Mattheus 5:1-2
Hier hebben wij een algemeen bericht van deze rede.
I. De Prediker was onze Heere Jezus, de Koning der Predikers, de grote Profeet Zijner kerk, die in de wereld is gekomen, om het Licht der wereld te zijn. De profeten en Johannes hebben in hun prediking deugdelijk gehandeld, maar Christus ging die allen te boven. Hij is de eeuwige Wijsheid, die in den schoot des Vaders was, eer de wereld was, en Zijn wil volkomen heeft gekend, Johannes 1:18, en Hij is het eeuwige Woord, door hetwelk Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken heeft. De vele wonderbaarlijke genezingen, door Christus gewrocht in Galilea, waarvan wij aan het einde van het vorige hoofdstuk gelezen hebben, waren bestemd om den weg te bereiden voor deze rede, en de mensen geneigd te maken lering aan te nemen van Enen, in wie zoveel Goddelijke kracht en goedheid uitblonk, en waarschijnlijk was deze rede de opsomming, of herhaling van hetgeen Hij in de synagogen van Galilea gepredikt had. Zijn tekst was: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Dit is ene leerrede over het eerste gedeelte van dien tekst, aantonende wat bekering is, het is ene reformatie van ons oordeel en onze handelingen, en Hij zegt ons waarin, in antwoord op de vraag: Waarin zullen wij wederkeren, Maleachi 3:7. Later predikte Hij over het laatste gedeelte van den tekst, toen Hij in verschillende gelijkenissen aantoonde, waaraan het koninkrijk der hemelen gelijk is, Hoofdstuk 13.
II. De plaats was een berg in Galilea. Evenals in alle andere dingen, was ook hierin onze Heere Jezus slecht voorzien van hetgeen aangenaam en geriefelijk was. Hij had gene geschikte plaats om in te prediken, evenmin als Hij ene plaats had om Zijn hoofd op neer te leggen. Terwijl de schriftgeleerden en Farizeeën Mozes' stoel hadden om op te zitten, met alle mogelijke, gemak, eer en statigheid, en er de wet verdierven, is onze Heere Jezus, de grote Leraar der waarheid, uitgedreven naar de woestijn, en vindt geen beteren kansel dan een berg kan opleveren, en het was niet eens een der heilige bergen, niet een der bergen van Zion, maar een gewone berg, waardoor Christus heeft willen aanduiden, dat er thans, onder het Evangelie, niet meer zulk ene onderscheidene heiligheid van plaats is, als er onder de wet geweest is, maar dat het de wil van God is, dat de mensen in alle plaatsen zullen bidden en prediken, overal, in alle plaatsen, mits zij betamelijk en geschikt zijn. Christus heeft deze rede gehouden, die ene uitlegging was van de wet, op een berg, omdat op een berg de wet was gegeven, en deze rede was tevens ene plechtige afkondiging van de Christelijke wet. Maar let op het verschil: toen de wet gegeven werd, kwam de Heere neer op den berg, nu klom de Heere op. Toen sprak Hij te midden van donders en bliksemen, thans in het suizen ener zachte stilte. Toen werd het volk bevolen om op een afstand te blijven, thans worden zij genodigd toe te treden, nabij te komen. Welk een gezegende verandering! Indien Gods genade en goedertierenheid Zijne heerlijkheid zijn (en dat zijn zij gewis) dan is de heerlijkheid van het Evangelie de heerlijkheid, die veel meer is, want genade en waarheid is door Jezus Christus geworden, 2 Corinthiërs 3:7, Hebreeën 12:18, enz. Het was voorzegd van Zebulon en Issaschar, twee van de stammen in Galilea, Deuteronomium 33:19, dat zij de volken tot den berg zullen roepen, tot dezen berg zijn wij geroepen om te leren offeranden der gerechtigheid te offeren. Nu was dit de Berg des Heeren waar Hij ons Zijne wegen leerde, Jesaja 2:3, Micha 4:1, 2.
III. De hoorders waren Zijne discipelen, die tot Hem kwamen, kwamen op Zijne roepstem, gelijk blijkt uit de vergelijking met Markus 3:13, Lukas 6:13. Tot hen richtte Hij Zijne rede, omdat zij Hem volgden uit liefde en om te leren, terwijl anderen slechts tot Hem kwamen om genezen te worden. Hij leerde hen, omdat zij gaarne wilden leren (Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren) omdat zij verstaan zullen wat Hij leerde, hetgeen voor anderen dwaasheid was, en omdat zij anderen moesten leren. Daarom was het nodig, dat zij zelven ene heldere en bepaalde kennis hadden van deze dingen. De plichten, voorgeschreven in deze rede, moeten nauwgezet vervuld worden door allen, die in willen gaan in dat koninkrijk der hemelen, hetwelk zij gezonden waren om op te richten, in de hoop van er het nut en voorrecht van te hebben. Maar hoewel die rede gericht was tot de discipelen, werd zij toch ook uitgesproken voor de oren der schare, want er wordt gezegd, Hoofdstuk 7:28, dat de scharen zich ontzetten. Er werden gene omheiningen gemaakt om dezen berg, om het volk af te houden, zoals om den berg Sinaï. Exodus 19:12, want door Christus hebben wij toegang tot God, niet slechts om tot Hem te spreken, maar om van Hem te horen. Ja, Hij had ook het oog op de schare met deze prediking. Toen het gerucht Zijner wonderen ene grote menigte had samengebracht, nam Hij de gelegenheid, die door zulk ene grote samenstroming van mensen geboden was, waar, om hen te onderwijzen. Het is voor een getrouw leraar ene bemoediging om het Evangelienet uit te werpen, waar zo groot ene menigte van vissen zijn, in de hoop, dat sommigen er van gevangen zullen worden. Het gezicht op een grote schare brengt leven in den prediker, dat echter ontstaan moet uit verlangen naar hun heil, niet naar zijn eigen lof.
IV. Het plechtige van Zijne rede wordt te kennen gegeven door de woorden, als Hij was neergezeten. Christus heeft dikwijls gepredikt, als de gelegenheid zich voordeed, en dan bij wijze van samenspraak: maar dit was ene gezette rede: kathisantos autou. Toen Hij zich zo geplaatst had, dat Hij het best gehoord kon worden. Hij zat neer als een Rechter, of Wetgever. Het duidt aan met welk ene bedaardheid en kalmte van gemoed de dingen Gods besproken en gehoord moeten worden. Hij zat neer, opdat de Schriften vervuld zouden worden, Maleachi 3:3, Hij zal zitten, louterende, om het schuim uit te zuiveren, de verdorven leerstellingen van de zonen van Levi. Hij zat neer als op den troon, richtende gerechtigheid, want het woord, dat Hij sprak, zal ons oordelen. Die uitdrukking: Zijn mond geopend hebbende, is slechts ene Hebreeuwse omschrijving van spreken, zoals in Job 3:1. Maar sommigen denken, dat dit het plechtige van Zijne rede te kennen geeft, het gehoor talrijk zijnde, verhief Hij Zijne stem, en sprak luider dan gewoonlijk. Lang had Hij gesproken door Zijne dienstknechten, de profeten, en opende hun' mond, Ezechiël 3:27, 24:27, 33:22, maar nu opende Hij Zijn eigen mond, en sprak met vrijmoedigheid, als machthebbende. Een der ouden merkt hierbij aan: Christus heeft veel geleerd, zonder Zijn mond te openen, dat is, door Zijn' heilig, voorbeeldig leven, ja Hij leerde, toen Hij, als een lam ter slachting geleid zijnde, Zijn' mond niet opendeed, maar nu opende Hij Zijn' mond en leerde. opdat de Schriften vervuld zouden worden, Spreuken 8:1, 2, 6. Roept de wijsheid niet -op de spits der hogeplaatsen? En de opening harer lippen zal enkel billijkheid zijn. Hij leerde hen overeenkomstig de belofte, Jesaja 54:13, Al uwe kinderen zullen van den Heere geleerd zijn, daarom had Hij de tong der geleerden, Jesaja 50:4, en den Geest des Heeren, Jesaja 61:1. Hij leerde hen wat het kwaad was, dat zij moesten verafschuwen, en wat het goed was, waarin zij moesten blijven, en waarin zij overvloedig moesten zijn, want het Christendom is gene zaak van bespiegeling, maar is bestemd om onzen gemoedsaard te regelen en den inhoud van onze gesprekken. De Evangelietijd is een tijd van verbetering, Hebreeën 9:10, en door het Evangelie moeten wij verbeterd worden, goed gemaakt worden, beter gemaakt worden. De waarheid, gelijk zij is in Jezus, is de waarheid die naar de Godzaligheid is, Titus 1:1.