1 Petrus 2:1-3
De apostel heeft de onderlinge liefde aanbevolen, en daarna de uitnemendheid van het Woord Gods voorgehouden, waarvan hij gezegd heeft dat het een onvergankelijk zaad is en leeft en blijft in eeuwigheid. Thans gaat hij voort en komt zeer geleidelijk tot den raad: Zo legt dan af alle kwaadheid enz. Er zijn zonden, die zowel de liefde verwoesten als zij de werking van het Woord verhinderen, en daardoor onze wedergeboorte tegenhouden.
I. Zijn raad is ter zijde te stellen of af te leggen al wat kwaad is, zoals men een oud, onbruikbaar kledingstuk aflegt. "Werpt het met verontwaardiging van u en trekt het nooit weer aan."
1. De zonden, die afgelegd en ter zijde geworpen moeten worden, zijn:
A. Kwaadheid, hieronder kan men in het algemeen alle soorten van boosheid verstaan, Jakobus 1:21, 1 Corinthiërs 5:8. Maar meer in het bijzonder is kwaadheid toorn, die rust in den boezem der dwazen, gevestigde, vastgegroeide gramschap, die rust tot ze een mens in vlam zet om misdrijf te bedenken, te doen, of zich te verheugen in het ongeluk, dat anderen overvalt.
B. Bedrog, misleiding door woorden. In dien zin is hier bedoeld vleierij, valsheid, verkeerde voorstellingen, welke schandelijk op de onwetendheid van anderen inwerken tot hun verderf.
C. Geveinsdheid. Het woord staat in het meervoud en doelt op alle soorten van huichelarij. In zaken van Godsdienst is huichelarij nagemaakte vroomheid. In de burgerlijke samenleving is huichelarij voorgewende vriendschap, die veel beoefend wordt door hen, die hogen lof geven, waar ze zelf niets van geloven, of beloften doen, welke ze niet voornemens zijn te vervullen, of vriendschap veinzen, terwijl boosheid in hun hart is.
D. Nijdigheid: alle soorten van nijdigheid, wanneer men ontstoken wordt door het goede en de welvaart van anderen, door hun bekwaamheden, voorspoed, roem of wel-geslaagden arbeid.
E. Achterklappingen, kwaadspreken van elkaar, verkleinen van iemands goeden naam, achterklap en oorblazing, 2 Corinthiërs 12:20, Romeinen 1:30 2. Wij leren hier:
A. De beste Christenen hebben nodig tegen de slechtste zonden als bedrog, geveinsdheid, nijd en achterklap gewaarschuwd te worden. Zij zijn slechts in beginsel en ten dele heilig gemaakt en staan nog bloot aan het vallen in allerlei verzoekingen.
B. Onze beste diensten jegens God zullen Hem niet aangenaam zijn en ons geen voordeel doen, tenzij wij onze plichten jegens de mensen met nauwgezet geweten vervullen. De zonden, hier opgenoemd, zijn alle overtredingen van de geboden der tweede tafel. Die moeten afgelegd worden, anders kunnen wij het Woord Gods niet ontvangen gelijk het behoort.
C. Er wordt gezegd alle kwaadheid, alle bedrog enz. Een enkele zonde, die niet afgelegd wordt, kan ons geestelijk leven en eeuwig welzijn verhinderen. D. Kwaadheid, bedrog, geveinsdheid, nijd en achterklap gaan gewoonlijk samen. Kwaadspreken is het bewijs, dat boosheid en bedrog in het hart wonen: en alle deze spannen samen om ons te verhinderen om van het Woord Gods voordeel te hebben.
II. Als een kundig geneesheer heeft de apostel voorgeschreven het uitdrijven van de kwade sappen, nu gaat hij er toe over om gezond en geregeld voedsel toe te dienen, opdat zijn lezers daardoor mogen opwassen. De plicht, waartoe zij aangemaand worden, is een sterke en blijvende begeerte naar het Woord Gods, dat hier genoemd wordt redelijke melk. De melk van het Woord, voedsel geschikt voor de ziel, voor een redelijk schepsel, waardoor de ziel, niet het lichaam, wordt gevoed en krachtig gemaakt. De melk van het Woord moet onvervalst zijn, niet verslapt door menselijke bijvoegselen, die dikwijls het Woord Gods bederven, 2 Corinthiërs 2: 17. De wijze, waarop zij deze melk van het Woord Gods moeten begeren, wordt genoemd: als nieuw-geboren kinderkens. Hij brengt hun hun wedergeboorte voor de aandacht. Een nieuw leven heeft geschikt voedsel nodig. Zij, als pas-geborenen, moeten verlangen naar de melk van het Woord. Kinderen begeren gewoonlijk melk, en hun begeerte daarnaar is vurig en blijvend, ze komt voort uit een ongeduldig gevoel van honger en het kind wendt tot bevrediging zijn beste pogingen aan. Zo moeten de Christenen begerig zijn naar het Woord van God, en dat met het doel dat zij er door mogen groeien, dat ze mogen toenemen in de genade en in de kennis van hun Heere en Zaligmaker, 2 Petrus 3:18.
1. Sterke begeerte naar en liefde voor het Woord van God zijn zekere bewijzen, dat iemand wedergeboren is. Zulk een begeerte naar het Woord, als een zuigeling toont naar de melk, geeft te kennen dat iemand wedergeboren is. Het is het laagste bewijs, maar het is betrouwbaar.
2. Opwassen en toenemen in wijsheid en genade zijn het kenmerk en de begeerte van iedere Christen, alle geestelijke middelen dienen tot opbouwing en verbetering. Wanneer het Woord van God recht gebruikt wordt, laat het een mens niet zoals hij is, maar doet hem toenemen en maakt hem beter.
III. Hij voegt er een bewijs bij uit hun eigen ondervinding. Indien gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is, vers 3. De apostel zegt dit niet weifelend, maar bevestigt dat deze oprechte Christenen de goedertierenheid Gods gesmaakt hebben en houdt hun dat voor. "Gij behoort deze zonden af te leggen, vers 1, gij behoort begerig te zijn naar het Woord Gods, gij behoort daardoor te groeien, want gij kunt niet ontkennen dat gij hebt gesmaakt, dat de Heere goedertieren is". Het volgende vers doet ons zien dat met de Heere hier de Heere Jezus Christus bedoeld wordt. Merk hier op:
1. De Heere Jezus Christus is zeer goedertieren voor Zijn volk. Hij is in zich zelven oneindig goed, Hij is zeer vriendelijk, vrijgevig en barmhartig voor ellendige zondaren, Hij is medelijdend en goed voor hen, die het niet verdiend hebben, in Hem is een volheid van genade.
2. De goedertierenheid van onzen Verlosser wordt het best ontdekt door ondervinding. Er moet een onmiddellijke toepassing zijn van het voorwerp, dat gesmaakt zal worden, op onze smaakorganen, men kan niet proeven op een afstand, gelijk wij op een afstand kunnen zien en horen. De goedertierenheid van Christus kunnen wij niet proefondervindelijk kennen tenzij onze zielen door het geloof met Hem verenigd zijn. Dan kunnen wij Zijn goedheid smaken in al Zijn voorzienigheden, in al onze geestelijke belangen, in al onze angsten en verzoekingen, in Zijn woord en dienst, elke dag. 3. De besten van Gods kinderen smaken in dit leven slechts de goedertierenheid van Christus. Een smaak is niet veel, een enkele teug, die niet voldoet. Zo is het met Gods vertroostingen in dit leven.
4. Het Woord van God is het grote middel, waardoor Hij Zijne genade aan de mensen ontdekt en mededeelt. Zij, die met de onvervalste melk van dat Woord gevoed worden, smaken en ondervinden het meest Zijn genade. In onzen omgang met dat Woord moeten wij altijd meer en meer trachten Zijne genade te verstaan en te ondervinden.