zegt hij wat God door hem gesproken heeft. De duivel weet aan zijn spreken een tint van Godsdienst te geven en kan aan valse apostelen leren zich te veranderen in apostelen van Christus en hun taal na te bootsen. Zij, die gebruik maken van toverijen en bezweringen en ter verdediging er van aanvoeren dat zij er niets dan goeds in vinden moeten gedenken welke goede woorden de duivel hier gebruikt heeft! maar met hoe boosaardig een bedoeling.
3. Hij verwijt hem zijn ongehoorzaamheid aan het gebod van God, daar hij de Amalekieten heeft gespaard, vers 18. Satan had hem geholpen om die zonde te bemantelen en te verontschuldigen, toen Samuël hem tot berouw er over zocht te brengen, maar nu verzwaart hij haar ten einde hem aan Gods genade te doen wanhopen. Zie wat zij er mee winnen, die naar Satans verzoekingen luisteren. Hijzelf zal hun beschuldiger zijn en over hen juichen. En zie op wie zij gelijken, die anderen tot kwaad verlokken, en het hun verwijten als het gedaan is.
4. Hij voorzegt zijn naderend verderf, vers 19. Dat zijn leger door de Filistijnen verslagen zal worden. Dit wordt tweemaal gezegd. De HEERE zal ook Israël met u in de hand der Filistijnen geven, en morgen zult gij en uw zonen bij mij zijn, ook zal de HEERE het legervan Israël in de hand der Filistijnen geven.
Dit kon hij voorzien door de meerderheid van de Filistijnen in sterkte en aantal, de zwakheid van de heirscharen Israëls, Sauls angst, en inzonderheid hierdoor dat God van hen geweken was.
Om echter een waar profeet voor te stellen schrijft hij het telkens en nogmaals toe aan God, de Heere zal het doen. Dat hij en zijn zonen in de veldslag gedood zullen worden. Morgen, dat is: binnen zeer korte tijd (en onderstellende dat het nu na middernacht was, zie ik niet in dat het niet in letterlijke zin voor de volgende dag genomen kan worden, de volgende dag na die welke nu begon) zult gij en uw zonen bij mij zijn dat is in het dodenrijk, afgescheiden van het lichaam.
Indien dit de echte Samuël was geweest, hij zou het niet hebben kunnen voorzeggen, tenzij de Heere het hem had geopenbaard, en hoewel het een boze geest was God kon het door hem laten voorzeggen, zoals wij lezen van een boze geest, die Achabs val voorzag en er het middel toe was te Ramoth in Gilead, 1 Koningen 22:20 en verv, gelijk misschien deze boze geest onder Gods toelating het was voor Sauls verderf.
Die boze geest heeft Achab gevleid, deze heeft Saul verschrikt beide deden het om hen te doen vallen, zo ongelukkig zijn zij, die onder Satans macht zijn want hetzij dat hij verstoord is of lacht, zo is er toch geen rust.