Psalm 71:1-13
David bidt hier om twee dingen in het algemeen, dat hij niet beschaamd zal worden, en dat zijn vijanden en vervolgers beschaamd zullen worden.
I. Hij bidt dat hij nooit beschaamd zal worden in zijn vertrouwen op God, noch teleurgesteld zal worden in zijn gelovige verwachting van Hem. Met deze bede kan iedere ware gelovige vrijmoedig tot de troon van de genade komen, want God zal nooit de hoop vernietigen die Hij zelf heeft opgewekt. Merk hier nu op-
1. Hoe David zijn vertrouwen op God belijdt, en met welk een welbehagen en aangename afwisseling van uitdrukking hij zijn belijdenis van dit vertrouwen herhaalt, nog altijd die belijdenis voor God brengt en er bij Hem op pleit. Wij loven God, en aldus behagen wij Hem door Hem te zeggen indien het inderdaad waar is welk een algeheel vertrouwen wij in Hem hebben, vers 1. Op U, o Heere, en op U alleen, betrouw ik. Wat anderen ook mogen doen, ik kies de God Jakobs tot mijne hulp. Zij, die volkomen tevreden zijn met Gods algenoegzaamheid en overtuigd zijn van de waarheid van Zijn belofte, en in betrouwen op Zijn algenoegzaamheid om hun vergoeding te doen, bereid zijn om voor Hem te doen en te lijden, alles voor Hem te verliezen of in de waagschaal te stellen, kunnen in waarheid zeggen: Op U, o Heere, vertrouw ik. Zij, die met God willen handelen, moeten het doen in vertrouwen-als wij schromen om met Hem te handelen, dan is dat een teken dat wij Hem niet vertrouwen. Gij zijt mijn steenrots en mijn burg, vers 3, en wederom: "Gij zijt mijn sterke toevlucht, vers 7. Ik neem de toevlucht tot U, en ben er zeker van in U veilig te zijn en onder Uw bescherming. Indien Gij mij beveiligt, kan niemand mij schaden. Gij ziet mijn verwachtingen mijn vertrouwen, vers 5. Gij hebt in Uw woord U aan mij voorgesteld als het geschikte voorwerp van mijn verwachting en mijn vertrouwen, ik heb op U gehoopt, en nooit bevonden dat dit te vergeefs was."
2. Hoe zijn vertrouwen op God gesteund en aangemoedigd wordt door zijn ervaringen, vers 5, 6. "Gij zijt mijn vertrouwen van mijn jeugd aan, van dat ik instaat was om mijn rechterhand van mijn linkerhand te onderscheiden heb ik op U gesteund, en zag zeer veel reden om dit te doen, want van mijn moeders ingewand aan zijt Gij mijn uithelper". Van dat hij het gebruik had van zijn verstand, heeft hij vertrouwd op Gods goedheid, omdat hij van het eerste ogenblik van zijn bestaan er een toonbeeld van geweest is. De gedachte aan de genaderijke zorg, die Gods voorzienigheid over ons gehad heeft bij onze geboorte en gedurende onze kindsheid, moet ons aansporen tot vroege godsvrucht en een gestadige toewijding aan Zijn eer. Hij, die onze hulp is geweest van onze geboorte aan, moet van onze jeugd aan onze hoop wezen. Als wij zoveel genade van God ontvangen hebben, voordat wij instaat waren Hem dienst te bewijzen, dan moeten wij geen tijd daartoe laten verloren gaan als wij er wel toe in staat zijn. Dit wordt hier te pas gebracht als een steun voor de psalmist in zijn tegenwoordige beproeving. God had hem niet alleen leven en het aanzijn gegeven, hem uit van zijn moeders ingewand in de wereld gebracht, er in voorzien dat hij niet zou sterven van de baarmoeder aan, maar hem bijtijds tot een van Zijn huisgenoten gemaakt. Wij zijt het, die mij uit mijn moeders ingewand in de armen van Uw genade hebt genomen, onder de schaduw van Uw vleugelen, in het verband van Uw verbond, Gij nam mij in Uw kerk, als een zoon van Uw dienstmaagd en een ingeborene van Uw huis, Psalm 116:16. En daarom: a. Heb ik reden om te hopen dat Gij mij zult beschermen, Gij, die mij tot hiertoe staande hebt gehouden, zult mij nu niet laten vallen, Gij, die mij gemaakt hebt, zult het werk van Uw handen niet laten varen, Gij, die mij geholpen hebt toen ik mijzelf niet kon helpen, zult mij niet verlaten nu ik even hulpeloos ben als ik toen was."
b. Daarom heb ik reden om vast te besluiten dat ik mij aan U zal toewijden, daarom is mijn lof geduriglijk voor U, alle dagen zal ik U loven zal ik alle gelegenheden te baat nemen om dit te doen."
3. Wat hij in dit vertrouwen van God bidt:
A. Dat hij nooit beschaamd zal worden, vers 1, dat hij niet teleurgesteld zal worden in de zegen, die hij verwacht, en niet beschaamd zou worden in zijn verwachting. Aldus mogen wij allen bidden in het geloof, dat ons vertrouwen op God niet onze beschaming zijn zal. Hoop op de heerlijkheid Gods is een hoop, die niet beschaamt.
B. Dat hij uit de hand van zijn vijanden verlost zal worden, vers 2. Red mij door Uw gerechtigheid, daar Gij de rechtvaardige Rechter van de wereld zijt, de zaak bepleit van de benadeelden en de benadelers straft, doe mij op de een of andere wijze ontkomen" "God zal met de verzoeking ook de uitkomst geven" 1 Corinthiers 10:13) Neig Uw oor tot mijn gebed en red mij, bevrijd mij van de hand van hen die gereed zijn mij te verscheuren." Hij pleit op drie dingen om bevrijd te worden.
a. De aanmoediging, die God hem had gegeven om het te verwachten. Gij hebt bevel gegeven om mij te verlossen, vers 3. Gij hebt beloofd het te doen, en er is in Gods beloften zoveel kracht van uitwerking, dat er dikwijls van gesproken wordt als van bevelen, zoals: Er zij licht, en er was licht. Hij spreekt en het is er.
b. Op het karakter van zijn vijanden, zij zijn goddeloos, onrechtvaardig, wreed, en het zal tot eer en heerlijkheid Gods zijn om tegen hen te verschijnen, vers 4, want Hij is een heilige, rechtvaardige en goede God.
c. De vele ogen die op hem gevestigd waren vers 5. Ik ben velen als een wonder geweest, iedereen wacht om te zien wat het gevolg zal zijn van de buitengewone rampen, die mij hebben getroffen, en het buitengewone vertrouwen, dat ik belijd in God te stellen. Of ik word beschouwd als een monster, iedereen schuwt mij, en daarom ben ik verloren zo de Heere mijn toevlucht niet is. De mensen verlaten mij, maar God zal mij niet verlaten."
C. Dat hij altijd rust en veiligheid in God mocht vinden, vers 3. Wees mij tot een rotssteen om daarin te wonen, wees mij tot een rots van de ruste om geduriglijk daarin te gaan. Zij, die thuis zijn in God, die een leven leiden van gemeenschap met Hem en vertrouwen in Hem die door geloof en gebed geduriglijk de toevlucht tot Hem nemen, steeds op Hem het oog gericht houden, kunnen erop rekenen een sterke woning in Hem te zullen vinden, een zodanige, die nooit vanzelf zal instorten, waar geen aanvallende macht zal kunnen inbreken, en zij zullen bij alle gelegenheden zich daarheen mogen begeven, zonder dat hun verweten wordt dat zij te dikwijls komen. D. Dat hij voortdurend reden mocht hebben voor dankzegging aan God, en voortdurend bezig mocht zijn in dat lieflijk werk, vers 8. Laat mijn mond vervuld worden met Uwen lof zoals hij nu vervuld is met klachten, dan zei ik niet beschaamd worden in mijne hoop, maar mijne vijanden zullen beschaamd worden in hun onbeschoftheid. Zij, die God liefhebben, beminnen het om Hem te loven en begeren dit de gehele dag te doen, niet slechts in hun morgen- en avondgebeden, niet slechts "zeven maal des daags," Psalm 119:164, maar "de gehele dag," Gods lof te vermengen onder alles wat zij zeggen, opdat het alles strekke tot eer en lof van God. Zij besluiten om dit te doen, zolang zij leven, zij hopen het eeuwiglijk te doen in een betere wereld.
E. Dat hij nu, in zijn afnemende jaren, niet veronachtzaamd mocht worden, vers 9. Verwerp mij niet ten tijd des ouderdoms, verlaat mij niet terwijl mijn kracht vergaat.
Merk hier op:
a. Zijn natuurlijk besef van de zwakheid des ouderdoms: mijn kracht vergaat, weer lichaamskracht geweest is, kracht van geest, een sterk gezichtsvermogen, een krachtige stem, sterke ledematen, helaas, in de ouderdom neemt dit alles af, vergaat het, het leven wordt nog verlengd, maar de kracht is er niet meer, of wat er is, is moeite en verdriet, Psalm 90:10.
b. Zijn godvruchtige begeerte dat Godstegenwoordigheid bij hem onder deze zwakheden zal voortduren: Heere, verwerp mij niet, verlaat mij niet. Dit geeft te kennen dat hij zich als verloren zou beschouwen, indien hij door God werd verlaten. Door God verworpen en verlaten te worden is iets, dat te allen tijde gevreesd moet worden, inzonderheid in de tijd van de ouderdom en wanneer onze kracht vergaat, want het is God, die de sterkte is van ons hart. Maar het geeft ook te kennen dat hij reden had om te hopen, dat God hem niet zou verlaten, de getrouwe dienstknechten van God kunnen de troostrijke verzekerdheid hebben dat Hij hen in de tijd van hun ouderdom niet zal verwerpen, hen niet zal verlaten als hun kracht vergaat. Hij is een meester, die niet gewoon is Zijn oude dienstknechten weg te zenden. In dit vertrouwen bidt David hier wederom: "O God, wees niet verre van mij, vers 12, laat mij niet bevangen worden door de vrees dat Gij U van mij terugtrekt, want dan ben ik ongelukkig, o mijn God mijn God in verbond met mij, haast U tot mijn hulp, want anders kom ik om eer de hulp tot mij komt."
II. Hij bidt, dat zijn vijanden beschaamd zullen worden in hun plannen tegen hem.
Merk op:
1. Wat het was, dat zij onrechtvaardig tegen hem zeiden, vers 10, 11. Hun plan was listig en zeer boosaardig, het was een komplot tegen zijn leven zij loeren op mijn ziel, vers 10, zij zijn tegen mijn ziel, vers 13. Hun macht en beleid hebben zij verenigd, zij beraadslagen tezamen en zeer onbeschaamd waren zij in hun houding en gedrag, zij zeggen: God heeft hem verlaten, jaagt na en grijpt hem. Hier is hun voorafgaande stelling volkomen onwaar, namelijk omdat een godvruchtig man onder zware beproeving is en er niet zo spoedig uit verlost werd als hij wellicht had verwacht, heeft God hem verlaten, en wil Hij niets meer van doen met hem hebben. Niet allen zijn van God verlaten, die dit zelf denken, of van wie anderen dit denken. En gelijk hun voorafgaande stelling vals was, zo was de gevolgtrekking, die zij er uit afleidden, wreed. Als God hem heeft verlaten jaagt hem dan na, en twijfelt niet of hij zal u ten prooi worden. Dit is spreken tot smart van hen, die God geslagen had, Psalm 69:27. Maar aldus poogden zij David te ontmoedigen, zoals Sanherib poogde Hizkia schrik aan te jagen door voor te geven dat God zijn vijand was en tegen hem streed, "Ben ik zonder de wil van de Heere opgetrokken tegen dit land om dat te verwoesten?" Jesaja 36:10. Het is waar, als God iemand verlaten heeft dan is er niemand om hem te verlossen, maar om nu daarom over hem te juichen betaamt hun zeer weinig, die zich bewust zijn dat zij verdienen voor eeuwig door God te worden verlaten. Verblijd u niet over mij, o mijn vijand, wanneer ik gevallen ben, zal ik weer opstaan. Hij, die voor een klein ogenblik schijnt te verlaten, zal met eeuwige goedertierenheid vergaderen.
2. Wat het was, waar hij rechtvaardig om bad, door een geest van profetie, niet uit een geest van haat en wraakzucht, vers 13. Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn. Als zij niet beschaamd willen worden door berouw en bekering, en aldus worden behouden, laat hen dan beschaamd worden door eeuwigdurende versmaadheid, en aldus in het verderf worden gestort. God zal de eer in schande verkeren van hen, die de eer van God en van Zijn volk in schande verkeren.