Romeinen 4:23-25
In het slot van dit hoofstuk, past Paulus dit alles op ons toe, en, nadat hij overvloedig bewezen heeft dat Abraham door het geloof gerechtvaardigd is geworden, besluit hij met te zeggen dat deze rechtvaardiging geschiedde als een voorbeeld van de onze. Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, vers 23. Het is niet alleen bedoeld als een historische eervolle vermelding van Abraham, of als een verhaal van iets dat hem bijzonder aangaat (gelijk sommige tegenstanders van den kinderdoop ons noodzaken willen te geloven dat de besnijdenis een zegel van de rechtvaardigmaking door het geloof, vers 11, was alleen voor Abraham en voor niemand anders). Neen, de Schrift bedoelde niet hierdoor enigen bijzonderen weg van rechtvaardigmaking te beschrijven, die alleen voor Abraham gold als zijn uitsluitend voorrecht. De mededelingen betreffende de Oud-Testamentische heiligen, die ons overgeleverd zijn, werden niet alleen bedoeld als geschiedverhalen, om ons in te lichten en te vermaken, maar als voorlopers om ons te besturen, als voorbeelden ons ter lering, 1 Corinthiërs 10:11, Romeinen 15:4. En met name dit betreffende Abraham werd geschreven ook om onzentwil, om ons te doen zien welke de gerechtigheid is, die God eist en aanneemt tot onze verlossing, ook voor ons, die gering en zwak zijn, die zoveel bij Abraham tekortkomen in voorrechten en in daden, ons heidenen zowel als Joden, want de zegening van Abraham komt over de heidenen door Christus, voor ons op wie de einden der wereld gekomen zijn, zowel als voor de aartsvaders, want de genade Gods is dezelfde gisteren en heden en tot in eeuwigheid. Zijne toepassing van het gezegde is slechts kort. Wij merken daarbij op:
I. Ons algemene voorrecht, het zal, dat is de rechtvaardigheid zal, ook ons toegerekend worden. De evangelische weg van rechtvaardigmaking is door een toegerekende gerechtigheid, mellei logitesthai, het zal toegerekend worden. Hij gebruikt het werkwoord in den toekomenden tijd, om aan te duiden de voortzetting van deze genade aan de kerk, het is evenzo nu en zal zo zijn zolang God een gemeente in de wereld heeft en er kinderen der mensen te rechtvaardigen zijn, want hier is een fontein geopend, die niet ophoudt te springen.
II. Onze algemene plicht, de voorwaarde van dat voorrecht, dat is geloven. Het eigen voorwerp van dat geloof is een goddelijke openbaring. De openbaring aan Abraham betrof den komenden Christus, de openbaring aan ons verkondigt een Christus, die alreeds gekomen is, dit onderscheid in de openbaring verandert den toestand niet. Abraham geloofde dat God machtig was Izaak te verwekken uit de verstorven baarmoeder van Sara, wij worden geroepen te geloven dat dezelfde macht nog in veel hoger mate gewerkt heeft in de opstanding van Christus uit de doden. De opstanding van Izaak was een zinnebeeld, en dus was ze "om zo te spreken", Hebreeën 11:19, de opstanding van Christus was werkelijkheid. Wij zijn geroepen te geloven in Hem, die Christus uit de doden opgewekt heeft, niet alleen in Zijne macht waardoor Hij het doen kon, maar steunen op Zijne genade in het opwekken van Christus als ons onderpand. Zo verklaart hij het in vers 25, waar wij een korte samenvatting hebben van de bedoeling van den dood van Christus en van Zijne opstanding, deze zijn de beide voorname sleutels, waardoor de deur der zaligheid geopend wordt.
1. Hij werd overgeleverd om onze zonden. God de Vader leverde Hem over, en Hij leverde zich zelven over tot een offerande voor de zonde. Hij stierf werkelijk als een misdadiger, omdat Hij voor de zonden stierf, doch het waren niet Zijn eigen zonden maar die van Zijn volk. Hij stierf om verzoening aan te brengen voor onze zonden, om onze schuld uit te delgen, om aan een eeuwige gerechtigheid voldoening te geven. 2. Hij werd opgewekt om onze rechtvaardigmaking, voor de voltooiing en volmaking van onze rechtvaardigmaking. Door de verdiensten van Zijn dood heeft Hij voor onze schuld betaald, in Zijn opstanding verrees Hij tot kwijtschelding voor ons. Toen Hij begraven was lag Hij als gevangene onder het vonnis voor onze schuld, als de borg die op zich genomen had voor ons te voldoen. Op den derden dag werd de engel gezonden om den steen van het graf te wentelen en daardoor den gevangene te ontslaan. Daarin werd de sterkst-mogelijke verzekering gegeven dat de goddelijke gerechtigheid voldaan was, de schuld betaald, anders zou Hij den gevangene niet losgelaten hebben. En daarom legt de apostel bijzonderen nadruk op de opstanding van Christus. Het is Christus, die gestorven is, ja wat meer is die ook opgewekt is, Hoofdstuk 8:34. Zodat uit alles overvloedig blijkt dat wij niet gerechtvaardigd worden door de verdiensten van onze eigen werken, maar door een vertrouwend-gehoorzame afhankelijkheid van Jezus Christus en Zijne gerechtigheid, als de voorwaarde aan onze zijde voor ons recht op toerekening en verlossing. Dat was de waarheid, welke Paulus in dit en in het voorgaande hoofdstuk vastgesteld heeft als de grote oorzaak en grondslag van al onzen troost.