11. Want zo, op die weg, die u voor struikelen bewaart, zal u rijkelijk toegevoegd worden, als Gods gave voor hetgeen u Hem gegeven heeft (
Vers 5), evenals die betoning van uw kant uit dankbaarheid was voor de gave van de Heere, waarmee Hij u gezegend heeft (
Vers 3), de ingang in het koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus (
2 Timotheus 4:1).
Met de woorden" benaarstig u te meer" geeft de apostel te kennen, dat hier gesproken wordt van een vermaning, reeds vroeger is gegeven, maar die hij nu door het motief uit Vers 9 te ontlenen, des te dringender herhaalt. Daarom voegt hij er ook bij "broeders! " waarmee hij de lezers samenvat als degenen, die tegenover de vroeger beschreven naam-Christenen in de gemeenschap van de ware staat van de zaligheid staan. Het "vastmaken", waarvan hij vervolgens spreekt, kan nu, wat de zaak aangaat, in niets anders bestaan dan in die werkzame ontwikkeling van een heilig Christelijk leven, zoals dat in Vers 5-7 wordt geëist. Zo deze plicht is, om de aan hen gedane goddelijke weldaden, op de door goddelijke roeping teweeg gebrachten Christelijke staat, dan des te meer nog om de waarschuwing, zoals die in Vers 9 is vervat.
Zij moeten hun "roeping en verkiezing" vastmaken. Deze is die geschiedkundige verkiezing (1 Thessalonicenzen 1:4), waardoor een mens in de gemeente van God wordt ingelijfd, door de roeping tot ingaan wordt uitgenodigd. De een staat tot de andere in verhouding als de opname tot de uitnodiging. De een is zowel als de andere de lezers ten deel geworden. Maar zij zouden die verliezen, als zij zich in tegenspraak stelden met hetgeen hun daarmee ten deel is geworden en dat zouden zij doen, als zij zich niet toelegden op de deugden, die het geloof in zich sluit, maar de reiniging van de vorige zonden vergaten, waartoe zij geroepen en waartoe zij verkoren waren. Hij, die blind is en van verre niet ziet, ziet alleen het meest nabij zijnde, dit, dat hij een lid van de gemeente is en vergenoegt er zich mee, dat hij het is, zo moeten zij echter niet doen, maar zich benaarstigen dat zij bij hun roeping en verkiezing blijven. Door hun pogingen zullen zij werkelijk bereiken, dat hun roeping en verkiezing vast blijven staan, omdat zij op de weg, waarop zij gebracht zijn, nooit struikelen of verongelukken, integendeel zal hun verrichten van datgene, waartoe hij te voren vermaand heeft, om bij het geloof deugd enz. te voegen, dit ten gevolge hebben, dat hun de ingang daarheen, waar onze Heere en Heiland Jezus Christus Koning is, rijkelijk toegevoegd wordt.
Zoals men de beide vleugels van een huisdeur opent, als een welkom gast met talrijk gevolg aankomt, zo zullen rijkelijk ingang in de zaal van de hemel verkrijgen, die daar aankomen met het gevolg van ware werken van het geloof (Openbaring 4:13); en de Heere, die het beloofde rijk aan de gezegende erfgenamen geeft (Mattheus 25:34 v.), zal hen als ware erfgenamen, namelijk als Zijn mede-erfgenamen erkennen uit de werken, die zij in geloof aan Hem hebben gedaan.
In de late avond van zijn leven, terwijl hij reeds de aflegging van zijn aardse tabernakel verbeidt, neemt Simeon Petrus nog eenmaal de schrijfstift in handen, om hen, die met hem even dierbaar geloven ontvingen, te wapenen tegen zware verzoeking, zoals hij in zijn eerste brief hen getroost had onder bange beproeving. Met een warm gemoed bidt hij genade en vrede hun toe, bepaaldelijk door de kennis van God en de Heere, waarop in tegenstelling met de valselijk genoemde wetenschap van zijn dagen, door de apostel in dit schrijven vooral een hoge waarde gelegd wordt. Maar is het niet, of reeds het noemen van de naam van de gezegende Verlosser voldoende is om met zijn hart ook zijn pen in beweging te brengen? Als een brede, prachtige stroom ruist zijn vermaning al meteen onophoudelijk voort, met een veelheid en volheid van zaken, die ons reeds meteen de betuiging ontlokt: nee, hier spreekt geen onbekende bedrieger, maar wel echt de apostel van de hoop! Hij somt eerst (Vers 3, 4) de onschatbare voorrechten, dan (Vers 5-7) de dure verplichtingen van de gelovigen op en laat eindelijk (Vers 11) verschillende redenen wegen, die hen aansporen moeten om daaraan met stipte trouw te voldoen. En daarbij horen wij nu het zinrijke woord: daarom, broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken. Het is hier de énige plaats in beide brieven, dat hij zijn lezers bepaald als broeders begroet; een uitdrukking van de gemeenschap van de liefde, te passender, omdat hij hen hier kennelijk plaatst tegenover de diep verblinden, in Vers 9 vermeld. Wel verre van dat noodlottig dwaalspoor te volgen, moesten de levende leden van het lichaam veel meer zich beijveren om hun roeping en verkiezing vast te maken. Roeping is hier niet de zuiver uitwendige roeping, die door het Evangelie tot allen zonder onderscheid komt, maar die inwendige, die met gezegende uitslag bekroond en door hun gelovige toetreding tot Christus bezegeld was. In gelijke zin herinnert hij elders, hoe God hen geroepen (d. i. niet slechts genodigd, waar ook werkelijk overgebracht) had uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht). Hun verkiezing tot de zaligheid van de verlosten was daarmee natuurlijk en noodwendig gepaard en wat het nu betekenen mag deze roeping en verkiezing meer, dan tot dusverre, vast te maken? Het heeft nauwelijks aanwijzing nodig, dat hier volstrekt aan geen vastmaken van de zijde van God valt te denken. Zoals Zijne genadegiften geheel ongehouden zijn, zo is ook Zijn roeping volstrekt onberouwelijk; niet op grond van hun vooruit gezien geloof of bekering, maar uit vrije genade had Hij reeds vóór de grondlegging van de wereld hen voorgekend en in Jezus Christus hen liefgehad met een eeuwige liefde. Maar nu kwam het erop aan, om hetgeen van Gods kant, voorwerpelijk, reeds vast was en vast bleef, ook van hun kant, onderwerpelijk, steeds vaster te maken, om van hetgeen op zichzelf volkomen zekerheid had nu ook voor zichzelf steeds verzekerd te worden; om in één woord niet slechts een flauwe, onbestemde, onbestendige, maar een vaste levende, heldere hoop van het eeuwige leven te kweken. Maar hoe nu het zover gebracht, dat dit veilig standpunt bereikt werd? Dat duidt de apostel aan in wat hij meteen laat volgen: Want dit doende, zult u nimmermeer struikelen. Met "dit" bedoelt hij niets anders dan deze dingen, waarop hij reeds (Vers 8, 9) gewezen had en daar wijst hij duidelijk op die gezindheden en plichten terug, die hij (Vers 5-7) met zoveel warmte had aangeprezen. Deze in zich aan te kweken, in beoefening te brengen, voor aller ogen ten toon te spreiden, ziedaar zo, volgens Petrus, de weg om voor zichzelf zijn roeping en verkiezing tot zaligheid vast te maken; d. i. om voor zichzelf daarvan ten volle verzekerd te zijn. Het blijkt daarom, dat sommige oude handschriften recht hadden, waar zij er volgens onze kanttekenaars bijvoegden: vast te maken door de goede werken. "Als deze dingen bij u zijn", schrijft Petrus, "en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet leeg en onvruchtbaar laten, niet leeg voor uzelf, niet onvruchtbaar voor anderen in de kennis van onze Heere Jezus Christus. " Maar als daarom deze dingen niet in u zijn, wat staat u anders te vrezen, dan dat dus ook uw kennis van Christus al een zeer ijdele en een zeer onvruchtbare blijken zal. Een groot gevaar, u voelt het en toch wie ziet niet dadelijk in, dat het wezenlijk is, en alleen kan ontweken worden op de weg van levend geloof? Maar welaan, stel u dan een Christen voor, aan wie het hier geschetst karakter ontbreekt en oordeel zelf: welke waarde moet de Kennen van de harten aan zo'n Christendom hechten? Een Christendom zonder kennis een kandelaar, maar waarop geen licht is ontstoken. Een Christen zonder matigheid een speelbal van iedere lust. Een Christen zonder volharding een soldaat, die zijn vaandel verlaat. Een Christen zonder liefde een hemel zonder zon. Zo zou ik kunnen voortgaan en bij iedere trek van het beeld mogen vragen: neem het weg en wat blijft er dan van het levend Christendom over; welke kracht heeft zo'n dood geloof tot vertroosting voor uzelf, tot overwinning van de wereld, tot verheerlijking van God en de Heere? Immers niet in woorden, maar in kracht bestaat het koninkrijk van God en geen dorre droom, die het hof van de Heere kan sieren. Al kon u roemen in het geloof en juichen in hoop, voorwaar, voorwaar zeg ik u, zo niet deze dingen bij u zijn en in u overvloedig bevonden worden, het was even goed voor uzelf en de wereld, als u de Christus nooit gekend had. Wat zeg ik, u heeft Hem niet echt gekend; want Hem te kennen en in de zonde te leven, hoe zou dat mogelijk zijn? Op nog een ander gevaar maakt de apostel ons opmerkzaam, dat alleen langs de aangewezen weg voor goed ontweken kan worden. "Want bij wie deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging van zijn vorige zonden. " Ach, hoe beschrijf ik u het beeld van de man, wiens jammer in dat woord is betekend! Nee, Petrus heeft op geen dienaar van de wereld het oog, die nog nooit gesmaakt heeft, dat de Heere goedertieren is. Een mens bedoelt hij, die eens verlicht is geweest en de Heilige Geest had ontvangen, maar nu afvallig wordt en door moedwillige zonde de Christus andermaal kruisigt. Ach, zo nabij kan men schijnen aan het koninkrijk van God, zonder nog daar te zijn binnengegaan; zoveel kan er bij een zondaar plaats gehad hebben op het gebied van het verstand, van het gevoel, van de verbeelding, van de consciëntie wellicht, zonder dat nog de wil, waarop alles aankomt, echt gebogen is geworden. Dan roemde men in het kruis van de Heere, maar zonder van de wereld echt gekruisigd te wezen, dan knielde men aan de voeten van de goede Meester, maar zonder Zijn juk op de schouders te nemen. Maar hoe treurig is nu ook van lieverlede de toestand geworden van hem, voor wie de getuigenis geldt, dat eigenlijk "bij hem deze dingen niet zijn. " De ongelukkige, hij is blind, zegt Petrus, voor zijn hoogste belangen en de heilige roeping van de Christen. Van verre niet ziende, wel ontdekkend wat hem naast voor de voet ligt, maar niet wat verder staat en hoger ligt, boven alles verdient nagejaagd en gegrepen te worden. Ja, hij heeft vergeten, o gruwzaam vergrijp, de reiniging van zijn vorige zonden, die hij op de ootmoedige belijdenis van zijn geloof bij zijn doop heeft ontvangen. Weer in de besmetting van de wereld gewikkeld en van haar overwonnen geworden, heeft hij zich afgekeerd van het heilig gebod, dat hem was overgelever geworden en het laatste van die mens dreigt erger dan het eerste te zijn. Kan het anders, of het uitzicht, waarin hij zich eerst had verblijd, begint in duisternis onder te gaan en eerst meer dan half op weg naar de hemel, mist hij eindelijk alle troost en alle hoop voor de eeuwigheid, omdat zijn eigen hart hem veroordeelt? Arme stakker, die zoveel regen en zonneschijn tevergeefs ontvangen en slechts distels voortgebracht heeft, welk einde kan u wachten, dan de welverdiende verbranding! Deerniswaardige schepeling, weleer zo nabij aan de haven en nog weer in de baren terug geslingerd, wie behoedt u nu voor vergaan! Christenen, tot zo dure prijs gekocht en zo heerlijke hoop geroepen, wilt u dat oordeel ontwijken? Hoor dan de vermaning van Petrus: benaarstig u om door een heilige wandel uw roeping en verkiezing vast en steeds vaster te maken; zo en zo alleen, zult u eindelijk nimmermeer struikelen! Nimmermeer struikelen, dat woord brengt ons reeds tot de beschouwing van wat u verwachten mag op de weg, die Petrus u wijst. Dit doende zult u nimmermeer struikelen. Hoe, is dan het woord van Jakobus geen waarheid meer: wij struikelen allen in velen. Ongetwijfeld, maar er is onderscheid tussen struikelen en struikelen en hier bedoelt de Apostel een misstap, die met een dodelijk vallen gelijk staat. Zie, daarvoor zal de eeuwig Getrouwe ons hoeden, als Hij in ons hart het biddend voornemen leest, om echt op Zijn wegen te gaan. Ja, als wij uitsluitend aan onszelf waren overgelaten, wij hadden geen enkele waarborg, dat hij, die heden wellicht een benijdenswaardige hoogte besteeg, niet morgen kon neerstorten in een ijzingwekkende diepte. Maar in de kracht van God wordt de Christen door het geloof bewaard tot de zaligheid, die geopenbaard staat te worden en de goede Herder belooft niet slechts, maar schenkt het eeuwige leven aan de schapen, die Zijn liefdestem horen. Struikelen wij ook op de baan, die wij kozen, ach, deden wij het dagelijks minder een meewarige hand richt ons op en Hij, die tot Zijn hemels rijk ons bewaart, zal van alle boze werk ons verlossen. Niettegenstaande, ja zelfs door onze struikelingen, telkens met diepe ootmoed beleden, brengt Hij ons op de hemelweg al verder en verder, "en zo", voorspelt de Apostel ten slotte "zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus", in het rijk van Zijn heerlijkheid daar, zoals zij reeds hier beneden tot het rijk van de genade behoorden. Maar hoe, Petrus, heeft u niet zelf in uw eerste brief ons geleerd, dat de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt? Alsof het beiden niet even waarachtig was: nauwelijks aan de zijde van de mensen, ruimschoots aan de zijde van God. Niet dat de verloste een steeds ruimere ingang verdienen zou, naarmate hij hier godzaliger leefde. Waar is de roem? Hij is uitgesloten, niet slechts aan de aanvang, maar nog aan het einde van de weg van het behoud. Recht op de hemel heeft de zondaar alleen door Gods genade in Christus, maar vatbaarheid voor de hemel, hoe zou zij daar zijn te vinden, waar het hier getekend bestaan ten enenmale ontbreekt? Immers daar kan niets inkomen, wat verontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt. Zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien. Maar werd zij de lust van ons hart, hoor wat Petrus belooft en laat daar binnen een heilige eerzucht ontbranden! Wij kunnen niet slechts de zaligheid van de verloste zondaars, maar de heerlijkheid van de gekroonde strijders deelachtig worden; van de verschillende trappen van de zaligheid is zelfs de hoogste langs de weg van de heiligmaking bereikbaar en de zevenvoudige vrucht, hier geëist, zij wordt uit loutere genade met zeventig maal zeven van deze vreugde vergolden. Zoals u de vleugeldeuren van uw feestzaal zo wijd mogelijk openslaat, om een welkome gast te onthalen; zoals een overwinnend leger in de hoofdstad niet slechts toegelaten wordt, maar met blijde verrukking ontvangen, zo blinkt daar de kroon van de verlosten te hoger, naarmate zij de gekruisigde en verheerlijkte Heer te meer gelijkvormig zijn geworden. O zalig, driewerf zalig, die zich niet slechts binnengelaten, maar een ruime ingang bereid en een plaats van eer ziet aangewezen! Christen, wie van u wil niet ten bloede toe strijden, om zo'n kroon te ontvangen? (VAN OOSTERZEE).
b. Vers 12-21. In de vorige afdeling heeft de apostel zich over de hoofdinhoud van deze tweede brief verklaard als in een inleiding. In deze tweede gaat hij voort met te motiveren, waarom hij het voor aangewezen hield, juist deze dingen zijn lezers voor te houden, alhoewel zij degenen zijn, die bewust zijn van de noodzakelijkheid, dat die genadestaat wordt bevestigd door heilige inspanning om deel te hebben aan de volmaking en ook reeds in de waarheid bevestigd zijn geworden. Hij weet, dat hij eens snel en zonder vele voortekenen de tabernakel van zijn lichaam zal moeten afleggen en daarom moet hij het nog, terwijl het tijd is, doen, als hij hen door herinnering wil opwekken. Hij stelt er groot belang in, dat zij ook na zijn sterven iets van hem in handen hebben, waardoor zij aan hem zullen worden herinnerd (Vers 12-15). Die vermanende zorg van de apostel voor zijn lezers heeft tot veronderstelling de vaste verzekerdheid, die hij met zijn ambtgenoten heeft, van de kracht en de toekomst van Jezus Christus, die zij aan hen, die door hun dienst tot Christus bekeerd zijn, hebben bekend gemaakt. Zij hebben zelf Zijn heerlijkheid gezien en zelf Gods stem over Hem vernomen op de berg van de verheerlijking. Daardoor is hun het profetische woord van het Oude Testament nog veel vaster geworden dan het reeds op zichzelf was en dit moet nu voor de Christenen hun licht zijn op de duistere plaats, waarop zij in dit leven op de wereld tot de tijd van de terugkomt van Christus zich nog bevinden, maar volgens een uitlegging, die niet aan de hand wordt gedaan door de geest van de mens zelf, maar door de Geest van God, die ook zelf de profetie heeft voortgebracht (Vers 16-21).