Genesis 6:3
Dit wordt hier vermeld als een teken van Gods misnoegen op hen, die vreemde vrouwen hadden gehuwd, Hij dreigt Zijn Geest hun te ontnemen, die Hem hadden gegriefd door huwelijken, welke zo tegenstrijdig waren met hun overtuiging. Vleselijke lusten worden dikwijls gestraft met geestelijke oordelen, die van alle oordelen de zwaarste zijn. Of:
Als nog een oorzaak van de grote goddeloosheid van de oude wereld. De Geest des Heeren getergd zijnde door hun weerstaan van Zijn bewegingen, liet af van met hen te twisten, en toen ging weldra alle Godsdienst onder hen verloren. Hiervoor waarschuwt Hij hen van tevoren, opdat zij Zijn Geest niet langer smart zouden aandoen, maar Hem door hun gebeden zouden bewegen om met hen te blijven. Let in dit vers:
1. Op Gods besluit om niet altijd door Zijn Geest met de mens te twisten. Toen heeft de Geest door Noach's prediking getwist, 1 Petrus 3:19, 20, en door innerlijke bestraffing van het geweten, maar voor de meesten hunner was het tevergeefs. Daarom zegt God, dat Hij niet altijd zal twisten.
Merk op:
a. De gezegende Geest strijdt met de zondaren door de overtuiging en bestraffing van het geweten, ten einde hen van de zonde tot God te bekeren.
b. Als de Geest weerstaan, uitgeblust wordt dan zal Hij wèl lang, maar niet altijd twisten. Hosea 4:17.
c. Diegenen rijpen snel voor het verderf, met wie de Geest heeft afgelaten van te twisten.
2. De reden van dat besluit: dewijl hij ook vlees is, dat is: ongeneeslijk bedorven, vleselijk en zinnelijk, zodat het verloren moeite is om met hem te strijden. Kan de Moorman zijn huid veranderen? Hij ook, dat is: allen, de een, zowel als de ander, allen zijn in het slijk van het vlees verzonken. Het is de verdorven natuur en de neiging van de ziel tot het vlees, die het strijden weerstaan van de Geest, en het zonder uitwerking doen blijven. Als de zondaar gedurende lange tijd dat belang heeft gediend, en het met het vlees heeft gehouden tegen de Geest, dan onttrekt de Geest rechtvaardig Zijn werking en twist niet meer. Niemand verliest het twisten van de Geest, dan zij die het verbeurd hebben.
3. Desniettemin wordt hun uitstel verleend doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. Zolang zal Ik het oordeel uitstellen, dat zij verdiend hebben, en hun nog tijd geven om het te voorkomen door berouw en bekering. De gerechtigheid zei: Houw hen af, maar de goedertierenheid trad tussenbeide en bad: Heere, laat hen ook nog dit jaar, en de goedertierenheid heeft in zoverre overmocht, dat een uitstel van honderd twintig jaren was verkregen. De tijd van Gods geduld en lankmoedigheid jegens tergende zondaren is soms zeer lang maar niet onbeperkt. Een uitstel is nog geen kwijtschelding, hoewel God lang verdraagt, zal Hij toch niet altijd verdragen.