Genesis 6:4-5
Wij hebben hier een nader bericht van het bederf van de oude wereld. Als Gods zonen de dochteren van de mensen hadden gehuwd, heeft dit God wel zeer mishaagd, maar Hij heeft hen toch niet terstond afgesneden, maar gewacht om te zien, wat het gevolg zou wezen van die huwelijken, en naar welke zijde de kinderen zouden gaan, en het bleek (zoals dit gewoonlijk gaat) dat zij naar de slechtsten aardden. Hier is:
I. De verzoeking, waarin zij waren om te verdrukken en geweldenarijen te bedrijven. Zij waren reuzen, en zij waren mannen van naam. Zij werden allen te sterk, die om hen heen waren, en deden allen voor zich buigen.
1. Door hun grootte, zoals de kinderen Enaks, Numeri 13:33, en
2. Door hun grote naam, zoals de koning van Assyrië, Jesaja 37:11. Hierdoor werden zij een schrik in het land van de levenden, en aldus gewapend, hebben zij het recht van al hun naburen gehoond, en al wat heilig en rechtvaardig is met voeten getreden. Zij, die zoveel macht hebben over anderen, dat zij instaat zijn hen te verdrukken, hebben zelden zoveel macht over zichzelf om niet te verdrukken, grote macht is voor velen een grote strik. Dit ontaarde geslacht minachtte de eer, die hun voorouders hadden verkregen door deugd en Godsdienst, zij maakten zich een groter naam door hetgeen het voortdurend verderf was van hun goede naam.
II. De beschuldiging, welke tegen hen ingebracht en bewezen werd, vers 5. Het overgelegde bewijs was onbetwistbaar. God zag het en dat komt in plaats van duizend getuigen. God ziet al de boosheid onder de kinderen van de mensen, zij kan thans niet voor Hem verborgen worden, en zo men er zich niet van bekeert, zal zij weldra ook niet door Hem verborgen worden. Wat nu was het, dat God heeft gezien?
1. Hij zag al de stromen van zonde, die in van de mensen leven vloeiden, de breedte en diepte van deze stromen, Hij zag dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde. Let op het verband tussen dit en hetgeen voorafgaat: de verdrukkers waren de geweldigen, de mannen van naam, en toen zag God dat de boosheid des mensen groot was. De boosheid van een volk is voorwaar zeer groot, als de meest-openbare zondaren mannen van naam onder hen zijn. De dingen zijn slecht, als slechte mensen niet slechts geëerd zijn niettegenstaande hun boosheid, maar juist om hun boosheid, en de snoodste lieden aldus vereerd en hoog geroemd worden, de boosheid is groot, als grote mannen boos zijn. Hun boosheid was groot, dat is: aan alle plaatsen werden door allerlei soort van mensen zeer vele zonden bedreven, zonden, die naar haar aard grof, aanstotelijk, hoogmisdadig zijn, bedreven op de meest vermetele wijze, in trotsering van de hemel, en zij, die de macht in handen hadden, deden niets om ze tegen te gaan of te straffen. Dit zag God. Al de zonden van de zondaren zijn aan God, de Rechter bekend. Zij, die het meest met de wereld bekend zijn, zien er wel veel boosheid in, maar zien toch slechts weinig van hetgeen is, maar God ziet alles, en oordeelt er recht over ten opzichte van haar grootte, het menigvuldige er van, en Hij kan zich niet vergissen in Zijn oordeel
2. Hij zag de bron van de zonde, die in het hart van de mensen was. Iedereen kon zien, dat de boosheid des mensen groot was, want zij spraken hun zonde vrijuit, gelijk Sodom, maar Gods oog zag verder: Hij zag dat al het gedichtsel van de gedachten zijns harten te allen dage alleen boos was. Een treurig gezicht, dat zeer beledigend was voor Gods heilig oog! Dat was de bittere wortel, de verdorven fontein. Al het geweld en de verdrukking, al de weelde en wellust, die in de wereld waren, kwamen voort uit de verdorvenheid van de natuur. De begeerlijkheid had ze ontvangen, Johannes 1:15, zie Mattheus 15:19.
a. Het hart was ondeugend, het was arglistig, meer dan enig ding, de beginselen waren verdorven, de gewoonten en neigingen slecht.
b. De gedachten des harten waren dit. De gedachte wordt soms genomen voor het gevestigd oordeel, of de mening, en zij was vooringenomen en misleid. Soms wordt dit woord gedachte genomen voor de werkingen van de verbeelding, en die waren altijd of ijdel, òf laag, òf spinnenwebben wevende, of basiliscuseieren uitbroedende.
c. Het gedichtsel des harten was dit, dat is: hun plannen en voornemens waren slecht. Zij hebben niet door zorgeloosheid of onachtzaamheid kwaad bedreven, zoals zij, die maar op goed geluk af leven en geen acht geven op hetgeen zij doen, maar zij deden kwaad met voorbedachten rade, bedenkende hoe zij kwaad zouden doen. Het was boos voorwaar, want het was alleen boos, voortdurend boos, en al het gedichtsel van de gedachten was dit. Er was geen goed in hen te vinden, neen, nooit! De stroom van de zonde was vol, en sterk, en standvastig, en God zag het. Zie Psalm 14:1-3.