Psalm 81:9-17
God spreekt hier door de psalmist tot Israël, en in hen tot ons, op wie de einden van de eeuwen gekomen zijn.
I. Hij eist hun ernstige aandacht voor wat Hij zal gaan zeggen, vers 9. "Mijn volk hoor toe. Wie zal naar Mij horen zo Mijn volk het niet doet? Ik heb u gehoord en geantwoord, wilt gij nu naar Mij horen? Hoor wat gezegd wordt met de grootste plechtigheid en de ontwijfelbaarste zekerheid, want het is wat Ik onder u zal betuigen. Geef Mij niet slechts gehoor, maar luister naar Mij, laat u door Mij raden, door Mij besturen." Niets kon meer redelijk of meer terecht worden verwacht, en toch stelt God er het twijfelend of bij, "of gij naar Mij hoordet"! Het is in uw belang om dit te doen, en toch staat het te bezien of gij het doen zult, want uw nek is een ijzeren zenuw.
II. Hij herinnert hen aan hun verplichting jegens God, als de Heere, hun God en Verlosser, vers 11. Ik ben de Heere, uw God, die u heb opgevoerd uit het land van Egypte. Dit is de inleiding tot de tien geboden, en een krachtige reden om ze te houden, aantonende dat wij er toe gehouden en verplicht zijn, er naar ons belang en uit dankbaarheid toe verplicht zijn, en al die banden verbreken wij zo wij ongehoorzaam zijn.
III. Hij geeft hun een uittreksel beide van de geboden en van de beloften, die Hij hun gaf, als de Heere hun God, bij hun komst uit Egypte.
1. Het grote gebod was dat zij geen andere goden voor Zijn aangezicht zouden hebben vers 10. Er zal onder u geen uitlands god wezen, geen naast uw eigen God. Andere goden mochten wel vreemde goden genoemd worden want het was zeer vreemd dat een volk, hetwelk de ware en levende God tot hun God had, nog naar anderen zou hunkeren. God is hierin een ijverig God, want Hij zal niet toelaten dat Zijn eer aan een ander wordt gegeven, en daarom moeten zij hierin op hun hoede zijn, Exodus 23:13.
2. De grote belofte was, dat God zelf als een algenoegzame God hen nabij zou wezen in alles waarvoor zij Hem aanroepen, Deuteronomium 4:7. Dat, zo zij Hem aankleven als hun machtige beschermer en heerser, zij Hem altijd hun milddadige weldoener zullen bevinden. Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen, zoals de jonge raven, die roepen, hun mond wijd openen, en de ouden ze vullen. Zie hier:
a. Wat onze plicht is: onze verwachtingen van God te wekken, en onze begeerten naar Hem uit te breiden. Van het schepsel kunnen wij niet te weinig, van God niet te veel verwachten. Wij zijn niet nauw in Hem, waarom zouden wij dan nauw zijn in ons eigen hart?
b. Wat Gods belofte is: onze mond te verzadigen met het goede, Psalm 103:5. Er is in God genoeg om "onze schatkameren te vervullen," Spreuken 8:21 om "alle treurige ziel te vervullen," Jeremia 31:25 om in al onze behoeften te voorzien, aan al onze begeerten tegemoet te komen en ons volkomen gelukkig te maken. Zingenot brengt oververzadiging teweeg, maar schenkt geen voldoening, Jesaja 55:2, Goddelijke genietingen schenken voldoening, maar zullen nooit oververzadiging teweegbrengen. En wij kunnen genoeg van God hebben, zo wij er in het geloof om bidden. "Bid en u zal gegeven worden, Hij geeft mildelijk en verwijt niet." God verzekerde aan Zijn volk Israël dat het hun eigen schuld zal zijn, indien Hij voor hen niet even grote en goede dingen deed, als Hij voor hun vaderen gedaan had. Niets zou te goed, te veel geacht zijn om hun te geven, indien zij zich dicht aan God hadden gehouden. Hij zou "hun alzulks en alzulks nog gegeven hebben", 2 Samuël 12:8.
IV. Hij beschuldigt hen van grote minachting voor Zijn gezag als wetgever, en voor Zijn genade en gunst als hun weldoener, vers 12. Hij had veel voor hen gedaan, en wilde nog meer voor hen doen, maar het is alles tevergeefs: "Mijn volk heeft Mijne stem niet gehoord, maar was doof voor alles wat ik zei." Hij klaagt over twee dingen:
1. Hun ongehoorzaamheid aan Zijn geboden. Zij hebben Zijn stem gehoord, zoals nooit een volk haar gehoord had, maar zij wilden er niet naar luisteren, wilden er niet door geleid worden, noch door de wet, noch door de reden ervan.
2. Hun afkeer van Zijn verbondsbetrekking tot hen: Israël heeft Mijner niet gewild. "Zij berustten niet in Mijn woord", zo heeft het de Chaldeer. God was bereid hun een God te zijn, maar zij waren niet bereid Hem een volk te zijn, Zijn voorwaarden stonden hen niet aan. "Ik zou hen vergaderd hebben, maar zij wilden niet." Zij hadden dus niets van Hem en waarom niet? Het was niet omdat zij het niet mochten, zij waren bepaaldelijk uitgenodigd om met God in verbond te zijn. Het was niet omdat zij het niet konden, want het woord was nabij hen, in hun mond, in hun hart. Het was zuiver en alleen, omdat zij het niet wilden. God noemt hen Zijn volk, want Hij had hen gekocht, zij waren aan Hem verbonden met duizend banden, en toch hebben zelfs zij niet naar Hem gehoord, Israël, het zaad van Jakob, Mijn knecht, heeft Mij verworpen, heeft Mijner niet gewild. Al de goddeloosheid van de goddeloze wereld komt voort uit de verdorven wil. De reden waarom de mensen niet Godsdienstig zijn, is omdat zij het niet willen wezen.
V. Hij rechtvaardigt zich hiermede ten opzichte van de geestelijke oordelen, die Hij over hen bracht, vers 13. Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat een gevaarlijker vijand en boosaardiger verdrukker voor hen zijn zou dan iemand uit de naburige volken ooit voor hen geweest is. God onttrok hun Zijn Geest, nam de teugel van weerhoudende genade van hen weg, liet hen aan henzelf over, en dat wel terecht, zij willen doen wat zij willen, zo laat hen dan doen wat zij willen, "Efraïm is vergezeld met de afgoden, laat hem varen." Het is rechtvaardig in God om diegenen over te geven aan hun lusten, die er aan toegeven, er zich door laten leiden en regeren, want waarom zou Zijn Geest altoos twisten? Zijn genade behoort Hem, Hij is aan niemand iets verschuldigd, en toch, gelijk Hij Zijn genade nooit aan iemand gegeven heeft, die zeggen kon haar verdiend te hebben, zo heeft Hij haar ook nooit aan iemand ontnomen die haar niet eerst verbeurd had. Zij hebben Mijner niet gewild, dies heb Ik hen overgegeven, laat hen hun gang gaan, en zie wat nu volgt: zij wandelden in hun raadslagen, in de weg huns harten, en in het gezicht hunner ogen zowel in hun aanbidding als in hun levensgedrag. Ik liet hen over om te doen wat zij wilden, en toen deden zij alles wat slecht was, zij wandelden in hun raadslagen, en niet naar de raad van God, niet in Zijn raad. Daarom was God niet de werker van hun zonde, Hij liet hen niet over aan de lust huns harten en aan de raad van hun eigen hoofd indien zij niet wel handelen, dan ligt de schuld aan hun eigen hart, en dan komt hun bloed op hun eigen hoofd.
VI. Hij betuigt Zijn welwillendheid jegens hen in Zijn wens dat zij anders voor zichzelf gehandeld zouden hebben. Hij zag hoe treurig hun toestand was en hoe gewis hun verderf, als zij aan het goeddunken van hun hart zijn overgelaten, dat is nog erger dan aan Satan te zijn overgegeven, hetgeen leiden kan tot verbetering, 1 Timotheus 1:20, en tot behoudenis, 1 Corinthiers 5:5. Maar overgegeven te zijn aan het goeddunken van ons eigen hart, dat is verzegeld te zijn ter verdoemenis. Die vuil is, dat hij nog vuil worde, tot wat noodlottige afgrond zal zo iemand niet voortgejaagd worden! Nu ziet God hier op hen neer met ontferming, en toont dat het met weerzin was, dat Hij hen aldus aan hun dwaasheid en hun lot overliet. "Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm" Hosea 11:8, 9. Zo ook hier: "Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had!" Zie Jesaja 48:18. Zo heeft Christus geweend over de hardnekkigheid van Jeruzalem: "Och of gij ook bekende", Lukas 19:42. De uitdrukkingen hier zijn zeer aandoenlijk vers 14-17, bedoeld om aan te tonen:
1. Hoe God niet wil dat iemand omkomt, en begeert dat allen tot berouw en bekering zullen komen. Hij verlustigt zich niet in het verderf van zondige personen of volken.
2. Wat vijanden zondaars zijn van zichzelf en welk een verzwaring het zal zijn van hun rampzaligheid, dat zij op zulke gemakkelijke voorwaarden gelukzalig hadden kunnen zijn.
Merk hier op:
A. De grote genade, die God voor Zijn volk had weggelegd en hun geschonken zou hebben indien zij gehoorzaam waren geweest.
a. Hij zou hun de overwinning hebben gegeven over hun vijanden, en spoedig hun tenonderbrenging voltooid hebben. Zij zouden niet slechts stand hebben gehouden, maar hun doel bereikt hebben tegen de nog overgebleven Kanaänieten, en hun inbreuk op hen makende en kwellende naburen, vers 15. Ik zou hun vijanden gedempt hebben, en het is alleen op God dat wij kunnen steunen voor de tenonderbrenging van onze vijanden. Ook zou Hij hun de kosten en de vermoeienissen van een langdurige, afmattende krijg bespaard hebben, Hij zou het spoedig gedaan hebben, want Hij zou Zijn hand gekeerd hebben tegen hun tegenstanders, en dan zouden deze voor hen niet hebben kunnen bestaan. Hij geeft te kennen hoe gemakkelijk Hij het gedaan zou hebben zonder enigerlei moeilijkheid, door het keren van Zijn hand, ja "met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden," Jesaja 11:4. Indien Hij slechts Zijn hand wendt, zullen die de Heere haten zich Hem geveinsdelijk onderwerpen, vers 16, en hoewel zij er niet toe gebracht worden om Hem lief te hebben, zullen zij Hem toch moeten vrezen, en bekennen dat Hij te sterk voor hen is, en dat het ijdel is om met Hem te strijden. God is geëerd, en dat is ook Zijn Israël, door de onderwerping van hen, die in opstand tegen hen waren, al is het dan ook maar een geveinsde, gedwongen onderwerping.
b. Hij zou hun nageslacht hebben bevestigd en bestendigd, het op een vaste, duurzame grondslag hebben gevestigd. In weerwil van al de aanslagen hunner vijanden tegen hen, zou hun tijd eeuwig geweest zijn, en zij zouden nooit gestoord zijn in het bezit van het goede land, dat God hun gegeven had, en nog veel minder er uit geworpen zijn, buiten het bezit erven zijn gesteld.
c. Hij zou hun grote overvloed gegeven hebben van allerlei goed, vers 17, Hij zou hen gespijsd hebben met het vette van de tarwe, met het beste koren en van de beste soort. Tarwe was het voornaamste product van Kanaän, en zij hebben er zeer veel van uitgevoerd, Ezechiël 27:17. Hij zou hen niet alleen voorzien hebben van het beste soort van brood, maar hen verzadigd hebben met honing uit de rotsstenen. Behalve de kostbare voortbrengselen van de vruchtbare grond, zullen, opdat er in het gehele land geen onvruchtbaar plekje zou zijn, de rotsspleten nog dienen voor bijenkorven, waarin zij overvloed van honing zullen vinden. Zie Deuteronomium 32:13, 14. Kortom, Gods bedoeling was het hun op alle wijzen lieflijk te maken en hen gelukkig te doen zijn.
B. De plicht, die God van hen eiste als voorwaarde van al die zegeningen. Hij verwachtte niets meer dan dat zij naar Hem zouden horen, zoals een scholier naar zijn onderwijzer om zijn onderricht te ontvangen, zoals een dienstknecht naar zijn heer om zijn orders te ontvangen, en dat zij zouden wandelen in Zijn wegen, die wegen des Heeren, welke recht en lieflijk zijn, dat zij Zijn inzettingen zouden waarnemen, en zouden achtgeven op de wenken van Zijn voorzienigheid, hierin was niets onredelijks.
C. Merk op hoe de reden van het onthouden van deze zegeningen gelegen is in hun verzuimen van de plicht. Indien zij naar Mij gehoord hadden, ik zou hun vijanden gedempt hebben. Nationale zonde en ongehoorzaamheid is de grote en enige zaak, die nationaal heil en nationale verlossing tegenhoudt en belemmert. "Toen Ik Israël wilde genezen" en alles in orde zou gebracht hebben onder hen, "werd Efraïms ongerechtigheid ontdekt," Hosea 7:1, en zo werd die genezing tegengehouden. Wij zeggen allicht: "Indien zo'n methode gevolgd was, zodanig een werktuig gebruikt was geworden wij zouden onze vijanden spoedig tenonder hebben gebracht," maar wij vergissen ons, indien wij gehoord hadden naar God en ons aan onze plicht hadden gehouden, dan zou de zaak geschied zijn, maar het is zonde, die onze ellende lang doet duren en de verlossing vertraagt. En dit is het, waarover God zelf klaagt, en Hij wenst dat het anders geweest ware. God wil dat wij onze plicht jegens Hem volbrengen, opdat wij instaat en bevoegd zijn, gunst van Hem te ontvangen. Hij schept er behagen in dat we Hem dienen, niet omdat dit Hem voordeel aanbrengt, maar omdat het ons er om zal welgaan.