25. Maar het woord van de Heere blijft in de eeuwigheid (Vgl.
Jakobus 1:10 v.). En dit, wat hier met het "Woord van de Heere" bedoeld is, is niet zozeer het woord van de Oud-Testamentische wet (
Romeinen 7:7), maar het woord, dat onder u (1 Thessalonicenzen. 2:9) verkondigd is (
Vers 12). Doordat u dit in geloof heeft aangenomen, bent u, zoals ik te voren heb gezegd, wedergeboren uit onvergankelijk zaad en zo is een liefde, zoals die van u (
Vers 22) geëist is, geheel in overeenstemming met uw wezen (
1 Johannes 4:7;
5:1 1Jo 4. 7). Zij, die niet door vergankelijk zilver of goud, maar door het dierbaar bloed van Christus verlost zijn (
Vers 18 v.), zijn ook wedergeboren niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad. Het geestelijke zaad van de nieuwe geboorte brengt tot stand wat het vleselijke van de oude geboorte niet kan doen een liefde, zoals die vroeger werd geëist. Evenals in de gelijkenis van de zaaier (
Lukas 8:4) het woord van God het wonderzaad is, dat in het hart valt, en dit bereidt, om vervolgens er wortel in te schieten en in vruchtbaarheid te groeien, zo schrijft hier de apostel aan het onvergankelijk zaad, dat door de prediking van het woord in het hart komt, een kracht toe, die al het vergankelijke zaad verre overtreft. Vleselijk zaad brengt vlees ten dode voort; maar het zaad van het leven, waarin de Geest van God werkt, verandert ons naar Zijn wezen: wij worden wedergeboren tot kinderen van God door het woord van God tot een levend en onvergankelijk wezen door het levend en eeuwig blijvend woord.
Het zou vreemd kunnen voorkomen, dat de apostel niet heeft geschreven: "als die wedergeboren bent ten eeuwigen leven door het levend en eeuwig blijvend woord van God. " In plaats van "ten eeuwigen leven" zegt hij: "niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad. " Het is echter hem, die over de vermaning: "heb elkaar vurig lief uit een rein hart", te doen om een scherpe tegenstelling tegen een geboorte in de eigenlijke zin, uit werkelijk vergankelijk zaad en dit heeft weer zijn grond in de geschiedkundige omstandigheden en het daardoor aangewezen doel van zijn brief. Er is ook een band van gemeenschap, die gegrond is op gemeenschappelijke geboorte uit eigenlijk, vergankelijk zaad, namelijk de nationaliteit, die berust op gelijkheid van aardse, door natuurlijke voortbrenging teweeg gebrachte afstamming. Wellicht is het zo geweest, dat in de gemeenten van de lezers zeer velen vervolgd door hun eigen volksgenoten, het uitgestoten zijn uit de banden van de gemeenschap diep voelden (vgl. 1 Thessalonicenzen 2:14) en aan het natuurlijk nationaal gevoel concessies deden, ten koste van het broederlijk en blij samenleven met de verdrukte Christelijke gemeente. Nu is het ook zeer juist, als de apostel zijne lezers ook nog door het woord van de Schrift daaraan herinnert, dat de natuurlijke nationaliteiten met al haar heerlijkheid toch slechts een band vormden voor deze tijd op aarde en bestemd waren om teniet te gaan, terwijl daarentegen het woord van God, waardoor wij in de Christelijke gemeenschap waren geboren en die ten gevolge ook deze gemeenschap zelf, eeuwig en onvergankelijk is. Het "was" aan het begin van Vers 24 is nu ook gemakkelijk te verklaren. Het leert, in hoeverre het geboren worden in het natuurlijke leven en onder een volk een geboorte is uit vergankelijk zaad, maar het wedergeboren worden door Gods woord met recht een geboorte uit onvergankelijk zaad kan worden genoemd. De Oud-Testamentische plaats gebruikt Petrus zo, dat hij ze in zijn eigen rede invlecht en wat hij zelf bedoelt met woorden van de Schrift uitspreekt, om er de gewenste autoriteit aan te geven.
In de slotwoorden: "dit is het woord, dat onder u verkondigd is", straalt ook weer hier, evenals boven in Vers 12, het doel van de apostel door, om de lezers te verzekeren, dat het de ware genade van God was, waarin zij stonden (Hoofdstuk 5:12). Zeker is het Evangelie bedoeld, toch geldt ook reeds de wet van het Oude Verbond als van een waarachtig woord van God, als van een openbaring van Zijn wezen, dat zij naar haar inwendige staat leven is en eeuwig blijft (Handelingen 7:38); zij kan echter niet levend maken (Galaten 3:21) en in zo verre niet wederbaren.
Meen niet, dat mensen, die slechts het natuurlijk aanzijn uit vergankelijk zaad hebben, reeds onsterfelijk zijn in de bijbelse zin van het woord nee, zij zijn slechts uit de dood tot de dood geboren! Maar zij, die uit het levend, eeuwig blijvend woord van God geboren, een nieuw aanzijn hebben ontvangen, zijn uit het eeuwige leven en tot het eeuwige leven geboren.
U hoeft de ogen niet wijd open te doen, hoe u toch tot het woord zult komen; u heeft het bij u; het is het woord, dat wij u prediken. Het is dus snel gesproken en vernomen, maar als het in het hart dringt kan het sterven noch vergaan en het gedoogt ook niet dat u sterft. Zolang u zich eraan hecht, zo lang draagt het u. Zoals ik hoor dat Jezus Christus gestorven is, dat Hij mijn zonde heeft weggenomen en mij de hemel verworven, dan hoor ik het Evangelie. Deze waarheid kan niemand omverwerpen; de poorten van de hel kunnen doen daar niets tegen, en al was ik ook reeds in de kaken van de satan, kan ik dat nog aangrijpen, zo moet ik toch weer daaruit en blijven waar het woord blijft. Daarom zegt hij wel terecht: u mag geen ander verbeiden dan hetgeen wij u gepredikt hebben.
Alle Christenen zijn wedergeboren en daardoor zijn zij gebracht in een nieuwe en innige betrekking tot elkaar. Het woord van God is het grote middel tot herschepping (Jakobus 1:18). Deze nieuwe en tweede geboorte is veel heerlijker dan de eerste. Door de eerste worden wij kinderen van de mensen, door de tweede zonen en dochters van de Allerhoogste. Het woord van God, hoewel het klein naar het uitwendige is en een tijd lang verborgen ligt, groeit ten slotte en draagt heerlijke vruchten. De verplichting om lief te hebben is dubbel, waar een geestelijk verband is. En het woord van God, in de harten geplant door de Heilige Geest, is een middel tot geestelijk leven, ons bezielend en opwekkend tot plichtsvervulling een gehele omkering teweeg brengend in de richtingen en begeerten van de ziel, totdat het brengt tot het eeuwige leven. Zie tegenover die heerlijkheid van de vernieuwde, geestelijke mens als wedergeborene de nietigheid van de natuurlijken mens. In zijn leven en in zijn dood is hij gelijk het gras (Job 14:2 Jesaja 40:6, 7). Al zijn heerlijkheid is als de bloem van het gras, zijn weten, zijn schoonheid, kracht, welvaart, eer zijn slechts als de bloem van het gras, die vroeg opkomt en wegsterft. De enige weg om dit schepsel, dat teniet gaat, onverderfelijk te doen worden, is het woord van God op te nemen, want dat blijft in eeuwigheid en zal bewaren tot het eeuwige leven en met hem voor altijd blijven. Elke andere onderscheiding zal snel verloren zijn, alle andere heerlijkheid in verachting opgaan, alle andere verbintenissen teniet gaan en verdwijnen. Laat ons toezien, dat dit woord in onze harten woont en vruchten in ons leven voortbrengt.