19. Want (om de beide geestelijke scheppingsdaden van God, waaraan wij zo-even dachten, nogmaals en meer bepaald op de voorgrond te plaatsen) God was in Christus (
Colossenzen 1:19) de wereld met zichzelf verzoenend door diens kruisdood (
Romeinen 3:24 v.), de zonden van de mensen, die deze wereld uitmaakten, niet toerekenende, zoals Hij in Zijn gerechtigheid had moeten doen; en heeft nu, opdat deze bewerking van de zaligheid aan ieder bekend wordt en hen, die ze in geloof aannemen, ten zegen wordt, het woord van de verzoening in ons gelegd. Hij heeft het gelegd in het hart en op de lippen van hen, die de verzoening moeten prediken.
De zin, waarmee het vers begint: "God was in Christus" maakt door vooraanplaatsing van de immanentie van Christus in God de waarde en de kracht van de door Hem teweeggebrachte verzoening te treffender. Deze aanknoping aan de Godheid van Christus is hier geheel op haar plaats tegenover de geringe denkwijze over Hem, die de tegenstanders mocht aankleven.
Zie de Middelaar aan: niet God buiten de mensheid en niet de mens buiten de Godheid is Middelaar, maar tussen de Godheid en de mensheid is Middelaar de mensgodheid en de Godmensheid van Christus.
"God heeft ons met Zich verzoend" betekent niet: Hij heeft de vijandschap, die wij tegen Hem koesterden, uit het hart genomen. Hij heeft ons een zin geschonken, die Hem zoekt en liefheeft. De hele samenhang bewijst, dat hiervan in het geheel geen sprake is. Immers God heeft ons daardoor met Zich verzoend (Vers 19), dat Hij ons onze zonden niet toerekende, dat Hij (Vers 21) de straf van onze zonde op Christus legde. God heeft ons met Zich verzoend betekent dus: Hij heeft ons Zijn genade opnieuw verleend. Hij is tot ons in een andere verhouding getreden; Zijn toorn heeft zich in liefde gekeerd. En dit bewees Hij daardoor, dat Hij ons de zonde, waarom Hij op ons toornig was, niet toerekende en dat kon Hij, zonder dat Zijn heiligheid werd gekrenkt door het zoenoffer van Christus voor ons. (V.).
Het is het woord van de verzoening, dat onder de nieuwe bedeling door God zelf als de grote inhoud van hun prediking in de mond van Zijn gezanten gelegd is. Dit woord maakt de nieuwe bedeling. De apostolische bediening is de bediening van de verzoening. Die de verzoening niet belijdt, belijdt het Christendom niet. Die de verzoening niet gelooft, is geen Christen. Wij mogen er bijvoegen: die voor de wereld, die voor zichzelf de behoefte aan verzoening, aan verzoening met God niet erkent, kent de wereld, kent zichzelf niet, denkt niet na als een wijze, voelt niet als een mens. De verzoening met God is iets anders dan de verzoening van de zonde. Deze heeft Christus teweeg gebracht en is tot de verzoening met God het middel. De verzoening met God is een andere voorstelling dan de verzoening van God. Deze laatste uitdrukking wordt in de Heilige Schrift niet gevonden en niet dan oneigenlijk wordt zij gebruikt voor hetgeen er tussen de heilige God en een zondige wereld tot van deze behoudenis door Jezus Christus heeft plaats gehad. De verzoening van God, de beledigde God te verzoenen, ziedaar wat de schuldige mens door allerlei middelen met vrees en hoop ten alle tijde vergeefs gezocht heeft en zal zoeken; de verzoening met God, ziedaar wat hij niet zoekt, maar vindt, als zijn ogen opengaan voor de genade van God in Christus, voor Gods grootst en liefderijkst werk door Hem. Een wereld, "die in het boze ligt", een zondig mens heeft, zonder het woord van de verzoening in de grond van het bedorven gemoed geen vrede met God. Hij moge er steeds in berusten en er zich vaak mee troosten, dat het God is, hij kan er zich geenszins in verblijden, dat Hij is, zoals hij is, zoals Hij Zich aan zijn geweten, zoals Hij Zich in Zijn Woord openbaart. De zondige mens heeft geen vrede met Gods eigenschappen. Zijn vlekkeloze heiligheid, Zijn alwetendheid, Zijn rechtvaardigheid verwekt zijn zondige natuur tot vrees. Hij heeft geen vrede met Zijn geboden. Zij zijn met al zijn vleselijke neigingen in strijd, zij tergen zijn begeerlijkheden, krenken zijn hoogmoed, bederven zijn genoegens; wrevelig, afkerig, vijandig staat zijn zondige natuur tegen hen over. Hij heeft geen vrede met Zijn wegen. Hij doorgrondt ze niet, dat vernedert hem; zij vallen hem moeilijk; dit verbittert hem; hij mort, hij klaagt, hij wantrouwt, hij twijfelt, hij beschuldigt, hij hoont en verzet. Hoe zou hij vrede hebben met God, omdat hij geen vrede hebben kan met zijn lot. Toch zou hij willen dat God vrede had met hem, toch heeft hij behoefte tegen hoop dit te hopen, blindelings het zich in te beelden. Toch zijn er ogenblikken, dat hij er alles voor zou over hebben om God te bevredigen. Maar welke werken, die woorden, welke tranen, die offers en welk boetgebaar kunnen de Allerhoogsten vrede doen hebben met gemoederen, die geen vrede hebben met Hem? Dit alles verandert, als het woord van de verzoening gehoord, als het woord van de verzoening verstaan, gelovig en dankbaar aangenomen is. De verzoening van de wereld met God. Het is de bevrediging met God, van de voor God gevreesde, van God afkerige, onder God lijdende mens. Het is de overwinning van die opstand en dat beklag, die krachtens zijn zondige natuur natuurlijk zijn aan zijn gemoed. Het is de opwekking van dat onbepaald vertrouwen, dat tot ware liefde, vrijwillige gehoorzaamheid en blijmoedige lijdzaamheid onontbeerlijk is en zonder hetwelk het onmogelijk is om God te behagen. God, de door Zijn schepsel zo zeer miskende God, God zelf is de bewerker van deze verzoening. Hij bewerkt ze door temidden van miskenning en wantrouwen, al de miskende en mistrouwde bewijzen van Zijn liefde te overtreffen door een liefdebewijs, dat, waar het gezien wordt, minder dan enig ander miskend of gewantrouwd worden kan. Hij heeft Zijn Zoon tot een verzoening voor de zonde van de gehele wereld gegeven. Hij kondigt vergeving, uitdelging, vergetelheid aller schulden af omwille van Zijn bloed. Hij wil en Hij weet het; dit zal de bevreesde een moed doen grijpen, de weerspannige vermurwen, de klager doen verstommen. dit een liefde opwekken, die de vrees buitensluit, de kracht van de zonden breekt en de wil van de beweldadigde met de wil van zijn weldoener verenigt. Maar opdat de enkele mens met God verzoend wordt, is het niet genoeg, dat God in Christus was de wereld met Zichzelf verzoenend en dat die mens dat weet. Het is nodig, dat dit weten ook zijn gehele wezen doordringt en zijn wettige invloed heeft beiden op zijn gevoel en zijn wil. En zijn zondig hart verleidt hem, dit geheel of gedeeltelijk, voor altijd of zolang mogelijk te verhinderen. De liefde van God dringt, maar dwingt hem niet. Dit zou evenzeer met haar heilige aard als met haar heilig oogmerk strijden. Kan ook een gedwongen verzoening een ware verzoening zijn? Om met God verzoend te wezen, moet de mens zich met God laten verzoenen. Dit is het, wat Gods liefde hem door haar gezanten laat bidden, maar zich vaak ziet weigeren. Hij weigert het, die geloof weigert aan het Evangelie van de genade, wiens hoogmoed zich ergert aan een onmisbare Christus en aan diens onvermijdelijk kruis; wiens zelfbedrog zich vleit, van God niets te vrees te hebben, of door eigen middelen Zijn toorn (als Hij toornen kan!) te kunnen ontwapenen, Hij weigert het die, ofschoon het woord van de verzoening niet bestrijdend, het nochtans geen ingang verleent in het heiligdom van het hart, verontreinigd heiligdom (dit erkent hij), maar welks rust hij nog niet wil verstoord zien.
De dood van Jezus werkte als zoenoffer, tevens Gods heilige vijandschap en toorn te niet doende, zodat Hij de mensen de zonden niet toerekende en ze op die wijze door een gerechtelijke daad met Zich verzoende, waarbij alleen het geloof de subjectieve voorwaarde is van de toe-eigening van de kant van de mensen; de dankbaarheid, de nieuwe moed, het heilige leven enz. zijn eerst gevolgen van de verzoening, die in geloof is toegeëigend, maar geen deel daarvan.
De zin "hun zonden hen niet toerekend" behoort meer bij "de wereld met Zich verzoende", omdat de toerekening van de zonden wegvalt, waar God de wereld tot Zichzelf in een verhouding van vrede stelt, dan wel hij "en heeft dit woord van de verzoening in ons gelegd", omdat dit handelt over een middel van God, waardoor de wereld ondervindt, dat God haar in een betrekking van de vrede tot Hem wil plaatsen, in plaats van haar de zonden toe te rekenen.
De verzoening van de wereld heeft plaats gehad door de menswording van God, en door het volbrachte Godmenselijke werk van Christus en zij openbaart haar kracht een kracht van God, door de hele tijd van de wereld tot in de eeuwigheid (Hebreeën 10:14). Tevens heeft God er liefderijk voor gezorgd, dat Zijn in Christus volbrachte daad ter zaligheid voor de gehele wereld een zegen zou kunnen worden door de prediking van de genade (Handelingen 13:26) ; op de verlossing eenmaal geschied volgt de steeds voortgaande prediking (1 Timotheus 2:6). God heeft het woord van de verzoening, het dierbaar Evangelie opgericht, vast en duurzaam gemaakt, door het te leggen in de mond van een bediening van de verzoening en de prediking van de verzoening niet over te laten aan de vrije wil en de lust van alle gelovigen om Hem te belijden en het zendingswerk te verrichten.
De Evangeliebediening is de voortgaande prediking van de door God aangeboden verzoening, de bestendige proclamering in Zijn naam van het algemeen pardon, een middelaarsambt, dat het Middelaarswerk van Christus dient en zalige verstandhouding tussen God en de mens moet herstellen.