2. En Hij, diezelfde, is, om ons de vergeving van God zonder schennis van de goddelijke gerechtigheid te bewerken, a) een verzoening (
Hoofdstuk 3:5;
4:10.
2 Corinthiërs 5:18 v. 3:25) voor onze zonden. Hij heeft die door het offer aan het kruis gebracht en voor de ogen van God bedekt. En die verzoening is Hij niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonde b) van de gehele wereld (
Johannes 11:52 v.), voor de Jood niet alleen, maar ook voor de heiden, zodat een ieder, die gelooft, de vergeving van de zonden kan vinden in Zijn naam.
a) Colossenzen 1:20 b) Johannes 4:42. 1 Johannes 4:14
Johannes geeft nu een verklaring in hoeverre de Christenen in de rechtvaardige Jezus werkelijk een voorspraak bij God hebben, namelijk in zoverre Hij zelf (zoals de grondtekst luidt) de verzoening voor hun zonden is; op het woord "zelf" ligt de nadruk. Hij in eigen persoon. De apostel geeft daardoor te kennen, dat hier, in Christus, de voorspreker en het middel van de verzoening, waarop de voorbede rust, in een persoon samenkomen, geheel anders dan onder het Oude Verbond, waar de voorbiddende Hogepriester en het middel van de verzoening, het offer, van elkaar onderscheiden waren: Christus zelf is de verzoening.
Het woord verzoening betekent de verzoening van God met de wereld en de verzoening van de mensheid met God, dus het te niet doen van de vijandschap tussen beiden (2 Corinthiërs 5:18, Romeinen 5:10 Colossenzen 1:21 v.), maar ook de verzoening van God met Zichzelf. Het geeft de overwinning te kennen van de goddelijke toorn, die in strijd was met de goddelijke liefde, dus de verzoening van deze beide goddelijke eigenschappen, die door de menselijke zonde in strijd waren geraakt. De apostel ziet hier zonder twijfel op het offer van de grote verzoendag in het Oude Testament en beschouwt de zelfopoffering van Christus als het tegenbeeld daarvan. Hij zegt daarom ook, dat de verzoening van Christus niet slechts voor onze zonde, maar voor de zonde van de gehele wereld is, terwijl die van het Oude Testament alleen op het Israëlitische volk doelde.
Zover de zonde reikt, zover reikt de verzoening.
Wij zullen laten zien, hoe deze hier schijnbaar en slechts bij gelegenheid geuite waarheid, de universele bestemming van Christus' verlossingswerk, een uitgangspunt vormt voor hetgeen Johannes in een latere afdeling (Hoofdstuk 5:4) over de verhouding van de Christen tot de wereld te zeggen heeft.
Die woorden "niet alleen maar" geven te kennen, dat hier is een tegenstelling tussen Joden, wat Johannes was en die gelovigen uit die natie en tussen heidenen, die in tegenstelling wereld genoemd worden, niet alleen hier, maar ook in Romeinen 12:12, 14, zoals uit het woord wereld, in het algemeen het menselijk geslacht betekenend, geen gevolg gemaakt mag worden tot ieder bijzonder mens, zo ook niet in deze tegenstelling; want soms worden daardoor de goddelozen verstaan en soms de godzaligen uit allerlei natie, zoals dat duidelijk is uit Romeinen 9:12 : als hun val de rijkdom is van de wereld, Vers 15): als hun verwerping de verzoening is van de wereld. Door de val van de Joden verkrijgt niet ieder heiden de geestelijke rijkdom van Christus en ieder bijzonder heiden, zonder uitsluiting van iemand, krijgt geen verzoening, maar alleen de bekeerden, de gelovigen uit de heidenen, dat een ieder zal moeten toestaan. Als hier dan nu staat, dat de Christus is een verzoening voor de zonden van de gehele wereld, zo kan men daardoor ook niet verstaan een ieder, hoofd voor hoofd, maar alleen de gelovigen uit de heidenen. Johannes voegt hier de twee delen van Christus Hogepriesterambt samen een voorspraak en een verzoening te zijn; wij weten, dat die twee gans niet van elkaar gescheiden kunnen worden en dat Hij het andere is, waarvoor Hij het een is. En omdat Christus het voorbidden niet doet voor de verworpen wereld (Johannes 17:9), zo is Hij ook de verzoening niet voor die, maar alleen voor de uitverkoren wereld, die verzoening krijgt door een bij-gelegenheid van de val van de Joden. Dus blijkt het dat Christus niet is gestorven voor ieder mens, hoofd voor hoofd, van de wereld. (W. BRAKEL).
Reeds begon de apostolische eeuw met haar glansrijk licht ten avond te spoeden en waar de eerste getuigen van Christus van de aarde waren heen gegaan, de meesten wellicht gesierd met de kroon van het martelaarschap, droeg Johannes nog de zilveren kroon van de grijsheid alleen. De dwaalgeesten, reeds door Paulus in zijn jongste brieven bestreden, staken na diens dood het hoofd nog vermeteler op en aan Johannes te Efeze was de hoge roeping verbleven om tegenover de van alle kanten rijzende nevelen nog in de late avond van zijn leven op het Licht van de wereld te wijzen. Het was nu de strijd niet meer over geloof of werken, maar over waarheid of verdichting, ten aanzien van de historische Christus. De wijsbegeerte van de eeuw, meer tot waardering van de afgetrokken denkbeelden dan van tastbare feiten gezind, betwistte de werkelijkheid van de persoonlijke verschijning van Gods eigen Zoon in het vlees en, zoals vaker, zo was ook hier de jammerlijke dwaling met de treurigste zedeloosheid verbonden. Tegen beiden heeft Johannes te kampen, in hij doet het, zowel door zijn onschatbaar Evangelie, waarvan de echtheid zich op den duur onmogelijk betwijfelen laat, als door zijn eerste Brief, hoogstwaarschijnlijk daaraan dadelijk toegevoegd, of althans omstreeks hetzelfde tijdperk vervaardigd. In het naaste tekstverband (Hoofdstuk 1:15) houdt hij de gelovigen inzonderheid hun roeping tot een heilige wandel voor ogen. Hij bestrijdt aan de ene zijde de valse waan, alsof men niet had gezondigd, aan de anderen kant de kleinmoedige vrees, wanneer men gezondigd had. Tot deze laatste hadden zij allerminst reden. Immers ook in dat geval hadden zij een voorspraak, d. i. een pleitbezorger, een helper. Hetzelfde woord wordt hier in het oorspronkelijke ten aanzien van de Christen gebruikt, dat in de afscheidsredenen van de Heere bij Johannes betrekkelijk de Heilige Geest wordt gebruikt. Zoals de Heilige Geest de Parakleet was van de Heere bij Zijn vrienden op aarde, zo zegt de tekst, is Jezus Christus, de Rechtvaardige, de Parakleet van de Zijnen in de hemel voor het heilig aangezicht van God. Zo'n voorspreker of helper is Hij voor hen bij de Vader, die zo in niets nog eerst tot genade bewogen moet worden, maar in Christus hun reeds Zijn hoogste liefde betoond heeft en de tussenkomst van die Rechtvaardige ten behoeve van schuldigen en onwaardigen onmogelijk afwijzen kan. En "Hij" (letterlijk: "Hij zelf d. i. Jezus Christus is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de gehele wereld". Spreukenekt Johannes in het laatste lid van het tekstwoord van de voldoening van de tussenkomst van Christus, om de zondeschuld van een geheel verloren wereld voor het aangezicht van God te bedekken, in het eerste wijst hij of het voorrecht van hen, die reeds werkelijk door het geloof met de Heiland verbonden zijn. Het woord "verzoening", hier gebruikt, is ontleend aan de offerdienst van het Oude Verbond en duidt aan, dat door Christus de schuldbedekking en vernietiging, die door het Israëlitisch offer symbolisch werd afgeschaduwd, voor allen die in Hem geloven, niet slechts geopenbaard of verzegeld, maar werkelijk aangebracht is. De apostel zegt hier zo, wat Paulus aan de Efeziërs schrijft: "waarin wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade. " Echter met dit onderscheid, dat hij in geen en dele uitsluitend aan het lijden en sterven van de Heere denkt (waarvan hij trouwens reeds gesproken had), maar tegelijk en voornamelijk zelfs, aan de voortdurende werkzaamheid van de Middelaar ten goede van de Zijnen; die werkzaamheid bedoel ik, die in de brief aan de Hebreeën inzonderheid als een hogepriesterlijke voorbede voorgesteld wordt. Hij gewaagt zo niet slechts van wat Christus eenmaal als Verzoener van de zonden gedaan heeft, maar van wat Hij, als in een eeuwig Heden is en blijft voor al de Zijnen. Daarin vindt hij de hoogste grond van hun geruststelling en de krachtigste spoorslag tot liefde en heiligheid tevens. Vandaar dan ook, dat hij in het twaalfde vers aan zijn kindertjes niets heugelijkers te verkondigen heeft, dan dat hun de zonden omwille van Zijn naam vergeven zijn" en straks in het vierde Hoofdstuk Vers 10, waar hij al de rijkdom van het Evangelie in een enkele trek wil samenvatten, met heilige opgetogenheid uitroept: "Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons liefgehad heeft en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden. " Kennelijk is het hier en elders Johannes niet slechts om een van de vele hoofdzaken, maar om de grote hoofdzaak, niet slechts van zijn, maar van het Evangelie te doen. Waarbuiten er, ook in zijn schatting, geen ander is. " Geheel zijn ziel stort zich uit in zijn kunsteloos woord en bijna is het mij, of ik het eerbiedwaardig gelaat van de patriarch van de apostelen van hoge geestdrift zie gloren, waar hij voor talloze dorstigen de bron van de eeuwige vertroosting ontsluit en het woord ter hunner geruststelling neerschrijft: "Hij is een verzoening voor onze zonden. "