Romeinen 4:9-16
Paulus gaat in deze verzen na wanneer en waarom Abraham op die wijze gerechtvaardigd werd, want hij heeft daaromtrent verscheidene opmerkingen te maken. Dat geschiedde voor zijne besnijdenis, en voordat de wet gegeven werd, en voor beide was een goede reden.
I. Het geschiedde voor zijne besnijdenis, vers 10. Zijn geloof werd hem gerekend tot rechtvaardigheid terwijl hij nog in de voorhuid was. Het werd toegerekend, Genesis 15:6, en hij werd besneden, Hoofdstuk 17.. Opzettelijk wordt van Abraham vermeld dat hij gerechtvaardigd werd door het geloof veertien jaren, anderen menen vijf en twintig jaren, voor hij besneden werd. Hiervan maakt Paulus gebruik in het antwoord op de vraag in vers 9 :Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis of ook over de voorhuid? Abraham verkreeg vergeving en aanneming in de voorhuid, ene omstandigheid, die de vrees van de arme onbesneden heidenen kan wegnemen, maar niet minder den hoogmoed en het zelfvertrouwen van de Joden neerwerpen, want zij beroemden zich op hun besnijdenis alsof zij daardoor het alleenbezit van de zaligheid hadden. En hier zijn twee redenen, waarom Abraham gerechtvaardigd werd door het geloof in de voorhuid zijnde.
1. De besnijdenis moest zijn een zegel van de rechtvaardigheid des geloofs, vers 11. De inhoud van een verbond moet eerst vastgesteld worden, alvorens er het zegel aan gehecht kan worden. Het bezegelen onderstelt een voorafgaande overeenkomst, die bevestigd en goedgekeurd wordt door het bezegelen. Nadat Abrahams rechtvaardigheid door het geloof alleen als een gegeven woord gedurende verscheidene jaren bestaan had, behaagde het God een bezegelende verordening in te stellen tot versterking van Abrahams geloof, en Abraham ontving die. Ofschoon het een instelling van bloedstorting was, onderwierp hij zich er aan, en ontving haar zelfs als een bijzondere gunst: het teken der besnijdenis. Merk op:
A. Den aard van bondstekenen in het algemeen. Zij zijn tekenen en zegelen, tekenen om af te beelden en te onderrichten, zegelen om te bevestigen en overeen te komen. Zij zijn tekenen van algehele genade en gunst, zij zijn zegelen van de voorwaardelijke beloften, ja zij zijn wederkerige zegelen. God bezegelt in de sacramenten dat Hij onze God zijn zal en wij bezegelen er in dat wij zijn volk zijn zullen.
B. Den aard van de besnijdenis in het bijzonder. Zij is het betekenende sacrament van het Oude Testament, en zij wordt hier genoemd:
a. Een teken, een teken van de oorspronkelijke verdorvenheid, waarin wij allen geboren worden en die uitgesneden wordt door de geestelijke besnijdenis, een teken van herinnering van Gods verbond met Abraham, een teken van onderscheiding tussen Joden en heidenen, een teken van toelating tot de zichtbare kerk, een teken van voorafschaduwing van den doop, die nu, onder het Evangelie, terwijl, daar het bloed van Christus vergoten is, alle bloedige instellingen teniet gedaan worden, komt in plaats van de besnijdenis. Zij was een uitwendig en zinnelijk teken van een inwendige en geestelijke genade, die er door afgebeeld werd.
b. Een zegel van de rechtvaardigheid des geloofs. In het algemeen was zij een zegel van het verbond der genade, en in het bijzonder van de rechtvaardigheid door het geloof, het verbond der genade in Hfdst 10:6 genoemd: de rechtvaardigheid die uit het geloof is, en zij verwijst naar een Oud- Testamentische belofte, Deuteronomium 30:12. Welnu, indien kleine kinderen toen gerechtigd waren om het zegel van het verbond der genade te ontvangen, dat hen toen verzekerde dat ook zij binnen de grenzen van dat verbond waren, hoe zouden zij nu dan uitgesloten worden uit dat verbond en onbevoegd zijn om dat zegel te ontvangen, en door welk gestreng vonnis werden zij uitgesloten en onbevoegd verklaard? Dat moet eens aangetoond worden door hen die niet alleen verwerpen, maar ook voor ongeldig verklaren en bestraffen den doop van het zaad der gelovigen.
2. Opdat hij een vader zou zijn van allen die geloven. Niet in dien zin dat niemand voor Abraham door het geloof gerechtvaardigd is geworden, maar zo dat het eerst van Abraham bijzonder wordt vermeld, en omdat in hem een veel duidelijker en rijker bedeling van het verbond der genade aanvangt dan enige vroegere geweest was. En daarom wordt hij genoemd een vader van allen die geloven, omdat hij zulk een uitnemend gelovige was en zo heerlijk door het geloof gerechtvaardigd werd, -gelijk Jabal de vader van alle herders en Jubal de vader van allen die in orgelen handelen genoemd wordt, Genesis 4:20, 21. De vader van allen die geloven, dat is een blijvend en maatgevend voorbeeld van geloof, zoals ouders de voorbeelden voor hun kinderen zijn, en een blijvend eerste geval van de rechtvaardigmaking door het geloof, zoals al de vrijheden, voorrechten, eer en bezittingen van de vaderen op de kinderen overgaan. Abraham was de vader van alle gelovigen, vooral ook omdat in hem het verbond en de giftbrief vernieuwd werden.
A. Hij was de vader van de gelovige heidenen, ofschoon die nietbesneden waren. Zacheus, de tollenaar, indien hij geloofde, werd gerekend een zoon van Abraham te zijn, Lukas 19:9. Aangezien Abraham zelf eerst besneden werd nadat hij gerechtvaardigd was door het geloof, kan de voorhuid nooit een beletsel zijn. Daardoor waren de twijfelingen en de angsten van de arme heidenen voorkomen en bleef er geen plaats over voor de vraag of die rechtvaardigheid ook hun wel zou toegerekend worden, Colossenzen 3:11, Galaten 5:6.
B. De vader van de gelovige Joden, niet alleen omdat zij besneden waren, en niet alleen als het zaad van Abraham naar het vlees, maar omdat zij gelovig waren, die niet alleen uit de besnijdenis zijn (dat is: die niet alleen besneden zijn) maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs van onzen vader Abraham, die niet alleen het teken, maar ook de betekende zaak bezitten, niet alleen Abrahams geslacht zijn, maar ook het voorbeeld van Abrahams geloof volgen. Zie hier wie de echte kinderen en wettige opvolgers van de vaders der kerk zijn, niet zij die op hun stoel zitten en hun namen dragen, maar zij die in hun voetstappen treden, dat is de lijn van opvolging, welke zonder onderbreking doorgaat. Het schijnt dus dat zij, die zich het luidst en meest verzekerd er op beriepen dat Abraham hun vader was, het minst recht hadden op de eer en de voorrechten van zijn kinderen. Zo hebben zij het meeste recht God in Christus hun Vader te noemen, die in de voetstappen van Christus wandelen en niet alleen ter wille van hun belijdenis naar Hem Christenen genoemd worden.
II. Het was voordat de wet gegeven werd, vers 13-16. De voorgaande opmerking was gericht tegen hen, die de rechtvaardiging tot de besnijdenis beperkten, deze tegen hen die haar van de wet verwachtten. Welnu, de belofte was aan Abraham gedaan lang voordat de wet gegeven werd. Verg. Galaten 3:17, 18. Merk op:
1. Wat was de belofte? Dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, dat is van het land Kanaän, de uitgelezenste plek van de wereld, -of de vader van vele volken der wereld, die behalve de Israëlieten uit hem zouden voortkomen, -of de erfgenaam van de zegeningen des tegenwoordigen levens. Van de zachtmoedigen wordt gezegd dat zij het aardrijk zullen beërven, de wereld is hun. Ofschoon Abraham zo weinig van het aardrijk in eigendom had, was hij nochtans een erfgenaam van alles. Of: liever het wijst op Christus, het hier bedoelde zaad, zie Galaten 3:16. Uwen zade, dat is Christus. Christus is de erfgenaam der wereld, de einden der aarde zijn Zijne bezitting, en in Hem was Abraham het ook. En dit ziet op de belofte in Genesis 12:3 :In u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.
2. Hoe was zij hem gemaakt? Niet door de wet, maar door de rechtvaardigheid des geloofs. Niet door de wet, want die was toen nog niet gegeven, maar het geschiedde op dat geloof, dat hem tot rechtvaardigheid gerekend werd, het was op zijn vertrouwen op God, op zijn verlaten van zijn land volgens Gods bevel, Hebreeën 11:8. Welnu, indien het door het geloof was, dan kon het niet door de wet zijn. Dat bewijst hij door de tegenstelling, welke tussen die beide bestaat, vers 14, 15. Indien degenen die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, dat is: zij en zij alleen en zij krachtens de wet (want de Joden beroemden-en beroemen nog-zich er op dat zij de rechthebbende erfgenamen der wereld zijn, omdat hun de wet gegeven is) dan is het geloof ijdel geworden. Want, indien het noodzakelijk is om aandeel aan de belofte te verkrijgen, dat men de gehele wet volmaakt gehoorzaamt, dan kan de belofte ook nooit die uitwerking hebben. Dan heeft het geen zin ons op haar te verlaten, want dan is de weg ten leven volkomen gehoorzaamheid aan de wet en vlekkeloze, zondeloze onschuld. En die weg is geheel versperd terwijl de wet geen anderen weg opent. Dat bewijst hij in vers 15. De wet werkt toorn, toorn in ons tegen God, zij ontstemt en tergt den vleselijk-gezinden geest tot vijandschap tegen God, gelijk een dam in een stroom hem doet zwellen: -en toorn van God tegen ons. De wet werkt dat, namelijk zij maakt het openbaar, of ons verbreken van de wet werkt het. Nu staat het vast dat wij nooit de erfenis verwachten kunnen van een wet die toorn werkt. Hoe de wet toorn werkt, toont hij duidelijk aan in het tweede gedeelte van dit vers: Want waar geen wet is daar is ook geen overtreding, een algemeen toegestemde waarheid, die inhoudt: Waar wel een wet is, daar is ook overtreding, en die overtreding werkt uitdagend, en daardoor werkt de wet toorn.
3. Waarom de belofte aan hem door het geloof geschied was, en wel om drie redenen, vers 16.
A. Opdat zij naar genade zij, opdat de genade er de eer van hebben zou, door genade, en niet door de wet, door genade en niet door schuld of door verdienste. Genade! genade! roept elke steen, en vooral de hoeksteen in dezen tempel. Het geloof heeft bijzondere betrekking op vergunde genade, gelijk de genade heeft op ontvangend geloof. Door genade en daarom door geloof, Efeze 2:8. Wat God wil dat elke kroon geworpen worde aan den voet der genade, der vrije genade, en dat elke tong in den hemel dit loflied zingen zal: Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uwen naam geef ere!
B. Opdat de belofte vast zij. Het eerste verbond, zijnde een werkverbond, was niet vast, maar door de tekortkoming van den mens werden de daarbij toegezegde zegeningen afgesneden. En om derhalve de naleving van het tweede verbond des te meer te verzekeren en vast te maken, werd een andere weg gevonden: niet uit de werken. (Indien het uit de werken ware, dan zou de belofte niet vast zijn door de voortdurende tekortkoming en zwakheid van het vlees.) Maar uit het geloof, dat alles ontvangt van Christus en handelt in voortdurende afhankelijkheid van Hem, als de grote bewaarder van onze verlossing, die bij Hem veilig is. Daarom is het verbond vast, omdat het zo in alle delen wèl geordend is, 2 Samuël 23:5. C. Opdat het moge vast zijn al den zade. Wanneer het door de wet ware, dan zou het beperkt geweest zijn tot de Joden alleen, want hunner zijn de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, Hoofdstuk 9:4. Maar daarom was het door het geloof, opdat ook de heidenen zowel als de Joden er deel aan zouden verkrijgen, het geestelijke zowel als het vleselijke zaad van den gelovigen Abraham. God wilde de belofte zo geven dat zij de meest mogelijke uitgebreidheid hebben zou, ten einde alle ware gelovigen te omvatten, opdat besnijdenis noch voorhuid er buiten zouden staan. En daarom verwijst hij ons in vers 17 naar Genesis 17:5, naar de reden der verandering van den naam Abram (grote vader) in dien van Abraham (vader van een grote menigte). Hij haalt aan: "Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld. Dat is, alle gelovigen, beide voor en na de komst van Christus in het vlees, zullen Abraham tot hun voorbeeld nemen en hem vader noemen. De Joden zeiden dat Abraham de vader was van alle proselieten: Zie, hij is de vader van de gehele wereld, van allen die vergaderd zijn onder de vleugelen van de hemelse Majesteit" (Maimonides).