Hebreeën 2:10-13
Na den dood van Christus vermeld te hebben, gaat de apostel hier voort de schande des kruizes op den voorgrond te stellen, en dat doet hij door aan te tonen hoe het Gode betaamde, dat Christus zou lijden en hoezeer de mens door dat lijden gezegend zou worden.
I. Hoe het Gode betaamde, dat Christus zou lijden. Want het betaamde Hem, om welken alle dingen zijn, en door welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen, vers 10.
1. God wordt hier beschreven als het einde en de eerste oorzaak van alle dingen. En het betaamde Hem Zijn eigen heerlijkheid te verzekeren in alles wat Hij deed, niet alleen zo te handelen dat Hij in niets zich zelven onteren zou, maar zo dat alles Hem een bron van heerlijkheid zou worden.
2. Er wordt gezegd dat Hij naar dien heerlijken maatstaf gehandeld heeft in het werk der verzoening, zowel in de keuze van het doel als van de middelen.
A. In de keuze van het doel, en dat was: vele kinderen tot de heerlijkheid te leiden, tot tegenwoordige heerlijkheid door het genieten van de heerlijke voorrechten des Evangelies, en tot toekomstige heerlijkheid in den hemel, waar inderdaad een gans zeer uitnemend gewicht van eeuwige heerlijkheid zijn zal.
a. Wij moeten kinderen Gods zijn, beide door aanneming en door wedergeboorte, alvorens wij tot de heerlijkheid des hemels kunnen gebracht worden. De hemel is de erfenis, en alleen zij, die kinderen zijn, zijn erfgenamen van die erfenis.
b. Alle ware gelovigen zijn kinderen van God, hun, die Christus aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, zo velen in Zijn naam geloven, Johannes 1:12.
c. Ofschoon de kinderen Gods in dezelfde plaats en terzelfder tijd slechts weinigen zijn, toch zal, wanneer zij alleen bijeengebracht zijn, blijken dat zij velen zijn. Christus is de eerstgeborene van vele broederen.
d. Al de kinderen Gods, hoevelen zij ook zijn, en hoe ook verstrooid en verdeeld, zullen ten laatste in heerlijkheid bijeengebracht worden.
B. In de keuze der middelen.
a. Door het vinden van iemand, die de overste leidsman onzer zaligheid kon zijn. Zij, die gezaligd worden, moeten tot die zaligheid komen onder leiding van een leidsman, die voor dat doel voldoende is. Zij moeten moeiten verdragen als goede krijgsknechten van Christus, zij moeten hun leidsman volgen, allen onder Zijne banier in dienst genomen en geschaard, en zij, die dat doen, zullen veilig overgebracht worden en grote eer en heerlijkheid beërven.
b. Door dien oversten leidsman onzer zaligheid door lijden te heiligen. God de Vader maakte den Heere Jezus Christus den oversten leidsman onzer zaligheid, dat is: Hij wijdde, Hij bestemde Hem tot dien dienst, Hij gaf Hem de opdracht daartoe, en Hij maakte Hem een volmaakten leidsman. Hij was volmaakt in wijsheid, in moed, in kracht, door den Geest van onzen Heere, dien Hij zonder mate bezat. Hij werd volmaakt door lijden, dat is: Hij volmaakte het werk van onze verlossing door het storten van Zijn bloed, en was daardoor volmaakt geschikt om een middelaar tussen God en mensen te zijn. Hij vond Zijn weg tot de kroon door het kruis, en zo moeten de Zijnen ook doen. De uitnemende Dr. Owen merkt op dat de Heere Jezus Christus, door lijden geheiligd en volmaakt zijnde, den lijdensweg geheiligd heeft voor al Zijn volgelingen, om in de heerlijkheid over te gaan, en daardoor is hun lijden noodzakelijk en onvermijdelijk geworden, zij worden daardoor eerwaardig en nuttig.
II. Hij toont aan hoezeer zij gezegend zijn door het kruis en het lijden van Christus. Indien daar niets in was, wat God en Christus niet betaamde, zo was er in dat lijden veel, dat zeer zegenrijk zou zijn voor de mensen. Hierdoor worden zij gebracht in nauwe vereniging met Christus en in zeer dierbare betrekking tot Hem.
1. In nauwer vereniging, vers 11. En Hij, die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een. Christus is het, die heiligt, Hij heeft den heiligenden Geest verworven en gezonden, Hij is het hoofd van alle heiligende invloeden. De Geest heiligt als Geest van Christus. Ware gelovigen zijn zij, die geheiligd zijn, begiftigd met heilige beginselen en krachten, afgezonderd en afzonderlijk gehouden van lage en gemene doeleinden tot hoge en heilige beginselen en doeleinden, want dat moet geschieden alvorens zij tot de heerlijkheid kunnen geleid worden. Nu is Christus, die de leidsman is in dit werk der heiliging, en zijn de Christenen, die de bewerking ondergaan, allen uit een. Hoe? Omdat:
A. Zij zijn allen van een hemelsen Vader, en dat is God. God is de Vader van Christus door eeuwige generatie en wonderdadige ontvangenis, en van de Christenen door aanneming en wedergeboorte.
B. Zij zijn van een aardsen vader: Adam. Christus en de gelovigen hebben dezelfde menselijke natuur.
C. Van een geest, een heilige en hemelse geaardheid, dezelfde Geest is in hen, die in Christus was, ofschoon niet in dezelfde mate, dezelfde Geest bezielt en leidt het hoofd en al de leden.
2. In zeer dierbare betrekking. Dit spruit uit die vereniging voort. En nu verklaart hij eerst welke die betrekking is en haalt daarna drie teksten uit het Oude Testament aan om het gezegde toe te lichten en te bewijzen.
A. Hij verklaart welke deze betrekking is. Christus en de gelovigen zijn allen uit een, en daarom schaamt Hij zich niet hen broeders te noemen.
a. Christus en de gelovigen zijn broederen, niet alleen been van Zijn been en vlees van Zijn vlees, maar geest van Zijn geest-broederen in den volsten zin des woords, zowel hemels als aards.
b. Christus schaamt zich voor die verwantschap niet, Hij schaamt zich niet hen broeders te noemen. Dat is in Hem wonderbare neerbuiging en goedheid, wanneer men in aanmerking neemt hun geringheid van natuur en hun slechtheid door de zonde, maar Hij zal zich nooit schamen voor iemand, die zich voor Hem niet schaamt en zorg draagt, dat Hij geen reden van schaamte en verwijt aan Hem en aan zich zelven geeft.
B. Hij licht dit toe met drie Schriftuurplaatsen.
a. De eerste is Psalm 22:23. Ik zal Uwen naam Mijnen broederen verkondigen, in het midden der gemeente zal Ik U lofzingen. Deze psalm is een uitnemende voorzegging van het lijden van Christus, hij begint met Zijn kruiswoord: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten! Welnu, hier is voorzegd: Ten eerste. Dat Christus op aarde zou hebben ene kerk of gemeente, ene vergadering van vrijwilligers, vrijwillig lerend om Hem te volgen.
Ten tweede. Dat dezen niet alleen elkanders broederen zullen zijn, maar ook broederen van Christus zelf.
Ten derde. Dat Hij hun den naam Zijns Vaders zou verkondigen, dat is: diens natuur en eigenschappen, diens geest en wil, Hij deed dit in eigen persoon toen Hij onder hen wandelde, en door Zijn Geest, die uitgestort werd op Zijne discipelen, ten einde hen te bekwamen de kennis van God in de wereld te verspreiden van geslacht tot geslacht, tot aan het einde der dagen.
Ten vierde. Dat Christus den lof Zijns Vaders zou zingen in die gemeente. De heerlijkheid Zijns Vaders beoogde Christus, daar was Zijn hart op gezet, daarvoor gaf Hij zich zelven over, en Hij wilde dat Zijn volk daarin met Hem zou samenstemmen.
b. De tweede Schriftuurplaats is genomen uit Psalm 18:3: Ik zal mijn betrouwen op Hem stellen. Deze psalm behandelt de moeiten van David, als type van Christus, en hoe hij in al die moeilijkheden zijn betrouwen op God stelde. Dit toont aan dat Hij, behalve Zijn goddelijke natuur welke geen ondersteuning behoefde, een andere natuur zou aannemen, die de ondersteuning nodig had, welke niemand dan God haar geven kon. Hij leed en vertrouwde als ons hoofd en onze voorganger. Zijn broederen moeten ook lijden en betrouwen.
c. De derde Schriftuurplaats is genomen uitjes. 8:18. Zie daar ik en de kinderen, die mij God gegeven heeft. Dit toont aan dat Christus werkelijk en waarachtig mens was, want ouders en kinderen hebben dezelfde natuur. Christus' kinderen werden Hem door den Vader gegeven, in den raad Zijner eeuwige liefde en van het verbond des vredes, dat tussen hen was. En zij werden Christus gegeven door hun bekering. Wanneer zij Zijn verbond aannemen, dan ontvangt Christus hen, regeert over hen, verheugt zich in hen, maakt al hun zaken recht, neemt hen op ten hemel en stelt hen daar aan Zijnen Vader voor: Zie daar Ik en de kinderen, die Gij Mij gegeven hebt.