6. a) Want daartoe, dat allen naar hun toestand kunnen geoordeeld worden ja, volgens hetgeen in
Hoofdstuk 3:19 werd gezegd, ook de doden in de onderwereld
Job 7:9 het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel geoordeeld zouden worden naar de mens in het vlees, het algemeen, menselijk oordeel van een prooi te zijn van de lichamelijke dood nog verder zouden verdragen, maar door gelovig aannemen van de ook nog aan hen gebrachte boodschap van de zaligheid (
Romeinen 8:10) leven zouden naar God in de geest, tot aan de openbaring van Christus zich in een toestand zouden bevinden, aan de Zijnen gelijk, omdat Hij na Zijn doding naar het vlees meteen levend werd gemaakt naar de geest (
Hoofdstuk 3:18).
a) Johannes 5:25
Dat is, schrijft Luther, een vreemde, wonderlijke tekst: de woorden zeggen duidelijk, dat niet alleen de levenden het Evangelie gepredikt is, maar ook de doden en toch voegt Petrus erbij, dat zij geoordeeld zijn naar de mens in het vlees. Nu hebben zij toch geen vlees; daarom kan het niet anders worden opgevat dan van levenden het is een wonderlijke rede; of de tekst zuiver tot ons is gekomen, of er iets uitgevallen is, ik weet het niet. Luther heeft zich die moeilijkheid daardoor op de hals gehaald, dat hij de woorden "opdat zij wel geoordeeld zouden worden naar de mens in het vlees", opgevat heeft als een woord van iets, dat aan hen zal worden volbracht, nadat de prediking van het Evangelie tot hen gekomen is, terwijl zij zien op die toestand, waarin zij zich reeds bevinden op die tijd en op die plaats, waar het Evangelie hun gepredikt wordt. Zij zijn, zoals te voren is gezegd, doden; zij hebben dus naar de wijze van de mensen, zoals er staat, d. i. op de wijze, als tot alle mensen, tot wie de dood is doorgegaan, omdat zij allen gezondigd hebben, reeds een oordeel van God ondervonden en dit oordeel wordt bij hen niet opgeheven, ook als zij het Evangelie in geloof aannemen, zodat met hen iets dergelijks plaats zou hebben, als met de heiligen in Mattheus 27:52 Zij blijven de in het vlees geoordeelden ina crinwsi men cata anyrwpouv sarci. In dit opzicht heeft er echter een verandering met hen plaats. Zij gaan uit de klasse van de boosdoeners, die, in onderscheiding van het gewone sterven van de mensen (Numeri 16:29) door een buitengewoon oordeel van de aarde verdelgd zijn (Mattheus 24:39) en van de geesten, die voor het gericht van de verdoemenis in de gevangenis worden bewaard (Hoofdstuk 3:19). Zij gaan over in de klasse van de gelovigen, die eveneens de bezoldiging van de zonde naar de wijze van de mensen ontvangen, maar daarmee slechts ontslapen (1 Corinthiërs 15:6, 18) en met deze voortaan degenen zijn, die "leven naar God. " Dit "naar God of voor God leven" herinnert aan het woord van de Heere in Lukas 20:38 : "God is geen God van de doden, maar van de levenden; want zij leven Hem allen. " Wat nu Christus daarmee bedoelt, is, wat de zaak aangaat, hetzelfde wat de apostel op onze plaats zegt met de uitdrukking "naar God" of "naar de wijze van God leven. " zoals v. zeer juist opmerkt een aanvulling, tot die over Christus' neerdalen ter helle in Hoofdst 3:19, Zij doen dat in drievoudig opzicht: 1) stellen zij buiten twijfel, dat het "prediken aan de geesten in de gevangenis" een prediking aanduidt met het doel, om uit het gericht te redden; 2) geven zij te kennen, dat zo'n prediking niet zonder gevolg is gebleven. En welke verandering in de toestand van die doden gekomen is, bij wie zij, gunstige uitwerking heeft gehad; 3) wijzen zij in verband met Vers 5 aan, waarin zo'n verkondiging ook aan de doden en voorlopig reeds geoordeelden noodzakelijk was, daarom namelijk, omdat Christus bij Zijn terugkomst eens alle mensen zonder uitzondering, de levenden en de doden en onder deze ook hen, die lang vóór Hem op aarde leefden, of in hun leven hier beneden niets van Hem gehoord hebben, oordelen zal naar hun verhouding tot Hem, die de Mensenzoon is, maar zo'n gericht niet mogelijk was, als niet te voren ieder, dus ook de doden tot geloof waren genodigd (Handelingen 17:31). In de oude kerk heeft men nu ook de hier gegeven opvatting van de plaats veelal gedeeld. Zo schrijft Johannes Damascenus (in de 8ste eeuw na Chr.) bijvoorbeeld: "De verheerlijkte ziel van Christus daalt in de Hades neer, opdat, zoals hun, die op aarde zijn, de Zon van de gerechtigheid was opgegaan, zo ook hun, die onder de aarde in duisternis en schaduw van de dood gezeten waren, het licht zou schijnen; opdat, zoals Hij degenen, die op aarde zijn, de vrede verkondigde, de gevangenen losmaking en de blinden het gezicht en zoals Hij de gelovigen een oorzaak van eeuwige zaligheid werd, maar de ongehoorzamen van ongeloof overtuigde, Hij zo ook hun, die in de Hades waren, zou doen; opdat voor Hem alle knieën van hen, die in de hemel en op aarde en onder de aarde zijn, zich zouden buigen en Hij zo, na de losmaking van de reeds zo lang gebondenen weer uit de dood zou verrijzen en ons de weg zou banen tot de opstanding. " Met deze opvatting van de geloofswaarheden is reeds in de oude kerk, vooral in de Rooms-Katholieke, een dubbel misbruik ontstaan: het een was de leer van het vagevuur, dat alle zielen na de dood zouden moeten doorgaan, maar dat men door het doen van goede werken in dit leven, door gaven aan de kerk en door voorbiddende zielmissen voor zich en anderen zou kunnen verkorten, of ten minste verzachten. Het andere was de leer van de terechtbrenging aller dingen, van de redding en zaligmaking ook van de goddelozen en ongelovigen, ja van de duivel zelf en van zijn engelen. Daarom zijn vele verlichte leraars van de kerk tegen die geloofswaarheden als zeer bedenkelijk en gevaarlijk ingenomen geworden en om daaraan de schriftuurlijke grond af te snijden, heeft men, evenals de plaats Hoofdstuk 3:18, zo ook ons vers op zo'n wijze uitgelegd, dat er een zin van komt, die met een juiste lezing van de woorden niet overeenkomt. Een gevolg daarvan is, dat in de verklaringen van de Lutherse Katechimus het "neergedaald ter helle" zo wordt uitgelegd, dat Christus voor Zijn opstanding Zich aan de boze geesten en veroordeelden als een triomferend Vorst levend heeft vertoond, waarbij men dan aan het woord "hel" een betekenis hecht, die het in deze zin niet heeft (descendit ad inferos vgl. Efeze 4:9), de plaats dus eigenlijk niet uitlegt, maar er een andere gedachte voor in de plaats stelt.
Aan hen, die belasterd en onrechtvaardig veroordeeld, hun deugd met hun leven moesten boeten: zoals de profeten van het Oude en de eerste martelaren van het Nieuwe Verbond. In de samenhang kan nauwelijks enige andere dan deze de zin van de woorden zijn: men lastert u en houdt u voor snode huichelaars; in het goddelijke gericht zal over die lastertaal uitspraak gedaan worden; aldus belasterd, hebben velen door rechterlijk vonnis het leven moeten verliezen; maar zij wisten te voren, dat zij, hoezeer aldus ter dood veroordeeld, in het goddelijke gericht het eeuwige leven waardig geoordeeld zouden worden.