Genesis 6:6-7
Hier is:
I. Gods toorn over der mensen boosheid. Hij zag haar niet als een onverschillig toeschouwer, maar als een die er door gegriefd en beledigd werd. Hij zag haar, zoals een teder liefhebbende vader de dwaasheid en weerspannigheid ziet van een ongehoorzaam rebellerend kind, dat hem niet slechts vertoornt maar grieft, en hem doet wensen kinderloos te zijn aangeschreven. De uitdrukkingen, die hier gebruikt zijn, zijn zeer vreemd. Het berouwde de Heere, dat Hij de mens op aarde gemaakt had, dat Hij een schepsel van zo edele gaven en vermogens gemaakt, en op deze aarde gesteld had, die Hij expres gebouwd en van het nodige voorzien had, om hem tot een geriefelijke woning te zijn, en het smartte Hem aan Zijn hart. Dat zijn uitdrukkingen naar de wijze der mensen en moeten zo verstaan worden, dat zij geen ongunstige mening geven van de eer van Gods onveranderlijkheid en zaligheid.
1. Het duidt geen hartstocht of onrust aan in God, (er is niets, dat in de eeuwige Geest ontroering kan teweegbrengen) maar het drukt Zijn rechtvaardig en heilig misnoegen uit over zonde en zondaren, over zonde als weerzinwekkend voor Zijn heiligheid, en over zondaren als aanstotelijk voor Zijn gerechtigheid. Hij is gedrukt onder de zonde van Zijn schepselen, Amos 2:13, vermoeid, Jesaja 43:24, verbroken, Ezechiël 6:9 Hij heeft er verdriet van, Psalm 95:10, en heeft Hij smart aan Zijn hart, zoals de mensen, als zij verongelijkt worden en mishandeld door hen, aan wie zij goedheid en vriendelijkheid betoond hebben, en dan wensen, dat zij die adder nooit aan hun boezem gekoesterd hadden, die hen nu in het gelaat sist en haar angel in hun hart steekt. Haat God aldus de zonde? En zullen wij haar dan niet haten? Heeft onze zonde Hem smart gedaan aan het hart? En zullen wij er dan niet bedroefd en verslagen in het hart om zijn? O dat die gedachte ons moge verootmoedigen en beschamen, en dat wij mochten zien op Hem die wij aldus smart hebben aangedaan, en treuren, rouw bedrijven over Hem! Zacheria 12:10.
2. Het duidt ook generlei verandering aan in Gods bedoeling of voornemen, want: Heeft Hij enig ding voor, wie zal dan Hem afkeren? Bij Hem is geen verandering. Maar het duidt een verandering aan in Zijn manier van handelen. Toen God de mens recht gemaakt had, "heeft Hij gerust en zich verkwikt," Exodus 31:17, en Zijn handelwijze jegens hem toonde, dat Hij een welgevallen had aan het werk van Zijn handen. Maar nu de mens van Hem was afgevallen, kon Hij niet anders dan hem Zijn ongenoegen tonen, zodat de verandering was in de mens, niet in God. Het berouwde God, dat Hij de mens gemaakt had, maar nooit bevinden wij, dat het Hem berouwde de mens te hebben verlost, hoewel dat een zeer veel kostbaarder werk was omdat bijzondere en krachtige genade gegeven is om het grote doel van de verlossing te verzekeren, zodat "die genadegiften en roeping onberouwelijk zijn,' Romeinen 11:29.
II. Gods besluit om de mens wegens zijn boosheid te verdelgen, vers 7.
Merk op:
1. Toen het God berouwde dat Hij de mens gemaakt had, besloot Hij de mens te verdelgen. Zo zullen zij, die in waarheid berouw hebben van de zonde, besluiten om in de kracht van Gods genade, de zonde te doden en uit te roeien, om aldus wat zij verkeerds gedaan hebben, ongedaan te maken. Het is slechts spotten met God om te zeggen, dat wij bedroefd zijn om onze zonde, en dat zij ons van harte leed is, zo wij er dan toch aan blijven toegeven. Tevergeefs wenden wij voor een verandering van zin te hebben, als wij dit niet doen blijken door een verandering van doen.
2. Hij besluit de mens te verdelgen. Het oorspronkelijke woord is veelbetekenend: Ik zal de mens uitwissen van op het aangezicht des aardbodems, zoals sommigen die zinsnede lezen, gelijk vuil of slijk afgewist wordt van een plaats, die rein behoort te wezen, en dat dan op de mesthoop geworpen wordt, die de geschiktste plaats er voor is. Zie 2 Koningen 21:13. Zij, die vlekken zijn op de plaats waar zij wonen, worden met recht door de oordelen Gods er van afgewist. Ik zal de mens doorhalen van de aarde, zo lezen anderen, zoals de regels of woorden van een boek doorgehaald worden, die de schrijver mishagen, of zoals de naam van een burger doorgehaald werd van de lijst van de poorters, als hij gestorven of van zijn burgerlijke rechten ontzet was.
3. Hij spreekt van de mens, als toen zijn eigen schepsel zijnde, als Hij tot zijn verderf besloten had, de mens, die Ik geschapen heb. "Hoewel Ik hem geschapen heb, zal dat hem toch niet verontschuldigen," Jesaja 27:11. Hij, die hem gemaakt heeft, zal hem niet behouden, Hij, die onze Schepper is, zal, zo Hij onze Heerser, onze Bestuurder, niet is, onze Verderver zijn. Of: "omdat Ik hem geschapen heb, en hij zo ongehoorzaam en ondankbaar was jegens zijn Schepper, zal Ik hem verdelgen." Diegenen verbeuren hun leven, die niet beantwoorden aan het doel van hun leven.
4. Zelfs de redeloze dieren waren begrepen in dit verderf: het vee en het kruipend gedierte, en het gevogelte des hemels. Dezen waren gemaakt voor de mens, en daarom moeten zij verdelgd worden met de mens, want er volgt op: het berouwt Mij, dat Ik ze gemaakt heb, want het doel, ook van hun schepping was verijdeld. Zij werden gemaakt, opdat de mens met hen God zou dienen en eren, omdat hij dus slechts zijn eigen lusten met hen heeft gediend, hen aan zijn ijdelheid heeft onderworpen, werden zij verdelgd.
5. God nam dit besluit betreffende de mens, nadat Zijn Geest gedurende lange tijd tevergeefs met hem had getwist. De gerechtigheid Gods verderft niemand dan hen, die het haten om door de genade Gods te worden hervormd.