Genesis 7:1-4
Hier is:
I. Een vriendelijke, genadige uitnodiging aan Noach en zijn gezin om in de veilige plaats te gaan, nu de watervloed stond te komen, vers 1.
1. De nodiging zelf is zeer vriendelijk, als die van een teder vader aan zijn kinderen om naar binnen te komen, nu de storm opsteekt. Kom gij en uw gehele huis, het kleine gezin, dat gij hebt, in de ark.
Merk op:
a. Noach ging niet in de ark voordat God het hem gebood. Hoewel hij wist, dat zij bestemd was om zijn toevluchtsoord te zijn wachtte hij toch op een vernieuwd bevel, en hij ontving het. Het is zeer troostrijk en lieflijk om de roepstemmen van de Voorzienigheid te volgen, en God voor ons heen te zien gaan bij iedere stap, die wij doen.
b. God zegt hem niet in de ark te gaan, maar er in te komen aanduidende dat God er met hem zijn zal, er hem in zal voeren, hem er in zal vergezellen en er hem ter bestemder tijd veilig uit zal brengen. Het is zeer begerenswaardig om waar wij ook zijn, Gods tegenwoordigheid met ons te hebben, want dat is alles in alles voor ons, de troost en lieflijkheid in elke toestand van ons leven. Dat was het, dat Noach's ark, die een gevangenis was, niet slechts een veilige toevlucht voor hem deed zijn, maar een paleis.
c. Noach had zich zeer veel moeite gegeven om de ark te bouwen, en nu werd hij er zelf in het leven in bewaard. Wat wij doen in gehoorzaamheid aan het gebod Gods en in het geloof, daar zullen wij voorzeker zelf het eerst en het laatst de nuttigheid en het vertroostende van ondervinden.
d. Hij niet alleen, maar ook zijn huis, zijn vrouw en kinderen, worden met hem in de ark geroepen. Het is kostelijk om tot het gezin van een Godvruchtig man te behoren, het is veilig en lieflijk om onder zulk een schaduw te wonen. Een van Noach's zonen was Cham, die later bleek een slecht man te zijn, toch werd hij behouden in de ark, hetgeen te kennen geeft:
a.a. Dat het aan slechte kinderen dikwijls om der wille hunner ouders goed gaat.
b.b. Dat er in de beste gezelschappen op aarde een vermenging is van goed en slecht, en dat wij dit niet vreemd moeten vinden. In Noach's gezin was een Cham, en in Christus' gezin was een Judas, aan deze zijde van de hemel is nergens volmaakte zuiverheid te vinden.
e. Dit roepen van Noach was een type van de roepstem van het Evangelie, tot arme zondaren gericht. Christus is een Ark, die alreeds bereid is, in wie alleen wij veilig kunnen zijn, als de dood en het oordeel komen. Thans is het refrein van het lied: "Kom, kom," het woord zegt: "Kom" de Evangeliedienaren zeggen: "Kom, de Geest zegt: "Kom, kom in de ark."
2. De reden, opgegeven voor deze uitnodiging, is een zeer eervol getuigenis voor Noach's oprechtheid: Want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht. Merk op:
a. Diegenen zijn in waarheid rechtvaardig, die rechtvaardig zijn voor God, die niet slechts de gedaante van de Godzaligheid hebben, waardoor zij rechtvaardig schijnen voor de mensen, die men gemakkelijk kan bedriegen, maar ook de kracht ervan, waardoor zij zich Gode welbehaaglijk maken, die het hart doorgrondt, en in de aard van de mensen niet bedrogen kan worden.
b. God neemt nota van, en schept behagen in, hen die rechtvaardig zijn voor Zijn aangezicht: u heb Ik gezien. In een wereld van goddeloze mensen, kon God een rechtvaardige Noach zien, dat enkele korreltje tarwe kon in de grote hoop kaf niet verloren zijn. De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn. God, die een getuige is van, zal weldra een getuige zijn voor de oprechtheid Zijns volks, Hij, die haar ziet, zal haar tot hun onsterfelijk eer bekend maken aan engelen en mensen. Zij, die genade verkrijgen om rechtvaardig te zijn, zullen het getuigenis bekomen, dat zij rechtvaardig zijn.
d. God heeft een bijzonder welbehagen in hen, die in slechte tijden en in slechte plaatsen goed zijn. De rechtvaardigheid van Noach was vermaard, vanwege de goddelozen tijd waarin en het ontaarde geslacht waaronder, hij geleefd heeft.
e. God zal hen, die zich in tijden van algemene ongerechtigheid rein bewaren, veilig bewaren in tijden van algemene rampen- zij die niet delen in de zonden van anderen, zullen niet delen in de plagen, die over hen komen, zij, die beter zijn dan anderen zijn, zelfs in dit leven, veiliger dan anderen en zij varen beter.
II. Hier worden noodzakelijke orders gegeven betreffende de redeloze dieren, die met Noach in de ark in het leven gehouden moeten worden, vers 2, 3. Zij waren niet instaat om zelf waarschuwingen en aanwijzingen te ontvangen, zoals de mens daartoe instaat was, die hierin geleerder is gemaakt dan de beesten van de aarde, en wijzer dan het gevogelte des hemels, dat hij begaafd is met het vermogen van voorzien en alzo voorzorgen te treffen, daarom wordt de mens belast met de zorg voor hen, daar zij onder zijn heerschappij zijn moeten zij ook onder zijn bescherming wezen. En hoewel hij niet ieder schepsel in het leven kon houden, moet hij toch zorgvuldig elke soort behouden, opdat geen er van teniet zou gaan, geheel uit de schepping zou verdwijnen. Hierin kunnen wij opmerken:
1. Gods zorg voor de mens, voor zijn welvaren en gerieflijkheid. Wij bevinden niet dat Noach hieromtrent voor zichzelf bezorgd was, God gaat meer te rade met ons welzijn en geluk dan wijzelf. Hoewel God zag, dat de oude wereld zeer boos was, en voorzag, dat de nieuwe wereld weinig beter zou zijn, wilde Hij de dieren toch voor der mensen gebruik in wezen laten, "zorgt ook God voor de ossen?" 1 Corinthiërs 9:9. Of was het niet veeleer de mens wie deze zorg gold?
2. Zelfs de onreine dieren (die de minste waardij hadden en het minst nuttig waren) werden in de ark in het leven behouden, want Gods barmhartigheden zijn over al Zijn werken en niet slechts over die, welke van de grootste voortreffelijkheid en het meeste nut zijn.
3. Maar van de reine dieren moesten er meer bewaard blijven dan van de onreine a. Omdat de reinen het meest tot de dienst des mensen waren bestemd, daarom moesten, in gunst jegens hem, meer van deze bewaard blijven en voortgeplant worden. Er zijn, Gode zij dank, geen kudden van leeuwen, zoals er kudden van ossen zijn, geen kudden van tijgers zoals kudden van schapen.
b. Omdat de reinen tot offers aan God moesten dienen, daarom moesten, ter ere van Hem, drie paren voor de teelt bewaard blijven, en het overblijvende zevende ter offerande, Hoofdstuk 8:20. In aardse dingen geeft God ons zes voor een, zoals in de verdeling van de dagen van de week opdat wij in geestelijke dingen geheel voor Hem zijn zullen. Hetgeen toegewijd wordt aan Gods eer en gebruikt wordt in Zijn dienst wordt zeer bijzonder gezegend en vermenigvuldigd.
III. Hier wordt kennis gegeven, dat de watervloed nu stond te komen. Over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op aarde.
1. "Er zullen nog zeven dagen verlopen eer Ik het doe." Nadat de 120 jaren om waren heeft God hun nog een uitstel van zeven dagen verleend, beide om te tonen, hoe traag Hij is tot toorn, en dat het werk van straffen Zijn vreemd werk is, en om hun nog enige tijd te laten tot berouw en bekering, maar het was alles tevergeefs, die zeven dagen werden verbeuzeld, evenals al de overige, zij bleven gerust en zinnelijk, totdat de vloed kwam.
2. "Het zullen slechts zeven dagen zijn." Zolang Noach hun sprak van een oordeel, dat nog veraf was, waren zij in verzoeking om hun bekering uit te stellen, omdat het nog voor een zeer lange tijd zou zijn eer het kwam, maar nu ontvangt hij bevel om hun te zeggen, dat het aan de deur is, dat zij nog slechts een week hebben om zich te bekeren, nog slechts een sabbat om er een goed gebruik van te maken ten einde te zien, of dit hen ten laatste zal doen opwaken en opwekken, om de dingen te bedenken, die tot hun vrede dienen die anders weldra voor hun ogen verborgen zullen zijn. Maar het is iets geheel gewoons dat zij, die gedurende hun jaren van gezondheid onbekommerd waren over hun ziel, toen zij de dood nog op verre afstand zagen, even zorgeloos en onbekommerd zijn gedurende de dagen, de zeven dagen, van hun ziekte als zij hem zien naderen, daar hun hart door de bedrieglijkheid van de zonde verhard is geworden.