Job 30:1-14
Hier uit Job een uitvoerige en treurige klacht over de grote versmaadheid, waarin hij van het toppunt van eer en roem vervallen was, hetgeen uiterst smartelijk was voor een man van zo'n verheven geest als Job was. Hij legt de nadruk op twee dingen, die zeer verzwarend waren.
I. De geringheid van de personen, die hem beledigden. Gelijk het in de dagen van zijn voorspoed zijn eer zeer verhoogde, dat vorsten hem eerbied en achting betoonden, zo heeft het in zijn tegenspoed niet minder toegedaan aan zijn versmaadheid, dat hij veracht werd door knechten en vertreden werd door hen, die niet alleen in alle opzichten zijn minderen waren, maar de laagsten en verachtelijksten van het mensdom. Niemand kan als meer laag voorgesteld worden dan zij hier voorgesteld zijn, die Job beledigden, en dat wel in alle opzichten.
1. Zij waren jong, jonger dan hij, vers 1, de jeugd, vers 12, die zich met achting en eerbied jegens hem behoorde te gedragen vanwege zijn leeftijd en zijn achtbaarheid. Zelfs de kinderen spotten met hem als zij met elkaar speelden, zoals de kinderen van Bethel de profeet bespot hebben: Kaalkop, ga op! Kinderen leren spoedig verachting te betonen als zij zien dat hun ouders dit doen.
2. Zij waren van lage afkomst, hun vaders waren zo verachtelijk dat een man als Job het versmaad zou hebben om hen voor het geringste werk van zijn huis te gebruiken, zoals schapen te weiden en de herders met de honden van de kudde te dienen, vers 1. Zij waren zo haveloos, dat zij niet geschikt waren om onder zijn dienaren gezien te worden, zo dom, dat zij niet geschikt waren om tot enigerlei dienst te worden gebruikt, en zo vals en verraderlijk, dat hun ook de geringste post niet toevertrouwd kon worden. Job spreekt hier van hetgeen gedaan had kunnen worden, niet van hetgeen hij gedaan heeft, hij was niet van zodanige geest om iemand uit de kinderen van de mensen bij de honden van de kudde te stellen, hij kende de waardigheid van de menselijke natuur te goed om zo iets te doen.
3. Zij en hun familie waren de onnutte lasten van de aarde, en nergens toe nut. Job zelf kon met al zijn wijsheid en al zijn geduld niets met hen uitrichten, vers 2. De jongen waren niet geschikt voor de arbeid, zij waren zo traag en deden hun werk zo lomp en onhandig: Waartoe zou mij ook geweest zijn de kracht hunner handen? welk nut of voordeel zou het mij opgeleverd hebben? Met de ouden kon men ook voor het geringste niet te rade gaan, want in hen was wel ouderdom, maar die ouderdom was in hen vergaan, vers 2, zij waren tweemaal kinderen.
4. Zij waren zeer arm, vers 3, zij waren op het punt om van honger om te komen, want zij wilden niet graven en te bedelen schaamden zij zich. Indien zij door de voorzienigheid Gods tot armoede waren gebracht, hun naburen zouden hen opgezocht hebben als geschikte voorwerpen van liefdadigheid, en hen hebben ondersteund, maar in die kommervolle omstandigheden gebracht zijnde door hun eigen luiheid en verkwisting, was niemand bereid om hun te hulp te komen, vandaar dat zij genoodzaakt waren om naar dorre, eenzame plaatsen te vlieden om er voedsel en beschutting te vinden, en zij waren voorzeker wel tot zeer armzalige hulpmiddelen gedreven, toen zij ziltige kruiden plukten bij de struiken, en blijde waren om die te eten bij gebrek aan voedsel dat voor hen geschikt was, vers 4. Zie waar de honger de mens al niet toe brengt, de ene helft van de wereld weet niet hoe de andere helft leeft, maar zij, die overvloed hebben, behoren soms te denken aan hen, wier voedsel zeer grof is, en die zelfs daarvan nog niet genoeg krijgen. Maar wij moeten de gerechtigheid Gods erkennen, en het niet vreemd vinden als traagheid de mensen in lompen kleedt en de luiaard honger moet lijden. Deze armzalige wereld is vol van des duivels armen.
5. Het waren ergerlijk slechte lieden, niet slechts de last, maar de pest van de plaatsen waar zij zich ophielden, het schuim van de maatschappij. Zij werden uit het midden uitgedreven, vers 5. Het waren zulke liegende, diefachtige, sluipende, kwaaddoende lieden, dat de beste dienst, die de magistraat de burgers kon bewijzen, was het land van hen te bevrijden, terwijl zelfs het gepeupel hen uitjouwde als over een dief. Weg met dezulken van de aarde, het is niet behoorlijk dat zij leven. Zij waren lui en wilden niet werken, en daarom ging er een geroep tegen hen op als tegen dieven, en terecht, want zij, die niet door eerlijke arbeid hun brood verdienen, stelen ook inderdaad anderen het brood uit de mond. Een luiaard is iedereen tot last, maar het is beter om dezulken in een werkhuis op te sluiten, dan hen, zoals hier, naar de woestijn te drijven, dat hen wel straft, maar niet verbetert. Zij waren genoodzaakt in de holen de aarde te verblijven, en zij balkten als ezels tussen de struiken, vers 6, 7. Zie wat het lot is van hen, tegen wie het geroep des lands, het geroep van hun eigen geweten opgaat, het kan niet anders of zij moeten zich in voortdurende angst en verwarring bevinden, zij kermen onder de bomen (aldus Broughton), en lijden smart onder de netelen, zij worden gestoken, hun huid wordt opengescheurd waar zij beschutting en bescherming dachten te vinden. Zie welk een ellende goddeloze mensen over zich brengen in deze wereld, maar die betekent niets, in vergelijking met hetgeen hen wacht in de andere wereld.
6. Zij waren al wat laag is, vers 8. Er was niets in hen, dat hen in iemands achting aanbeval. Het waren snode, verachtelijke lieden, lieden zonder naam, mensen voor wie niemand een goed woord over had, aan wie niemand iets goeds toewenste, zij waren gebannen van de aarde, als zijnde lager dan de aarde. Men zou het niet mogelijk achten dat de menselijke natuur ooit zo laag, zo diep kon zinken, zo kon ontaarden als zij in deze lieden ontaard is. Als wij God danken dat wij mensen zijn, dan hebben wij reden om Hem te danken dat wij niet zulke mensen zijn. Maar de zodanigen waren het, die Job bespotten en beledigden:
a. Uit wraak, omdat hij in zijn voorspoed en macht als een goed magistraat de wetten ten uitvoer heeft gelegd, die uitgevaardigd waren tegen landlopers. dieven en brutale bedelaars, hetgeen deze laaghartige lieden nu tegen hem herdachten.
b. In zegepraal over hem, omdat zij dachten dat hij hun gelijk was geworden, Jesaja 14:10, 11. De verworpenen, de mensen van een laaghartig gemoed, honen de ellendigen, Psalm 35:15.
II. Hoe zwaar de beledigingen waren, die zij hem aandeden.
1. Zij maakten balladen op hem, spotliederen waarmee zij zichzelf en hun metgezellen vrolijk maakten, vers 9. Ik ben hun snarenspel, ik ben hun tot een klapwoord. Diegenen hebben wel een zeer laaghartig gemoed, die de rampen van hun eerlijke naburen tot een onderwerp van scherts maken en zich vrolijk maken met hun leed.
2. Zij meden hem als een afzichtelijk schouwspel, verafschuwden hem, vloden ver van hem weg, vers 10, als van een lelijk monster of als iemand, die besmettelijk is. Zij, die zelf uitgedreven waren, hadden hem willen uitdrijven van onder de mensen. Want: 3. Zij drukten de grootste minachting van hem uit. Zij spogen in zijn gelaat of waren bereid dit te doen, zij stieten zijn voeten uit vers 12, schopten hem, hetzij in toorn omdat zij hem haatten, of uit vermaak om zich vrolijk met hem te maken, zoals zij met hun makkers deden bij het spel van voetbal. De besten van de heiligen hadden soms de zwaarste beledigingen te verduren van een spijtige, minachtende, boze wereld, en wij moeten dit niet vreemd vinden, onze Meester zelf is aldus mishandeld geworden.
4. Zij waren zeer boosaardig tegen hem, bespotten hem niet slechts, maar legden er zich op toe om hem al het wezenlijke kwaad te doen, dat zij slechts konden bedenken. Zij banen tegen mij hun verderflijke wegen, of zoals sommigen het lezen: Zij werpen de oorzaak van hun leed op mij, dat is: zij geven mij de schuld ervan, dat zij zijn uitgedreven, en het is ook iets geheel gewoons dat de misdadigers de rechters en de wetten haten, door welke zij gestraft worden. Maar onder dit voorwendsel:
a. Hebben zij hem valselijk beschuldigd, en zijn vorige wandel verkeerd voorgesteld, hetgeen hier genoemd wordt zijn pad afbreken. Zij spraken van hem als een tiran en verdrukker, omdat hij gerechtigheid aan hen had geoefend, en misschien hebben Jobs vrienden hun liefdeloos oordeel van hem, Hoofdst. 22:6 en verv. op het onrechtvaardig en onredelijk geschreeuw van deze ellendelingen gegrond, en dat was dan wel een blijk van hun grote zwakheid en onbezonnenheid, immers wie kan onschuldig zijn, indien op de beschuldigingen van zulke lieden wordt acht geslagen?
b. Zij juichten niet slechts in zijn leed, maar bevorderden het, deden alles wat zij konden om nog toe te voegen aan zijn ellende en haar nog zwaarder voor hem te maken. Het is een grote zonde om iemands rampen, inzonderheid die van Godvruchtigen, nog zwaarder te maken dan zij reeds zijn. Daarin hebben zij geen helper, niemand die hen er toe aanspoort of er hen in ondersteunt, niemand die er hen in verdedigt of beschermt, maar zij doen het alles uit eigen beweging. In andere dingen zijn zij onbekwaam maar zij zijn bekwaam genoeg om kwaad te doen, om dat te bedenken hebben zij niemands hulp nodig. Sommigen lezen dit aldus: Zij houden mijn ellende voor een gewin, hoewel zij er volstrekt niet in betere toestand door kwamen. Slechte mensen verheugen zich in de rampen van anderen, al is het ook dat zij er zelf niets bij winnen.
5. Zij, die hem al dit kwaad deden, waren talrijk, eenstemmig en heftig, vers 14. Zij kwamen aan als door een wijde breuk, een heftig binnenstromen van water als een dijk of dam gebroken is. Of "zij kwamen als soldaten door een grote bres, die zij in de muur van een belegerde stad hebben gemaakt, met de uiterste woede op mij aanstormende," en daarin schepten zij behagen, zij waren er trots op. Zij rolden zich in de verwoesting zoals iemand zich in een zacht bed rolt, en zij wentelden zich op hem met al het gewicht hunner boosaardigheid.
Eindelijk. Al die smaad werd veroorzaakt door de ellende, waarin hij zich bevond, vers 11. Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, "Hij heeft de eer en de macht weggenomen waarmee ik omgord was, Hoofdst. 12:18, verstrooid wat ik had vergaderd en al mijn zaken losgemaakt, Hij heeft mij beproefd, en daarom hebben zij de breidel voor mijn aangezicht afgeworpen," dat is: "hebben zich de vrijheid gegeven om al wat zij willen tegen mij te zeggen en te doen." Zij, aan wie Gods voorzienigheid hun eer ontnomen heeft, kunnen verwachten door onbezonnen, kwaadwillige lieden met smaad te worden overladen. "Omdat Hij Zijn zeel heeft losgemaakt," (het oorspronkelijke laat ook die lezing toe) dat is: "omdat Hij Zijn teugel, Zijn beslag van hun boosaardigheid heeft weggenomen, hebben zij de teugel van mij weggeworpen," dat is: "zij houden geen rekening met mijn gezag en hebben geen het minste ontzag voor mij." God heeft vat op het geweten, zelfs van slechte mensen, en Hij legt beslag op hen, en daaraan is het te danken dat wij niet voortdurend aldus beledigd en mishandeld worden. En indien wij te eniger tijd zo'n behandeling ondervinden, dan moeten wij de hand Gods erkennen, die dat beslag afgenomen heeft, zoals David, toen Simeï hem gevloekt heeft: Laat hem vloeken, de Heere heeft het hem gezegd. Nu kunnen wij in dit alles:
a. De ongestadigheid zien van wereldlijke eer, en inzonderheid van de lof en de toejuiching van het volk. Hoe plotseling kan iemand van de hoogte van waardigheid in de diepte van ongenade en smaad vallen. Hoe weinig reden hebben de mensen dus om eerzuchtig te zijn naar of trots te zijn op hetgeen zo licht verloren wordt, en hoe weinig kunnen zij er op betrouwen! Zij, die heden Hosanna roepen, kunnen morgen de kreet aanheffen: Kruis hem! Maar er is een eer, die van God komt, die wij, zo wij haar verkrijgen, niet zo veranderlijk zullen vinden en niet zo gemakkelijk te verliezen.
b. Wij kunnen er in zien dat het dikwijls het lot is geweest van zeer wijze en Godvruchtige mensen om vertreden en mishandeld te worden. En
c. Dat zij, die alleen het oog hebben op de dingen, die gezien worden, hen verachten, die onder de afkeuring, het misnoegen van de wereld liggen, al zijn zij ook nog zozeer de gunstgenoten des hemels. Niets maakt armoede smartelijker dan dat zij de mensen doet smaden: "Turba Remi sequitur fortunam, ut semper odit damnatos. -Het Romeinse gepeupel, getrouw aan de wending van de fortuin, vervolgt nog steeds hen, die gevallen zijn."
d. Wij kunnen in Job een type zien van Christus, die aldus "een smaad van mensen was en veracht van het volk," Psalm 22:7, Jesaja 53:3 en Zijn aangezicht niet verborg voor smaadheden en speeksel, en dit beter dan Job heeft verdragen.