Johannes 1:6-14
De evangelist wil Johannes de Doper laten optreden om een eervol getuigenis van Jezus Christus af te leggen. Eer hij dit nu doet, hebben wij in deze verzen: I, Een bericht nopens den getuige, dien hij wil laten optreden. Zijn naam was Johannes, hetgeen betekent genaderijk, zijn levenswandel was streng, maar daarom was hij niet minder begiftigd met genade. Nu wordt ons hier in het algemeen van hem gezegd:
1. Dat hij een mens was van God gezonden. Betreffende Jezus Christus had de evangelist gezegd, dat Hij bij God was, en dat Hij God was, maar van Johannes zegt hij, dat hij een mens was, een bloot mens. Het behaagt God om tot ons te spreken door mensen, zoals wij zelven zijn. Johannes was een groot man, maar hij was een mens, een mensenzoon, hij was van God gezonden, hij was Gods bode, aldus wordt hij genoemd in Maleachi 3:1. God gaf hem beide zijne zending en zijne boodschap, zijne geloofsbrieven en zijne instructies. Johannes heeft geen wonder gedaan. en wij bevinden ook niet, dat hij visioenen had, of dat hem openbaringen gedaan werden Maar de nauwgezetheid en reinheid van zijn leven en van zijne leer, en de directe strekking van beiden om de wereld te hervormen en de belangen van Gods koninkrijk bij de mensen te bevorderen, waren duidelijke blijken, dat hij van God was gezonden. Er wordt ons hier gezegd:
2. Wat zijn ambt en werk was, vers 7. Deze kwam tot een getuigenis, een ooggetuige. Hij kwam eis marturian -tot een getuigenis. De wettelijke inzettingen zijn gedurende langen tijd een getuigenis voor God geweest in de Joodse kerk. Door dezen werd de geopenbaarde Godsdienst in wezen gehouden, vandaar dat wij lezen van den tabernakel der getuigenis, de ark der getuigenis de wet en de getuigenis. Maar thans zal de goddelijke openbaring in een ander kanaal worden geleid, thans is de getuigenis van Christus de getuigenis Gods, 1 Corinthiërs 1:6 , 2:1. Onder de heidenen heeft God zich voorzeker niet onbetuigd gelaten, Handelingen 14:17, maar den Verlosser is onder hen geen getuigenis gegeven. Er heerste een diep stilzwijgen omtrent Hem totdat Johannes de Doper kwam tot ene getuigenis van Hem. Merk nu op:
a. Wat hij getuigde: Hij kwam om van het licht te getuigen. Licht is iets, dat van zichzelf getuigt, daar zijn klaarheid vanzelf blijkt, maar voor hen, die hun ogen sluiten voor het licht, is het nodig, dat er de zodanige zijn. die er getuigenis van geven. Het licht van Christus heeft der mensen getuigenis niet nodig, maar de duisternis der wereld heeft haar wèl nodig. Johannes was als de nachtwacht, die rondom de stad gaat en de nadering van het morgenlicht aankondigt aan hen, die hun ogen gesloten hebben, en niet gaarne zelven opmerken, of als de wachter, die aangesteld was, om aan hen, die hem vroegen: Wat is er van den nacht? te zeggen: De morgenstond is gekomen, en wilt gijlieden vragen, vraagt, Jesaja 21: 11, 12. Hij was van God gezonden om der wereld aan te zeggen, dat de lang verwachte Messias nu gekomen is, die een licht zou zijn tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Zijn volk Israël, en te verkondigen, dat die bedeling nu nabij was, welke het leven en de onsterflijkheid aan het licht zal brengen.
b. Het doel van zijn getuigenis: Opdat zij allen door hem geloven zouden, niet in hem, maar in Christus, wiens weg hij moest bereiden. Hij leerde de mensen om door hem op Christus te zien, en door hem tot Christus te komen, door de leer van de bekering van de zonde tot het geloof in Christus. Hij bereidde de mensen om Christus en Zijn Evangelie aan te nemen, door hen te doen ontwaken tot het besef hunner zonde, en opdat zij, hun ogen hierdoor geopend zijnde, bereid zouden zijn om de stralen van het Goddelijk licht tot zich toe te laten, hetwelk in den Persoon en de leer van den Messias hen nu ging beschijnen. Indien zij dit getuigenis van mensen slechts wilden aannemen, dan zullen zij bevinden, dat het getuigenis Gods meerder is, 1 Johannes 5:9, Johannes 10:41. Merk op, dat de bedoeling was, dat door hem allen zouden geloven, niemand uitsluitende van den weldadigen invloed zijner bediening, die er zich zelven niet van hebben buitengesloten, zoals zeer velen gedaan hebben, die den raad Gods tegen zich hebben verworpen, en aldus de genade Gods tevergeefs hebben ontvangen.
3. Wij worden hier gewaarschuwd voor de vergissing van hem te houden voor het licht, die slechts gekomen was om van het licht te getuigen, vers 8. Hij was het licht niet, dat beloofd en verwacht werd, hij was slechts gezonden om van dat grote en heersende licht te getuigen. Hij was ene ster, zoals die welke de wijzen uit het Oosten den weg naar Christus wees, maar hij was niet de Zon, niet de Bruidegom, maar een vriend des Bruidegoms, niet de Vorst, maar Zijn voorloper. Er waren er, die bij den doop van Johannes zijn blijven staan, en niet verder zagen, zoals die Efeziërs, Handelingen 19:3. Om deze vergissingen te herstellen, toont de evangelist, terwijl hij op zeer eervolle wijze van hem spreekt, evenwel, dat hij plaats moet maken voor Christus. Hij was groot als de profeet van den Allerhoogste, maar hij was de Allerhoogste niet. Wij moeten er ons evenzeer voor wachten om leraren te overschatten, als om hen te onderschatten, zij zijn onze heren niet, en zij hebben gene heerschappij over ons geloof, maar zij zijn dienaren, door wie wij geloven, bezorgers van het huis onzes Heeren. Wij moeten ons niet met onvoorwaardelijk geloof overgeven aan hun leiding, want zij zijn het licht niet, maar wij moeten acht geven op hun getuigenis en het ontvangen, want zij zijn gezonden om van het licht te getuigen, laat ons hen dan als zodanig achten en eren, maar niet anders. Indien Johannes gezegd had, dat hij het licht was, dan zou hij niet eens een getrouw getuige zijn geweest van het Licht. Zij, die zich de ere van Christus aanmatigen, verbeuren de ere van Christus' dienaren te zijn, maar Johannes was, hoewel hij het licht niet was, toch zeer nuttig aan het licht. Diegenen kunnen ons van zeer veel nut wezen, die toch slechts schijnen met een licht, dat zij aan het Licht ontleend hebben.
II. Eer hij voortgaat met Johannes' getuigenis, keert hij terug om ons nog een nader bericht te geven van dezen Jezus, van wie Johannes getuigenis gaf. Bij den aanvang van het hoofdstuk de heerlijkheid Zijner Godheid aangetoond hebbende, gaat hij er nu toe over om de genade Zijner menswording aan te tonen, benevens Zijne gunstbewijzen aan den mens als Middelaar.
1. Christus was het waarachtige Licht, vers 9, niet alsof Johannes de Doper een vals licht was, of een dwaallicht, maar, in vergelijking met Christus, was hij een zeer klein licht. Christus is het grote Licht, dat verdient aldus. genoemd te worden. Andere lichten worden slechts op figuurlijke en dubbelzinnige wijze aldus genoemd: Christus is het waarachtige licht. De bron van alle kennis en van alle vertroosting moet wel het waarachtige licht zijn. Hij is het ware licht, ten bewijze waarvan wij niet gewezen worden op de uitstraling Zijner heerlijkheid in de onzichtbare wereld (de stralen, waarmee Hij deze verlicht) maar op die stralen van Zijn licht, die naar beneden gericht zijn, en waardoor deze onze duistere wereld verlicht wordt. Maar hoe verlicht Christus een iegelijk, die in de wereld komt?
a. Door Zijn scheppende kracht verlicht Hij een iegelijk mens met het licht der rede, het leven, hetwelk het licht der mensen is, is van Hem, al de ontdekkingen en bestieringen der rede, al het genot, dat zij ons doet smaken, en al de schoonheid, waarmee zij ons versiert, zijn van Christus. b. Door de verkondiging van Zijn Evangelie aan alle volken verlicht Hij een iegelijk mens. Johannes de Doper was een licht, maar hij verlichtte slechts Jeruzalem en Judea en het gebied rondom de Jordaan, evenals een kaars, die slechts een kamer verlicht, maar Christus is het waarachtige licht, want Hij is een licht om de heidenen te verlichten. Zijn eeuwig Evangelie moet gepredikt worden aan alle natie en taal, Openbaring 14:6. Gelijk de zon, die iedere mens verlicht, die zijne ogen wil openen en haar licht wil ontvangen, Psalm 19:7, waarmee de prediking van het Evangelie wordt vergeleken, Romeinen 10:18. De Goddelijke openbaring moet thans niet meer, zoals vroeger, bepaald worden tot een enkel volk, maar verbreid worden onder alle volken, Mattheus 5:15.
c. Door de werkingen van Zijn Geest en genade verlicht Hij allen, die verlicht zijn tot zaligheid, en zij, die niet door Hem verlicht zijn, komen om in duisternis. Van de kennis der heerlijkheid Gods wordt gezegd, dat zij is in het aangezicht van Jezus Christus, en zij wordt vergeleken met het licht, dat bij den aanvang bevolen werd om uit de duisternis te schijnen, en hetwelk verlicht een iegelijk mens komende in de wereld. Welk licht een mens ook heeft, hij is het verschuldigd aan Christus, hetzij het natuurlijk of bovennatuurlijk licht is.
2. Christus was in de wereld, vers 10. Hij was in de wereld als het essentiële Woord, voor Zijne menswording, onderhoudende alle dingen, maar dit spreekt van Zijn in de wereld zijn, toen Hij onze natuur heeft aangenomen, en onder ons heeft gewoond, Hoofdstuk 16:28. Ik ben in de wereld gekomen. De Zoon des Allerhoogste was hier in deze lagere wereld, dat licht in deze duistere wereld, dat heilige in deze zondige, onreine wereld. Hij heeft het ondernomen de wereld met God te verzoenen, en daarom was Hij in de wereld, om er over te onderhandelen, en die zaak te regelen en tot stand te brengen, om voor de wereld aan Gods gerechtigheid te voldoen, en aan de wereld Gods gunst te ontdekken. Hij was in de wereld, maar niet van de wereld, en Hij juicht, als Hij kan zeggen. Ik ben niet meer in de wereld, Hoofdstuk 17:11. De grootste eer, die ooit aangedaan werd aan deze wereld, welke zo gering en onbeduidend een deel is van het heelal, bestond hierin, dat de Zone Gods eenmaal in de wereld geweest is. en gelijk het onze genegenheid moet opwekken voor de dingen, die boven zijn, dat Christus dáár is, zo moet het ons verzoenen met ons tegenwoordig verblijf in deze wereld, dat Christus eens hier geweest is. Voor een wijle was Hij in de wereld, maar daar wordt van gesproken als van iets, dat voorbij is, en zo zal ook van ons weldra gezegd worden: Zij waren in de wereld. O mochten wij, als wij niet meer hier zijn, zijn waar Christus is: Merk hier nu op:
a. Welke reden Christus had, om het meest liefdevolle en eerbiedige welkom in deze wereld te verwachten, want de wereld is door Hem gemaakt. Omdat Hij zelf de wereld gemaakt heeft, is Hij gekomen om de wereld, die verloren was, te behouden. Waarom zou Hij er zich niet om bekommeren om het licht te doen herleven, dat Hij zelf had ontstoken, een leven wederom op te wekken, dat Hij zelf had ingestort, het beeld te vernieuwen, dat oorspronkelijk door Hem zelven was ingedrukt? De wereld is door Hem gemaakt, en behoort Hem dus hulde te doen.
b. Welk koud onthaal Hij er echter vond: de wereld heeft Hem niet gekend. De grote Schepper, Regeerder en Verlosser der wereld was in de wereld, en geen of weinigen van de inwoners der wereld hebben het bespeurd. De os kent zijn bezitter, maar de dommere wereld kende Hem niet. Zij hebben Hem niet erkend, hebben Hem niet welkom geheten, omdat zij Hem niet kenden, en zij hebben Hem niet gekend, omdat Hij zich niet bekend heeft gemaakt op de wijze, zoals zij het verwachtten-in uitwendige heerlijkheid en majesteit. Zijn koninkrijk kwam niet met uiterlijk gelaat, omdat het een koninkrijk der toetsing was. Wanneer Hij komen zal als Rechter, dan zal de wereld Hem kennen.
3. Hij is gekomen tot het Zijne, vers 11, niet slechts tot de wereld, die de Zijne was, maar tot het volk van Israël, dat in bijzonderen zin, en boven alle volken, het Zijne was. Uit hen was Hij, onder hen woonde Hij, en tot hen was Hij het eerst gezonden. In dien tijd waren de Joden een laag en veracht volk, de kroon huns hoofds was afgevallen, maar in gedachtenis van het verbond van ouds, heeft Christus, hoe slecht en hoe armzalig zij ook waren, zich niet geschaamd om hen als de Zijnen te beschouwen.
Ta idia -Zijn eigen dingen, niet tous idious -Zijn eigen personen, zoals ware gelovigen genoemd worden, Hoofdstuk 13:1. De Joden waren de Zijnen, zoals iemands huis, landerijen en goederen zijne zijn, die hij gebruikt en bezit, maar gelovigen zijn de Zijnen, zoals iemands vrouw en kinderen de zijnen zijn die hij bemint en van wie hij geniet. Hij is gekomen tot het Zijne, de Zijnen, om hen te zoeken en zalig te maken, omdat zij de Zijnen waren. Hij was gezonden tot de verloren schapen van het huis Israël's, want Hij was het, wiens de schapen waren. Merk nu op:
a. Dat de grote meerderheid van hen Hem verworpen heeft, de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij had reden te verwachten, dat de Zijnen Hem welkom geheten zouden hebben, in aanmerking genomen hoe grote verplichtingen zij aan Hem hadden en hoe schoon de gelegenheden waren, die hun nu geboden werden om tot Zijne kennis te komen. Zij hadden de orakelen Gods, die hun tevoren zeiden wanneer en waar zij Hem moesten verwachten, en uit welken stam en welk geslacht Hij zou voortkomen. Hij is zelf onder hen gekomen, ingeleid door tekenen en wonderen, Hij zelf het grootste wonder, en daarom wordt van hen niet gezegd, wat van de wereld gezegd werd, vers 10, dat zij Hem niet hebben gekend, maar de Zijnen hebben Hem, ofschoon zij Hem wel moesten kennen, niet aangenomen, zij hebben Zijne leer niet aangenomen, hebben Hem niet verwelkomd als den Messias, maar hebben zich tegen Hem versterkt. De overpriesters, die in bijzonderen zin de Zijnen waren (want de Levieten waren Gods stam) stonden vooraan om Hem te smaden Dit nu was zeer onrechtvaardig, omdat zij de Zijnen waren, weshalve Hij recht had op hun eerbied, en het was zeer onvriendelijk en ondankbaar, omdat Hij tot hen is gekomen om hen te zoeken en te behouden, en aldus er naar gestreefd heeft hun eerbied te verwerven. Er zijn velen, die naar hun belijdenis Christus' eigen zijn, maar Hem toch niet aannemen, omdat zij geen afstand willen doen van hun zonden, en niet willen, dat Hij over hen zal heersen.
b. Dat er toch een overblijfsel was van personen, die Hem erkenden en Hem trouw bleven. Hoewel de Zijnen Hem niet hebben aangenomen, zijn er toch de zodanige geweest, die Hem wèl hebben aangenomen: Maar zo velen Hem aangenomen hebben. Hoewel Israël zich niet liet verzamelen, is Christus nochtans verheerlijkt geworden. Hoewel het gros van deze natie volhardde en omkwam in ongeloof, zijn er toch velen van hen er toe gebracht geworden, om zich aan Christus te onderwerpen, en ook nog vele anderen, die van dezen stal niet waren. Merk hier op de omschrijving en de eigenschap van den waren Christen. welke zijn: dat hij Christus aanneemt en in Zijn naam gelooft, het laatste verklaart het eerste. Een Christen te zijn is in waarheid te geloven in Christus' naam: het is in te stemmen met de Evangelie-ontdekking en met het Evangelievoorstel Hem betreffende. Zijn naam is het Woord Gods, de Koning der koningen, de Heere onze gerechtigheid, Jezus Zaligmaker. Nu is te geloven in Zijn naam te erkennen, dat Hij is wat deze grote namen Hem aanduiden te zijn, en er mede in te stemmen, dat Hij dit zijn zal voor ons. Geloven in Christus' naam is ook Hem aan te nemen als ene gave van God. Wij moeten Zijne leer aannemen als waar en goed, Zijne wet aannemen als rechtvaardig en heilig, Zijne aanbiedingen aannemen als vriendelijk en voordelig, en wij moeten het beeld aannemen van Zijne genade, en de indruksels Zijner liefde als het heersende beginsel van onze genegenheden en daden. De waardigheid en het voorrecht van den waren Christen zijn tweeledig: Ten eerste. Het voorrecht der aanneming, waardoor zij onder het getal van Gods kinderen geplaatst worden: dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden. Tot nu toe behoorde de aanneming alleen den Joden (Israël is Mijn eerstgeborene), maar nu zijn heidenen, door geloof in Christus, kinderen Gods, Galaten 3:26. Zij hebben macht, exousian -gezag, want niemand neemt deze macht zelf, dan hij die er door het Evangelie toe gemachtigd is. Aan hen heeft Hij het recht gegeven, aan hen heeft Hij dien voorrang geschonken. Al de heiligen hebben deze macht. Het is het onuitsprekelijk voorrecht van alle goede Christenen, dat zij kinderen Gods worden. Van nature waren zij kinderen des toorns, kinderen dezer wereld. Indien zij kinderen Gods zijn, dan zijn zij dat geworden, tot kinderen Gods gemaakt. Fiunt, non nascunter Christiani -de mensen worden niet als Christenen geboren, zij worden het gemaakt, zegt Tertullianus. Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, 1 Johannes 3:1. God noemt hen Zijne kinderen, zij noemen Hem Vader, en zij hebben recht en aanspraak op al de voorrechten van kinderen. Het voorrecht der aanneming zijn wij geheel en alleen verschuldigd aan Jezus Christus, Hij gaf die macht aan hen, die in Zijn naam geloven. God is Zijn Vader, en dus ook onze Vader, en het is krachtens onzen ondertrouw met Hem en onze vereniging met Hem, dat wij tot God in betrekking staan als tot onzen Vader. Het was in Christus, dat wij tevoren verordineerd zijn tot aanneming, van Hem ontvangen wij zowel het kenmerk als den Geest der aanneming, en Hij is de Eerstgeborene onder vele broederen. De Zoon van God is Zoon des mensen geworden, opdat de zonen en dochters der mensen de zonen en dochters des Allerhoogsten zouden worden.
Ten tweede. Het voorrecht der wedergeboorte, vers 13: welke uit God geboren zijn. Al de kinderen Gods zijn wedergeboren, allen, die zijn aangenomen, zijn wedergeboren. Deze werkelijke verandering gaat altijd gepaard met die betrekkelijke verandering. Waar God de waardigheid van kinderen verleent, schept Hij de natuur en de neiging van kinderen. De mensen kunnen dat niet als zij kinderen aannemen, adopteren. Nu hebben wij hier een bericht omtrent den oorsprong van deze nieuwe geboorte.
1. Ontkennenderwijs.
a. Zij wordt niet voortgeplant door de natuurlijke voortteling onzer ouders. Het is niet uit den bloede, noch uit den wit des vlezes, noch uit vergankelijk zaad, 1 Petrus 1:23. De mens wordt genoemd vlees en bloed, omdat hij daaruit zijn oorsprong heeft, maar wij worden niet kinderen Gods, zoals wij kinderen worden van onze natuurlijke ouders. De genade zit niet, evenals het bederf, in het bloed. De verontreinigde mens gewon een zoon naar zijne gelijkenis, Genesis 5:3, maar de geheiligde en vernieuwde mens gewint geen zoon naar die gelijkenis. De Joden roemden op hun afkomst en het edele bloed, dat in hun aderen stroomde: Wij zijn Abrahams zaad, en hunner was de aanneming, omdat zij uit dat bloed geboren waren, maar deze Nieuw-Testamentische aanneming is op geen zodanige natuurlijke betrekking gegrond.
b. Zij is niet voortgebracht door de natuurlijke kracht van onzen wil. Gelijk zij niet is uit den bloede, noch uit den wil des vlezes, zo is zij ook niet uit den wil des mans, die gebukt gaat onder het zedelijk onvermogen om zich tot het goede te bepalen, zodat het beginsel van het Goddelijk leven niet door ons geplant is, het is de genade Gods, die ons gewillig maakt om de Zijnen te wezen. Evenmin kunnen menselijke wetten of geschriften ene ziel heiligen of wedergeboren doen worden, indien zij het konden, dan zou de nieuwe geboorte uit den wil des mans zijn. Maar:
2. Bevestigender wijze: zij is uit God. Deze nieuwe geboorte zijn wij verschuldigd aan het woord Gods als het middel, 1 Petrus 1:23, en aan den Geest Gods als den groten en enigen Werker er van. Ware gelovigen zijn uit God geboren, 1 Johannes 3:9. En dit is nodig voor hun aanneming. want wij kunnen de liefde Gods niet verwachten, indien wij niet iets van Zijn beeld hebben, en geen aanspraak maken op het voorrecht der aanneming, indien wij niet onder de macht zijn der wedergeboorte. 4. Het Woord is vlees geworden, vers 14. Hierdoor wordt Christus' menswording duidelijker uitgedrukt dan door hetgeen voorafgaat. Door Zijn Goddelijke tegenwoordigheid was Hij altijd in de wereld, en door Zijn profeten is Hij tot het Zijne gekomen. Maar nu de volheid des tijds daar was, is Hij op een andere wijze uitgezonden, geworden uit ene vrouw, Galaten 4:4, God, geopenbaard in het vlees, naar het geloof en de hoop van den Godvruchtigen Job In mijn vlees zal ik God aanschouwen, Job 19:26 1). Merk hier op:
a. De menselijke natuur van Christus, waarmee Hij omsluierd was, hetgeen hier op tweeërlei wijze wordt uitgedrukt. Het Woord is vlees geworden. Overmits dan de kinderen des vlezes en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, Hebreeën 2:14. De Socinianen stemmen toe, dat Christus beide God en mens is, maar zij zeggen, dat Hij mens was, en tot God gezet was, zoals Mozes, Exodus 7:1, in lijnrechte tegenspraak met Johannes, die zegt, Theos ên, Hij was God, maar sarx egeneto -Hij is vlees geworden Vergelijk hiermede vers 1. Dat geeft te kennen. niet slechts, dat Hij wezenlijk en waarlijk mens was, maar dat Hij zich aan de ellende en rampen der menselijke natuur heeft onderworpen. Hij is vlees geworden, het geringste. het laagste bestanddeel van den mens. Vlees duidt den mens aan als zwak, en Hij is door zwakheid gekruisigd, 2 Corinthiërs 13:4. Vlees duidt den mens aan als sterflijk en stervende, Psalm 78:30, en Christus "is gedood in het vlees", 1 Petrus 3:18. Ja meer: vlees duidt den mens aan als besmet door de zonde, Genesis 6:3, en Christus is, hoewel Hij volkomen heilig en onnozel was, verschenen in gelijkheid des zondigen vlezes, Romeinen 8:3, en is zonde voor ons gemaakt, 2 Corinthiërs 5:21. Toen Adam gezondigd had, zei God tot hem: stof zijt gij, niet slechts omdat hij uit stof genomen was, maar omdat hij door de zonde in stof was verzonken. Zijn val heeft hem soomatoun tên psuchên, gans in lichaam verkeerd, als het ware, heeft hem aards gemaakt, daarom is Hij, die een vloek voor ons is geworden, vlees geworden, en heeft de zonde veroordeeld in het vlees, Romeinen 8:3. Verwonder u hierover, dat het eeuwige Woord vlees is geworden, als vlees toch zulk een slechten naam had verkregen, dat Hij, die alle dingen gemaakt heeft, zelf vlees is geworden, een der geringste, laagste dingen, en zich onderworpen heeft aan hetgeen waarboven Hij zo ver verheven was. De stem, die het Evangelie inleidde, riep: Alle vlees is gras, Jesaja 40:6, ten einde de liefde des Verlossers des te heerlijker te doen uitkomen, die, om ons te verlossen en te behouden, vlees is geworden, en verwelkt is als gras, maar het Woord des Heeren, dat vlees is geworden, blijft tot in eeuwigheid, toen Hij vlees is geworden, heeft Hij niet opgehouden het Woord Gods te zijn. Hij heeft onder ons gewoond, hier in deze lagere wereld. De natuur des mensen aangenomen hebbende, heeft Hij zich in de plaats en den toestand van andere mensen gesteld. Het Woord zou vlees hebben kunnen worden en wonen onder de engelen, maar een lichaam aangenomen hebbende, gelijk aan het onze, heeft Hij met ons ook in dezelfde wereld gewoond. Hij heeft gewoond onder ons, aardwormen, onder ons, die Hij niet nodig had, onder ons, die bedorven en verdorven waren en in opstand tegen God. De Heere God kwam en woonde zelfs bij de wederhorigen, Psalm 68:19 1). Hij, die gewoond heeft onder engelen, deze edele en voortreffelijke wezens, is gekomen en heeft gewoond onder ons, adderengebroedsels, onder ons, zondaren, hetgeen erger voor Hem was dan David's wonen in Mesach en Kedar, of Ezechiël's wonen bij schorpioenen, of het wonen der gemeente van Pergamus waar de troon des Satans is. Als wij zien op de bovenwereld, de wereld der geesten, hoe laag en verachtelijk schijnt ons dan dit vlees, dit lichaam. hetwelk wij met ons omdragen, en deze wereld, die ons is toebedeeld, en hoe moeilijk het is voor iemand met een nadenkend gemoed om er zich mede te verzoenen! Maar dat het eeuwige Woord vlees is geworden, evenals wij, met een lichaam bekleed was, evenals wij, in deze wereld heeft gewoond, dat heeft beide de wereld en het lichaam geëerd, en moet ons gewillig maken om, zo lang God een werk voor ons te doen heeft, in het vlees te blijven, want Christus heeft in deze lagere wereld gewoond. hoe slecht zij ook is, totdat Hij het werk volbracht had, dat Hij er in te doen had. Hoofdstuk 17:4. Hij heeft gewoond onder de Joden, opdat de Schrift zou vervuld worden, Zacheria 2:10. Hoewel de Joden onvriendelijk voor Hem waren, is Hij toch onder hen blijven wonen, ofschoon Hij (naar sommige oude schrijvers verhalen) door Abgarus. koning van Edessa, tot een betere behandeling was uitgenodigd, is Hij toch niet van die natie geweken. Hij heeft onder ons gewoond. Hij was in de wereld, niet als een reiziger, die slechts een nacht overblijft, maar Hij woonde onder ons, hield er een langdurig verblijf. Het oorspronkelijke woord is merkwaardig, eskênoosen en hemin -Hij woonde onder ons, Hij woonde als in een tabernakel, hetgeen te kennen geeft: Ten eerste. Dat Hij hier in zeer geringe omstandigheden heeft gewoond, zoals herders, die in tenten wonen. Hij heeft niet onder ons gewoond als in een paleis, maar als in een tent, want Hij had niet, waar Hij het hoofd zou neerleggen, en Hij was steeds op weg. Ten tweede. Dat Hij als in een militairen staat heeft geleefd. Krijgslieden verwijlen in tenten, Hij had reeds voorlang den oorlog verklaard aan het zaad der slang, en nu trekt Hij in persoon te velde, richt Zijn standaard op, slaat Zijne tent op, om den krijg voort te zetten. Ten derde. Dat Zijn verblijf onder ons niet altijddurend zou zijn. Hij woonde hier als in ene tent, niet in een huis, niet als tehuis zijnde. Door in tenten te wonen hebben de aartsvaders beleden, dat zij gasten en vreemdelingen waren op de aarde, en een beter vaderland zochten, en dat heeft ook Christus gedaan, ons een voorbeeld nalatende, Hebreeën 13:13, 14. Ten vierde. Dat, gelijk God van ouds in den tabernakel van Mozes heeft gewoond door de Shechina, tussen de cherubs, zo woont Hij thans in de menselijke natuur van Christus, dat is nu de ware Shechina, het symbool van Gods bijzondere tegenwoordigheid. En het is in en door Christus dat wij ons voor alle dingen tot God moeten wenden, en van Hem de Goddelijke orakelen verkrijgen.
b. De stralen Zijner Goddelijke heerlijkheid hebben zich echter door dit omhulsel van vlees een weg naar buiten gebaand: Wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, ene heerlijkheid als des Eengeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid. Nog is de zon de bron van licht, al is zij ook verduisterd, of achter wolken verborgen, zo was ook Christus nog het afschijnsel van Zijns Vaders heerlijkheid, zelfs toen Hij in deze lagere wereld onder ons heeft gewoond. En hoe gering de Joden nu ook over Hem dachten, toch waren er, die door den sluier heen zagen. Merk op: Wie de getuigen waren van Zijne heerlijkheid: wij, Zijne discipelen en volgelingen, die het vrijst en gemeenzaamst met Hem zijn omgegaan, wij, onder wie Hij heeft gewoond. Andere mensen ontdekken hun zwakheden aan hen, met wie zij het gemeenzaamst zijn, maar zo was het niet met Christus, zij, die het vertrouwdst met Hem waren, hebben het meest van Zijne heerlijkheid gezien. Gelijk het was met Zijne leer -de discipelen kenden er de verborgenheden van, terwijl anderen haar onder den sluier der gelijkenissen hadden, -zo was het met Zijn Persoon, zij zagen de heerlijkheid Zijner Godheid, terwijl anderen slechts het omhulsel zagen Zijner menselijke natuur. Hij openbaarde zich aan hen, en niet aan de wereld. Deze getuigen waren van een voldoend aantal, twaalf, gans ene jury van getuigen, mannen van eenvoud en oprechtheid, ver verwijderd van alles wat naar valsheid of bedrog zweemde. Welk bewijs zij er van hadden: Wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd. Zij ontleenden hun bewijs niet aan geruchten, zij zelven zijn ooggetuigen geweest van deze bewijzen, waarop zij hun getuigenis grondden, dat Hij de Zoon was des levenden Gods: Wij hebben aanschouwd. Het woord betekent een vast, blijvend zien, dat hun de gelegenheid gaf om waar te nemen. Deze apostel verklaart dit zelf: Wat wij u van het Woord des levens verklaren is "hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben'"1 Johannes 1. Wat de heerlijkheid was: de heerlijkheid als des Eengeborenen van den Vader. De heerlijkheid van het Woord, dat vlees is geworden. was zulk ene heerlijkheid als voegde aan den Eengeboren Zoon van God, en kon niet de heerlijkheid eens anderen zijn. Jezus Christus is de Eengeborene des Vaders. Gelovigen zijn kinderen Gods door de bijzondere gunst der aanneming en door de bijzondere genade der wedergeboorte. Zij zijn in zekeren zin homoiousioi -van een gelijke natuur, 2 Petrus 1:4, en zij dragen het beeld van Zijne volmaaktheden, maar Christus is homousios -van dezelfde natuur, en is het uitgedrukte beeld van Zijn Persoon, en de Zoon van God door een eeuwige generatie. De engelen zijn zonen Gods, maar tot geen hunner heeft Hij ooit gezegd, Heden heb Ik u gegenereerd, Hebreeën 1:5. Hij was duidelijk verklaard te zijn de Eengeborene des Vaders door hetgeen van Zijne heerlijkheid aanschouwd werd, toen Hij onder ons heeft gewoond. Hoewel Hij ten opzichte van uitwendige omstandigheden in de gestaltenis eens dienstknechts was, was Zijne gedaante toch, vanwege de lieflijkheid Zijner genade, als die van den vierde in den vurigen oven, gelijk de Zoon van God. Zijn Goddelijke heerlijkheid blonk uit in de heiligheid en het hemelse van Zijne leer, in Zijne wonderen, die van velen de erkenning afdwongen dat Hij de Zoon van God was, zij blonk uit in de reinheid, de goedheid en weldadigheid van geheel Zijn wandel. Gods goedheid is Zijne heerlijkheid, en Hij ging het land door goed doende, in alles sprak en handelde Hij als God, verschenen in het vlees. Wellicht had de evangelist inzonderheid het oog op de heerlijkheid van Zijne gedaanteverandering, waarvan hij een ooggetuige is geweest, 2 Petrus 1:16-18. Dat God Hem Zijn geliefden Zoon noemde, in wie Hij een welbehagen had, gaf te kennen, dat Hij de Eengeborene des Vaders is geweest, maar het volle bewijs daarvan was Zijne opstanding. Het voordeel, dat zij hiervan hadden, onder wie Hij heeft gewoond. Hij woonde onder hen vol van genade en waarheid. In den ouden tabernakel, waarin God woonde, was de wet, in dezen was genade, in dien waren typen, in dezen was waarheid. Het vleesgeworden Woord was in ieder opzicht bevoegd en bekwaam voor Zijn werk als Middelaar, want Hij was vol van genade en waarheid, de twee grote zaken, die de gevallen mens nodig had, en hierdoor, zowel als door de Goddelijke macht en majesteit, die Hij tentoonspreidde' is Hij krachtelijk bewezen te zijn de Zoon van God. Ten eerste. Hij had ene volheid van genade en waarheid voor zich zelven, Hij had den Geest zonder mate. Hij was vol van genade, ten volle welbehaaglijk aan Zijn Vader, en daarom bevoegd en geschikt om voorbede voor ons te doen, en vol van waarheid, ten volle onderricht in de dingen, die Hij moest openbaren, en daarom geschikt om ons te onderwijzen. Hij had ene volheid van kennis en ene volheid van mededogen. Ten tweede. Hij had ene volheid van genade en waarheid voor ons. Hij ontving, om te geven, en God had een welbehagen in Hem, ten einde, in Hem, een welbehagen te hebben in ons, en dit was de waarheid van de typen der wet.