Hebreeën 9:8-14
In deze verzen onderneemt de apostel ons uiteen te zetten wat de bedoeling des Heiligen Geestes was met al de instellingen van den tabernakel en van de wetsbedeling. voor zoveel plaats en eredienst aangaat. De schriften van het Oude Testament werden door God ingegeven, de heilige mannen van vroegere dagen spraken en schreven onder de leiding des Heiligen Geestes. En deze Oud Testamentische schriften zijn van groot nut en grote betekenis, niet alleen voor hen, die ze het eerst ontvingen, maar ook voor de Christenen, die zich niet behoren tevreden te stellen met het lezen van de Levitische wetten, maar ook behoren te onderzoeken wat de Heilige Geest hen daardoor wilde leren. Hier zijn verschillende dingen opgenoemd, die de Heilige Geest daardoor aan het volk beduidde en onderwees.
1. Dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had, vers 8. Dit was een les, die de Heilige Geest door deze typen gaf, de weg naar den hemel was nog niet zo helder en eenvoudig, nog niet zo bekend, onder het Oude Testament als onder het Nieuwe. Het is de eer van Christus en het Evangelie, en de gelukzaligheid van hen, die daaronder leven, dat nu het leven en de onverderflijkheid zijn aan het licht gebracht. Toen bestond die vrije toegang tot God nog niet, dien wij nu hebben, en er is plaats voor meerderen, ja zelfs voor ieder, die waarlijk gewillig is om door Christus tot God weer te keren. II, Dat de eerste tabernakel een afbeelding was voor dien tegenwoordigen tijd, vers 9. Het was een duistere bedeling en ze was slechts van korten duur, alleen bedoeld om een tijdlang de grote dingen van Christus en het Evangelie af te beelden, die op hunnen tijd zouden schijnen in vollen glans, en daardoor veroorzaken dat alle schaduwen zouden vluchten en verdwijnen, gelijk sterren voor de opgaande zon.
III. Dat geen van de gaven en slachtofferen, die geofferd werden, degenen, die den dienst pleegden, konden heiligen naar het geweten, vers 9. Dat is zij konden niet wegnemen de verlatenheid, de bezoedeling en de heerschappij der zonden, zij konden het geweten niet verlossen van de vrees voor den toorn Gods, zij konden de schulden niet uitdelgen en de twijfelingen niet oplossen van hen, die den dienst verrichtten. Iemand mocht al de verschillende wetten naleven, al de ceremoniën onderhouden, dat zijn gehele leven lang voortzetten, en toch zou hij daardoor zijn geweten niet bevredigd of geheiligd voelen. Hij kon daardoor bewaard worden voor lichamelijke en tijdelijke straffen, die tegen de overtreders gedreigd waren, maar hij kon er niet door verlost worden van zonde en hel, zoals de gelovigen door Christus worden.
IV. De Heilige Geest beduidde daarmee, dat de Oud Testamentische instellingen slechts waren rechtvaardigmakingen des vlezes, tot op den tijd der verbetering opgelegd, vers 10. Hun onvolmaaktheid bleek in drieërlei opzicht. Hun aard. Zij waren slechts uiterlijke dingen, vleselijke spijzen en dranken en verschillende wassingen. Al deze dingen waren lichamelijke oefeningen, die op zijn best het vlees konden reinigen.
2. Het was niet aan hun keus gelaten of zij ze gebruiken of nalaten wilden, maar zij waren hun opgelegd op straffe van pijnlijke en zware kastijdingen, en dat was zo ingesteld om hen te doen uitzien naar het beloofde Zaad en hen er naar te doen verlangen.
3. Zij waren niet ingesteld om blijvend te zijn, maar alleen om te duren tot den tijd der verbetering, totdat de betere dingen werkelijk geschonken werden. De tijden der Evangelies zijn en moeten zijn tijden van verbetering, van klaarder licht over alle dingen, die wij noodzakelijk moeten kennen, van groter liefde, die ons leert van niemand afkeer, maar voor ieder welwillendheid te hebben, en vreugde te smaken in hen, die Gode gelijk willen zijn in in hun wandel, van groter vrijheid van geest en spreken, en van een heiliger leven overeenkomstig de regelen van het Evangelie. Wij hebben veel groter voorrechten onder het Evangelie dan zij hadden onder de wet, en daarom moeten wij beter zijn of we zullen slechter worden. Een wandel overeenkomstig het Evangelie is een uitnemende levenswijze, niets dat dwaas, laag, ijdel of gemeen is voegt daaraan.
V. De Heilige Geest beduidt ons daardoor, dat wij nooit het rechte gebruik maken van typen, tenzij wij ze toepassen op hun antitypen, en wanneer wij dat doen zullen wij steeds duidelijk zien dat het antitype ver boven het type verheven is, en dat is de hoofdbedoeling van al wat gezegd is. En daar hij schrijft aan dezulken, die geloofden dat Christus gekomen is en dat Jezus is de Christus, zo voegt hij er zeer terecht aan toe, dat Christus oneindig hoger staat dan alle wettelijke hogepriesters, vers 11, 12, en hij licht dat overvloedig toe.
1. Christus was de hogepriester der toekomende goederen.
A. Alle goede dingen, die onder het Oude Testament komende waren en onder het Nieuwe gekomen zijn. Al de geestelijke en eeuwige zegeningen, die de heiligen der Ouden Verbonds in hun tijd en onder hun bedeling hadden, waren te danken aan den Messias, die komen zou en in wie zij geloofden. Het Oude Testament toonde in schaduwen wat komende was, het Nieuwe Testament is de vervulling van het Oude.
B. Al de goede dingen, die gekomen zijn en genoten worden in den staat des Evangelies, en die nog komen zullen, wanneer de beloften en profetieën, gedaan aan de kerk van het Evangelie, zullen vervuld worden, deze alle rusten op Christus en Zijn priesterschap, en zullen vervuld worden.
C. Alle goede dingen, die in de hemelen ons wachten, welke beide Testamenten volmaken zullen. De staat der heerlijkheid zal den staat der genade volmaken, en deze staat zal in veel hoger zin de volmaking van het Nieuwe Testament zijn dan dit de volmaking van het Oude Testament was. Alle verleden, tegenwoordige en toekomende goederen zijn gegrond in en spruiten voort uit de priesterlijke bediening van Christus.
2. Christus is een hogepriester van den meerderen en volmaakteren tabernakel, vers 11, den tabernakel niet met handen gemaakt, dat is: niet van dit maaksel, maar zijn eigen lichaam, of liever zijn menselijke natuur, ontvangen van den Heiligen Geest, die de maagd overschaduwde. Dat was een nieuw maaksel, een nieuwe wijze van bouwen, oneindig verheven boven allen aardsen bouw, zelfs den tabernakel en den tempel inbegrepen.
3. Christus, onze hogepriester, is den hemel binnen gegaan niet als hun hogepriester in het heilige der heiligen inging, met het bloed van stieren en bokken, maar met zijn eigen bloed, dat door dat van die beesten voorgesteld was, en oneindig kostbaarder was. En zulks:
D. Niet enkel voor een jaar, waardoor de onvolkomenheid van dat priesterschap aangetoond werd, dat slechts voor een jaar en dan nog zinnebeeldig vergeving van zonden kon verkrijgen. Maar onze hogepriester ging den hemel binnen eens voor altijd, en had toen niet een uitstel van een jaar, maar een eeuwige verlossing teweeg gebracht, en daarom behoeft Hij niet jaarlijks te verschijnen. In elk der typen was iets afgeschaduwd, dat op het antitype geleek, en er was iets in, waaruit bleek dat het slechts een type was en niet met het antitype gelijk stond, en daarom moet het in geen geval met het antitype op een lijn geplaatst worden. 5.. De Heilige Geest beduidde daardoor verder wat de kracht was van de Oud Testamentische offeranden, en hoe oneindig veel lager die stond dan de kracht van het bloed van Christus.
A. De kracht van het bloed der wettelijke offeranden strekte zich uit tot reiniging des vlezes, vers 13, zij bevrijdde den uitwendigen mens van ceremoniële onreinheid en van tijdelijke straf, en maakte hem zo bevoegd en geschikt voor enige uitwendige voorrechten.
B. Hij toont daardoor zeer terecht de veel grotere kracht van het bloed van Christus, vers 14. Hoe veel te meer zal het bloed van Christus enz. Merk hier op:
a. Wat het was, dat zulk een kracht aan het bloed van Christus gaf.
Ten eerste. Het was Zijne zelfsofferande aan God, de menselijke natuur op het altaar der goddelijke natuur, hij was priester, altaar en offer, Zijn goddelijke natuur diende voor de beide eerste en Zijn menselijke natuur voor het laatste, nu: zulk een priester, altaar en offer kon alleen waarlijk verzoenend zijn.
Ten tweede. Het was, dat Christus zich zelven Gode offerde door den eeuwigen Geest, niet alleen doordien de goddelijke natuur de menselijke ondersteunde maar doordien de Heilige Geest, dien Hij zonder mate had, Hem in alles hielp, en dus ook in deze grote daad van gehoorzaamheid in Zijn zelfsofferande.
Ten derde. Het was, dat Christus zich zelven Gode onstraffelijk offerde, zonder enigen smet van zonde in Zijn natuur of in Zijn leven, dat was overeenkomstig de wet voor de offers, die vereiste dat zij zonder enig gebrek zouden zijn. Merk verder op:
a. Dat de kracht van Christus' bloed zeer groot is.
Ten eerste. Het is voldoende om het geweten te reinigen van dode werken, het bereikt de ziel en het geweten zelven, de bezoedelde ziel, bezoedeld met de zonde, die een dood werk is, dat voortkomt uit den geestelijken dood en den eeuwigen dood met zich brengt. De aanraking van een dood lichaam bracht wettelijke onreinheid teweeg, de vermenging met de zonde geeft zedelijke en werkelijke onreinheid, die zich in de ziel nestelt, maar het bloed van Christus heeft de kracht om die uit te zuiveren.
Ten tweede. Het is voldoende om ons te bekwamen om den levenden God te dienen, niet alleen door de schuld uit te zuiveren, die scheiding maakt tussen God en de zondaren, maar door de ziel te heiligen en te vernieuwen door den genadigen invloed van den Heiligen Geest, welken Christus ons tot dat doel verworven heeft, heeft, opdat wij bekwaam mogen worden den levenden God te dienen.