20. Die eertijds ongehoorzaam, ongelovig waren, aan de goddelijke waarschuwing, met de aankondiging van de zondvloed gegeven, uit ongeloof geen gehoor leenden, a) wanneer de lankmoedigheid van God eenmaal verwachtte (
Genesis 6:3,
6 v.) in de dagen van Noach, toen de ark toebereid werd (
Genesis 6:13,
Mattheus 24:38 v.
Hebreeën 11:17), waarin weinigen b) (dat is acht) zielen, Noach met zijn vrouw, zijn drie zonen en de vrouwen van deze (
Genesis 6:18;
7:1,
7;
8:16,
18 behouden werden door het water.
a) Lukas 17:26 Romeinen 2:4 b) 2 Petrus 2:5
In een vroegere uitlegging (van het jaar 1523, 1539) schrijft Luther: Bij het eerste lezen luiden de woorden alsof Christus de geesten d. i. de zielen, die niet geloofden, toen Noach de ark bouwde, zou hebben gepredikt. Ik kan het echter niet geloven, dat Christus heen gevaren zou zijn tot de zielen en hun daar zou hebben gepredikt. Ook strijdt daartegen de Schrift en zegt: "die niet gelooft is al geoordeeld", item, dat ieder zal ontvangen, naardat hij geloofd en geleefd heeft. Bovendien omdat het niet zeker is, hoe het met de doden is, kan men het woord niet goed zo verklaren; wil echter iemand het toch daarvoor houden, dat Christus, nadat Hij aan het kruis is gestorven, neergedaald zou zijn tot de zielen en deze daar zou hebben gepredikt, ik wil niet ontkennen, dat de plaats die betekenis zou kunnen hebben. " In het jaar vóór zijn dood schrijft hij bij Hosea 6:2 over onze plaats: "Hier zegt Petrus duidelijk, dat Christus na Zijn dood niet alleen verschenen is aan de gestorven aartsvaders en patriarchen, waarvan Hij zonder twijfel enige, toen Hij is opgestaan, mee ten eeuwigen leven heeft opgewekt (Mattheus 27:52 v.), maar ook enigen gepredikt heeft, die ten tijde van Noach niet geloofden en op de lankmoedigheid van God wachten d. i. die hoopten, dat God niet zo ontzettend woeden zou tegen het menselijk geslacht, opdat zij zouden erkennen, dat hun zonden door het offer van Christus vergeven zouden zijn. " De toevoeging aan de woorden van de tekst, die Luther maakt, "die ten tijde van Noach niet geloofden en op de lankmoedigheid van God wachtten d. i. die hoopten enz. " schijnt een verkeerde verklaring te zijn van de woorden "wanneer de lankmoedigheid van God eenmaal verwachtte"; maar zij moeten het "misschien", zoals Luther ons "eertijds" vertaald heeft, verklaren. Hij wil de uitspraak van onze tekst beperken tot hen, die door het ondervonden oordeel zich hebben laten overtuigen van hun zonden van ongeloof. Niet op alle geesten, in de gevangenis bewaard, uit de dagen van de zondvloed had de prediking van Christus betrekking, die geweldigen van de aarde (Genesis 6:4) toch waren evenmin als de engelen, die gezondigd hadden, tot bekering te brengen (2 Petrus 2:4 Judas 1:6) en werden tot het oordeel van de grote dag bewaard. Er waren echter onder de eens door hen beheersten en verleiden en nu nog in de gevangenis bewaard en, zeker zo vele zielen, die voor een sterkere en meer overtuigende prediking, dan die van Noach (2 Petrus 2:5), vatbaar zouden zijn geweest zijn (vgl. Mattheus 11:23 Lukas 10:13). De prediking van Noach niet te geloven, was in aanmerking genomen de vreselijke machten van de verleiding, die in die tijd in de wereld heersten, nog niet de zonde tot de dood, want steeds kon hetgeen hij zei en deed voorkomen als een voortbrengsel van zijn eigen overspannen verbeelding. Daarom heeft dan Christus, die gekomen was om te zoeken en zalig te maken wat verloren was, nu Hij gedood was naar het vlees en daarom aan hen, die op aarde zijn, Zijn verlossingswerk niet meer kon volbrengen en toch levend gemaakt was naar de geest en daarom door God zelf tot voortzetting van Zijn werk bekwaamd en geroepen was, hen, die onder de aarde (Filippenzen 2:10) waren, tot voorwerpen van Zijn zoeken en zalig maken verkoren, zoals Hij op hen, die geesten waren, als zelf in de geest levend (2 Corinthiërs 12:2) nu bepaald gewezen was. Door enige schriftverklaarders is beproefd de plaats te verklaren van Christus als de prediker vóór Zijn menswording (Johannes 1:4, 10), aan het geslacht van de zondvloed, gedurende de 120 jaren van genade (Genesis 6:3). Men beroept zich dan op 1 Petrus 1:11, 1 Corinthiërs 10:4, 9 Het "waarin" slaat echter duidelijk terug op het "levend gemaakt door de Geest" en het "ook" op "tot God brengen" in Vers 18. Aan de andere zijde wordt ook uitdrukkelijk gesproken van een "heengaan tot de geesten in de gevangenis", aan welke Hij daar gepredikt heeft en niet van een heengaan tot hen, die nog in leven waren, terwijl zij nu tot straf voor hun ongeloof in de gevangenis bewaard worden. Evenmin kan, wat door de formula concordiae verheven is tot de orthodoxe opvatting van de Lutherse kerk, volgens welke wij hier zouden moeten denken aan een openbaring van de reeds opgestane Christus, die, vóór Hij Zich op aarde levend vertoonde, Zich aan de geesten in de gevangenis als overwinnaar over de dood zou hebben geopenbaard, om hen te doen zien, welke zaligheid zij door hun vroegere ongehoorzaamheid hadden verloren en hoe rechtvaardig hun verdoemenis was. De woorden "heengaan en prediken" zijn parallel met de woorden van de Heere in Markus 16:15 en het is nauwelijks aan twijfel onderhevig, of Petrus heeft dit woord, dat hem diep in het gemoed lag, daar hij het heeft laten opnemen in het Markus-evangelie, dat onder zijn leiding is geschreven, bij het neerschrijven van de uitdrukking op onze plaats voor zijn ogen gehad. Deze moet dan te kennen geven, dat de hier bedoelde prediking dezelfde geweest is, die later aan de discipelen voor de wereld van de levenden werd bevolen, namelijk de prediking van het rijk van God, waarin zou ingaan die boete deed en in Christus geloofde. Zij moet dan ook een zelfde doel hebben gehad, namelijk dat zij, die haar hoorden, moesten beslissen, of zij ze wilden aannemen of niet. Deden zij werkelijk boete en grepen zij in geloof het hun aangeboden heil aan, dan gingen zij uit hun gevangenis over in het rijk van God en welke verandering ten opzichte van hun toestand van de dood, die toch voor de algemene opstanding van de doden niet kon worden opgeheven, dit met zich brengen zou, wordt later in Hoofdstuk 4:6 gezegd. Bleven zij daarentegen ook nu nog ongelovig, dan bleven zij voor eeuwig van het rijk van God uitgesloten, en hun gevangenis werd hun tot een bewaard worden voor de dag van het laatste oordeel, tot een eeuwige verdoemenis. (vgl. Hebreeën 2:3 v. ; 10:26). Het is een diepe, rijke blik in de volheid van het werk van Christus, die ons de apostel hier aanbiedt, zo merkt Schlichthorst op. Dit werk omvat het gehele verleden zowel als de toekomst; het breidt zich over alle landen en volken uit, achterwaarts en voorwaarts. Het woord "wereld" moet in zulke gezegden, evenals 2 Corinthiërs 5:19. 1 Johannes 2:2 in de meest eigenlijke zin worden genomen. Christus, hoewel eerst in het midden van het tijdsverloop verschenen en op een klein plekje van de bewoonde aarde, brengt toch in het offer, dat Hij bracht, begin en einde bij elkaar en voegt morgen en avond, middag en middernacht bijeen. Zijn kruis is het centrum van het universum. Als nu Petrus bij de prediking van het woord, dat Noach moest verrichten aan het geslacht van zijn tijd en waarvan de inhoud aangeduid wordt door het "wanneer de lankmoedigheid van God eenmaal verwachtte", nog een prediking door de daad toevoegt, als hij schrijft "als de ark toebereid werd", dan ligt het voor de hand aan te nemen, dat hem als tegenbeeld daarvan de Christelijke kerk voor ogen kwam. In Hoofdstuk 4:7 zegt hij toch: "het einde aller dingen is nabij"; volgens 2 Petrus 3:5, heeft de ondergang van de wereld aan het einde van de tijd zijn voorbeeld in de ondergang van de vroegere wereld door de wateren van de zondvloed en in 2 Petrus 1:11 is sprake van het ingaan in het eeuwige rijk van Jezus Christus, dat aan het ingaan in de ark (Mattheus 24:38) herinnert. Totdat dit ingaan in Christus eeuwig rijk kan plaats hebben, wordt nu, in deze dagen van de prediking van de zaligheid, de ark van de kerk, waarin deze alleen wordt verkregen, toegerust. Er zijn ook daar slechts weinige zielen, die op hun zaligheid acht geven en tot hun redding door de ondergang van de wereld zich in zo'n ark verbergen; maar dat hoeft de lezers tegenover de grote menigte van de ongelovig geblevenen niet in dwaling te brengen en tot de mening te verleiden, dat zij wel onbedachtzaam hadden gehandeld, door het aannemen van de doop zich te scheiden van hun Heidense volksgenoten 1 Petrus 1:25 en zich tot een Christelijke gemeente aaneen te sluiten, die nu zoveel spot en velerlei lastering moest verduren. Dat is dan de gedachtegang, waardoor de apostel er in het volgende vers toe komt aan de doop en zijn betekenis te denken. In de woorden: "in welke weinige, dat is acht zielen behouden werden door het water", spreekt zich een gevoel uit, waarvoor hij in dat voorbeeld van de geschiedenis aan de zondvloed vertroosting zoekt. In de tijd, waarin hij de brief schreef, was de uitbreiding van het Christendom op de weg van de zending bijna geheel tot stilstand gekomen. Zoals zij sinds bijna een tiental jaren onder de Joden geen voortgang had, zo stond die ook sinds Paulus' gevangenschap onder de Heidenen bijna stil. Het scheen gedaan te zijn met de werkzaamheid van de prediking van het woord. Alleen van de wandel van de vrouwen zonder het woord kon nog invloed op haar ongelovige mannen, van het geduldig lijden van de slaven een invloed op hun heren en van de geheel en wandel van de Christelijke gemeente in het algemeen op de Heidense omgeving worden verwacht. Daarom heeft Petrus dat zo sterk op het hart gebonden (Hoofdstuk 2:11-3:15). En als hij nu op het geduldige, zachtmoedige, het voorbeeld van Christus volgende onrecht lijden van de zijde van de Christenen zo'n groot gewicht legt en dat enigszins beschouwt als de parallel tot de prediking van de Christus, die naar het vlees is gedood, maar levend gemaakt naar de geest, aan de geesten, die in de gevangenis zijn, die vroeger niet geloofden, dan heeft hij de naaste toekomst van de kerk in de wereld zeer juist voorzien. Nu stonden toch de vervolgingen van de Christenen voor de deur, waarover de geschiedenis ons leert, hoezeer het bloed van de martelaars, die toch ook naar het vlees waren gedood, maar door de Heere enigermate naar de geest levend werden bewaard (vgl. Hebreeën 11:4), de akker van de kerk heeft gemest.
Die woorden "in dewelke", zien op hetgeen voorafgaat, "levend gemaakt door de geest. " De geest is niet de ziel van Christus, want Hij is door Zijn ziel niet opgewekt; zo dient deze plaats niet tot gepast bewijs. De geest, waarin Hij heen ging, afkwam, is Zijn goddelijke natuur, waardoor Hij Zichzelf heeft levend gemaakt. Daardoor kwam Hij en sprak met Abraham, Izaäk, Jakob, Noach en de andere profeten, zoals 1 Petrus 1:11 gezegd wordt, dat de geest van Christus in hen was. Door de profeten liet Hij de mensen vermanen, bestraffen, waarschuwen, zodat Hij door die profeten, die door Zijn geest spraken, predikte. Hier wordt gesproken van Noach en de zondvloed en van de mensen, die toen ongehoorzaam waren en zich door Noach's prediken door de geest van Christus niet bekeerden (Vers 20). Deze goddeloos stervenden werden in de gevangenis, dat is in de hel, de plaats van de verdoemden, verstoten, niet naar het lichaam, maar naar de ziel, die een geest is. De ziel, de geest van de mensen zijnde, het redelijke, die is een voorwerp van de predikatiën, die is het eerste en naaste onderwerp van de zonde en de ongehoorzaamheid, die niet kunnende sterven wordt verdorven in de hel, Mattheus 10:28 De zin van de plaats is, dat Christus door Zijn geest door Noach gepredikt heeft voor de mensen, toen ongehoorzaam en naar het lichaam door de zondvloed gedood en naar de ziel of geest in de hel geworpen, waar ze nu nog in de gevangenis zijn. (W. a. BRAKEL). 21. a) Waarvan, namelijk van het water, waarvan zo-even als van een reddende macht werd gesproken, het tegenbeeld, de doop ons nu ook behoudt, omdat het bij de zondvloed de ark ophief en op zijn oppervlakte droeg (Genesis 7:17). Maar niet die doop maakt zalig, die een aflegging is van de vuiligheid van het lichaam, tot welk doel men zich anders laat overstromen, of waartoe de wassingen dienen (Markus 7:4 Hebreeën 9:10), maar die een vraag is van een goed geweten tot God, of een verbond met God, waarin wij door de doop komen en dat ons schenkt wat wij hebben gezocht, namelijk een goed geweten, door de opstanding van Jezus Christus, die om onze zonde is overgegeven (Vers 18) en opgewekt is tot onze rechtvaardigmaking (Romeinen 4:25. 1 Corinthiërs 15:17
a) Efeze 5:26
Zoals zich aan het woord "naar de geest" aan het einde van Vers 18 tot inleiding van Vers 19 een "waarin" aansloot, zo wordt aan de nadere bepaling "door het water" aan het slot van vers 20 een "waardoor" gevoegd, ten einde het vers, dat hier voor ons ligt te beginnen. Nu betekende zonder twijfel dat "door het water" zoveel als "door het water heen" (vgl. 1 Corinthiërs 3:15). De acht zielen moesten niet mee ten ondergaan in het water, waardoor alle vlees onder de hemel van de aarde moest worden verdelgd. Daarom juist werden zij in de ark geborgen en door deze gered. Daarbij komt nog een tweede in aanmerking, namelijk dit, dat de ark toch niet op zichzelf de redding door het water heen zou hebben kunnen bewerken, zo niet het water door haar op te heffen en op zijn oppervlakte te dragen, haar te hulp was gekomen; de redding was dus tevens een redding door het water, dat, zoals het naar de ene zijde met gevaar dreigde, aan de andere zijde helpend en reddend werd. Aan deze tweede betekenis, die de uitdrukking "door het water" inhoudt, sluit zich vervolgens de uitspraak van ons vers aan "waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt", waarmee de apostel weer komt tot de vermaningen aan het begin van onze afdeling (Vers 15). Lag namelijk bij hetgeen in Vers 20 gezegd werd de gedachte voor de hand, dat de Christelijke kerk voor de tijd van het laatste oordeel bij wijze van een tegenbeeld de reddende ark was, die bij het ondergaan van het overige van de wereld door het gericht heen in de nieuwe wereld (2 Petrus 1:11) veilig overbracht, zo is dat zeker waar, maar slechts eenzijdig waar: de ark zou wat zich daarin bevond niet hebben gered, als het water haar niet had gedragen, maar zij zou zonder de kracht ervan eveneens door de golven overdekt zijn, als alle hoge bergen onder de hemel. Daarom leidt Petrus de gedachten van de lezers af van hun uitwendige gemeenschap met de kerk, die reddende ark, opdat zij zich daarmee niet op valse wijze zouden vertroosten en hij leidt die op datgene, waarin eigenlijk de reddende macht gelegen is, op de doop. Dezen moeten zij in het juiste licht beschouwen en trouw blijven aan het verbond, waarin zij door deze met God zijn gekomen; dan alleen kan de ark van de kerk hen werkelijk redden. Als hij van de doop zegt, dat zij "niet een aflegging is van de vuiligheid van het lichaam", dan kan dit negatief gezegde bezwaarlijk alleen dienen om de hierop volgende positieve uitspraak des te sterker op de voorgrond te plaatsen, zoals men veelvuldig beweerd heeft. Maar wel is het oog gevestigd op de geneigdheid van de lezers 1 Petrus 1:2, om tegen de verdrukkingen, die zij als Christenen moesten lijden, hun toevlucht te nemen tot de ellendige instellingen van de Joodse ceremoniedienst met de velerlei reinigingen en wassingen (Galaten 4:9) en dus hun hoop in Christus op de achtergrond te plaatsen. De laatste verheft dan de apostel in zijn hoge waarde tegenover de uitwendige reinigingen. Deze kunnen toch evenmin, als de gaven en offers van de Mozaïsche wet volkomen konden maken naar het geweten hem, die zodanige godsdienst volbracht (Hebreeën 9:9), het geweten reinigen van de dode werken; dat kan doen alleen het bloed van Christus, die Zichzelf door de Heilige Geest voor God heeft geofferd (Hebreeën 9:10) en met dit bloed worden wij in onze harten besprengd door middel van het sacrament van de doop, zodat wij nu vrij zijn van het kwaad geweten (Hebreeën 10:22 b) Hier komt het werkelijk op neer, als Petrus op onze plaats de doop karakteriseert als "een vraag van een goed geweten tot God. " Luther heeft in zijn vertaling meer het oog gehad op het geven daarvan door God, dan op het zoeken van de zijde van de dopeling, omdat hij verklaart "dat u in u voelt een goed, blij geweten, dat u met God in het verbond staat en kunt zeggen: "Hij heeft mij toegezegd genade en vergeving van de zonden door Christus; dat neem ik met blijdschap aan en ik twijfel niet, of Hij zal het houden, want Hij kan niet liegen. " De apostel heeft die uitdrukking gekozen in verband tot datgene, waartoe hij aan het begin van onze afdeling (vers 15) de lezers vermaant: de Christenen mogen niet hun Christendom verbergen tegenover de tegenstanders en lasteraars, noch het verloochenen, om zich het lijden onder hun vijandschap te besparen; zij moeten dat integendeel vrij en openlijk belijden en zich aan ieder op zachtmoedige en onbevreesde wijze tot verantwoording bereid betonen. Zij kunnen dat, als zij een goed geweten hebben en zullen dan nooit beschaamd worden, maar het beschaamd worden zal op zijn tijd het loon zijn van de tegenstanders en nu kunnen zij een goed geweten hebben, want door hun doop hebben zij het bij God gezocht en krachtens de opstanding van Jezus hebben zij het ook daar gevonden; zij moeten dus in hun doop-verbond getrouw blijven en met zodanige trouw op zich nemen, om goed doende te lijden zo het Gods wil is. Beda Venerabilia (een Engels theoloog van de 8ste eeuw na Christus) maakt bij ons vers de volgende opmerking: "De ark werd met Noach en de zijnen door het water in de hoogte geheven; zo worden nu wij door de doop (afgezonderd van het getal van de ongelovigen), in de hoogte gedragen en tot burgers van het hemelrijk gemaakt. "
Wij moeten ons voorstellen, dat de apostel, gesproken hebbend van de Heilige Geest, die de Geest van Christus nam, door wie Hij onder het Oude Testament in de profeten sprak, het oog vestigde op Genesis 6:3, waar de Heere zegt dat Zijn geest, die door Henoch gesproken had en nog door Noach sprak, niet altijd zou twisten met het ontaarde mensengeslacht, maar dat Hij daaraan in Zijn lankmoedigheid een uitstel van 120 jaren verleende. Zo had Christus, zich als tot de bewoners van de eerste wereld wendend, aan hen gepredikt, maar omdat ook zij dit woord van de liefde hadden versmaad, waren hun geesten of zielen nu in de gevangenis (een beeld van de rampzalige hel, dat aan Petrus en Judas eigen was: 2 Petrus 2:4 en Judas 1:6) en waren door de straf van de watervloed omgekomen; maar datzelfde water was het middel van behoudenis voor Noach's achttal in de ark, omdat hij daardoor van al zijn goddeloze vijanden en tegenkanters bevrijd werd. Dit nu brengt de apostel over op de Christenen van zijn dagen en zegt Vers 21 : waardoor dat is, evenals Noach door water behouden werd in de ark, zo ook wij door de Doop in Christus, omdat de Doop ons onderscheidt van allen, die buiten Christus zijn en ons een teken en onderpand ter verzekersing is van onze redding in Jezus onze Heer. Dit evenwel kan door de Doop als een uitwendige reiniging op zichzelf niet geschieden, evenmin als het water van de zondvloed mensen van de dood redden kon, zonder een gelovig ingaan in de ark van de behoudenis; daarom moesten zij, die als volwassenen gedoopt waren, bij die Doop kennen en bezitten de vraag, dat is de belijdenis of de getuigenis van een goed geweten of de bewustheid van de welmenendheid van het geloof, zoals wij, die als kinderen de Doop ontvingen, deze met zo'n waarachtige belijdenis van het geloof achtervolgen en bekrachtigen moeten, zal hij ons echt ten nutte zijn; daardoor zullen wij erkennen, dat wij alles alleen aan de opstanding van Jezus Christus te danken hebben, waarin de volkomen zekerheid van onze behoudenis ligt.
De apostel neemt een gelijkenis van de zondvloed, waarin Noach door het water, dat de arke deed boven drijven, behouden werd en past die toe op de Doop en verklaart dat die ook behoudt; hij voegt er de wijze bij, hoe die behoudt, zeggende, niet die een aflegging is van de vuiligheid van het lichaam, maar hij stelt de behoudenis in Christus opstanding na Zijn lijden, door het geloof aangenomen en door de Doop verzegeld, waardoor de gelovige ziel vrijmoedigheid krijgt, om tot God te gaan met een consciëntie, die in Christus bloed gereinigd is en te vragen of zij dan nu niet gerechtvaardigd is en vrede bij God heeft; dat de ziel al vragende gewaar wordt en haar kracht al toepassend smaakt. (W. a. BRAKEL).