1 Petrus 5:1-4
Hier komen in aanmerking:
I. De personen, aan wie de vermaning gericht wordt: de ouderlingen, herders en geestelijke leiders van de gemeente, oudsten door bediening meer dan door leeftijd, de dienaren van de gemeenten, aan welke hij dezen brief schreef.
II. De man, die de vermaning geeft, de apostel Petrus. Ik vermaan, en om zijne vermaning kracht bij te zetten, zegt hij hun dat hij hun medeouderling is, en legt hun daardoor niets op dan wat hij zelf gereed is op te volgen.
Hij was ook een getuige des lijdens van Christus, hij was met Hem geweest in den hof, had Hem gadegeslagen in het paleis van den hogepriester, was zeer waarschijnlijk getuige van Zijn kruisdood geweest op een afstand temidden van de menigte, Handelingen 3:15. Hij voegt er bij dat hij evenzeer was deelachtig aan de heerlijkheid, die in zekere mate geopenbaard was op den berg, Mattheus 17:1-3, en ten volle zal genoten worden bij de wederkomst van Christus Jezus.
1. Zij, die geroepen zijn om anderen te onderwijzen, moeten nauwkeurig hun eigen plicht onderzoeken, niet minder dan dat zij den mensen hun plichten moeten leren.
2. Hoe verschillend zijn geest en houding van Petrus van die zijner vermeende opvolgers! Hij beveelt of domineert niet, maar vermaant. Hij maakt geen aanspraak op het oppergezag over al de andere herders en al de gemeenten, hij noemt zich niet vorst der apostelen en stedehouder van Christus, of hoofd der kerk maar zegt dat hij een medeouderling is. Alle apostelen waren ouderlingen, ofschoon niet alle ouderlingen apostelen waren.
3. Het was de bijzondere eer van Petrus en enige weinige anderen, dat zij getuigen waren van het lijden van Christus, maar het is voorrecht van alle ware Christenen, dat zij deelhebben zullen aan de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden.
III. De plicht van den herder wordt omschreven, en de wijze waarop die plicht moet vervuld worden. De herderlijke plicht is drievoudig.
1. De kudde te weiden, door haar het zuivere Woord Gods te prediken en haar te regeren overeenkomstig zulke regelen en tucht als het Woord Gods voorschrijft. Dat ligt in de uitdrukking: Weidt de kudde.
2. De herders der gemeente moeten opzicht over haar houden. De ouderlingen worden vermaand de bediening van opzieners waar te nemen door persoonlijke zorg over de gehele kudde, die hun toevertrouwd is.
3. Zij moeten voorbeelden der kudde zijn en alle Christelijke deugden beoefenen, als heiligheid, zelfverloochening, doding der zonden, gelijk zij dat aan de gemeente prediken en aanbevelen. Deze plichten moeten vervuld worden niet uit bedwang, niet omdat zij er toe gedwongen worden, niet op bevel van de burgerlijke macht of uit vrees en schaamte, maar met een gewillig hart, dat behagen schept in het werk, niet om vuil gewin, om enige voordelen of toelagen uit de gemeente waar zij wonen, of om enige beloning, die bij hun bediening behoort, maar met een volvaardig gemoed, meer lettende op de kudde dan op de wol, in oprechtheid en met liefde trachtende de gemeente Gods te dienen, niet als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, het niet tiranniserende door overheersing en dwingende kracht, of door haar onschriftuurlijke en menselijke uitvindingen op te dringen in plaats van haar in haar plichten te onderwijzen, Mattheus 20:25, 2 Corinthiërs 1:24. Leer hier uit:
A. De uitnemende waardigheid van de gemeente Gods en van al haar ware leden. Deze arme, verachte, lijdende Christenen waren de kudde Gods. De overigen in de wereld zijn een ongeordende troep. Zij zijn een geregelde kudde, voor God verlost door den groten Herder, levende in heilige liefde en gemeenschap met elkaar naar den wil van God. Zij worden daarom vereerd met den naam van Gods erfdeel, Zijn bijzonder eigendom, uit de menigte verkoren tot Zijn eigen volk, om Zijn bijzondere gunst te genieten en bepaaldelijk Hem te dienen.
B. De herders der gemeente moeten haar beschouwen als de kudde Gods, Zijn erfdeel, en hen als zodanig behandelen. Zij zijn niet het eigendom van de herders, om naar welgevallen er over den baas te spelen, maar die gemeente is Gods volk en moet behandeld worden met liefde, zachtheid en tederheid ter wille van Hem, wie zij toebehoort.
C. De dienaren, die tot hun werk gedreven worden door nooddwang of door lust naar vuil gewin, kunnen hun plicht niet naar behoren vervullen, omdat zij het niet gewillig en met een volvaardig gemoed doen.
D. De beste wijze voor een dienaar om de achting der gemeente te winnen, is zich van zijn plicht jegens haar te kwijten zo goed hij kan, en haar standvastig een voorbeeld te geven in al wat goed is.
IV. In tegenstelling met dat vuil gewin, dat voor vele dienaren de voornaamste drijfveer is om hun bediening te aanvaarden en te volbrengen, stelt de apostel hun de kroon der heerlijkheid voor ogen, welke de grote herder Jezus Christus bestemd heeft voor alle getrouwe dienaren.
1. Jezus Christus is de overste herder van de gehele kudde en het gehele erfdeel Gods. Hij kocht haar, Hij regeert en verdedigt haar, en redt haar voor eeuwig. Hij is ook de overste herder over al de lagere herders, zij ontlenen hun gezag aan Hem, handelen in Zijn naam en zullen Hem eens rekenschap geven van hun werk.
2. Deze overste herder zal verschijnen om alle dienaren en lagere herders te oordelen, hen tot verantwoording te roepen, of zij getrouw hun plicht vervuld hebben zowel in het openbaar als in het verborgen overeenkomstig de hiervoren gegeven aanwijzingen.
3. Zij, die bevonden worden hun plicht gedaan te hebben, zullen ontvangen wat oneindig beter is dan t ijdelijk gewin, zij zullen van den oppersten Herder ontvangen een hogen graad van eeuwige heerlijkheid, een onverwelkelijke kroon der heerlijkheid.