Lukas 19:41-48
De grote gezant van den hemel doet hier Zijn openbare intrede in Jeruzalem, niet om er geëerd, maar om er verworpen te worden. Hij wist in welk een nest van adders Hij zich ging werpen, en toch, zie hier twee voorbeelden van Zijne liefde voor die plaats, en Zijn grote deelneming in haar lot.
I. De tranen, die Hij stortte over het naderend verderf der stad, vers 41. Als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar. Waarschijnlijk was het, toen Hij de glooiing van den Olijfberg afkwam, waar Hij het volle gezicht op de stad had, de grote uitgestrektheid er van, en de vele statige gebouwen er in, en Zijn oog deed Zijn hart aan, en Zijn hart wederom Zijn oog. Zie hier:
1. Van hoe tederen aard Christus was. Nooit lezen wij dat Hij lachte, maar dikwijls vinden wij Hem in tranen. Aan diezelfde plaats heeft Zijn vader David geweend en degenen, die bij hem waren, ofschoon hij en zij krijgslieden waren. Er zijn ogenblikken en toestanden, wanneer het voor de kloekste mannen geen schande is om weg te smelten in tranen.
2. Dat Jezus Christus weende temidden van Zijn zegepraal, weende toen allen, die Hem omringden, juichten en zich verblijdden, om te tonen hoe weinig de toejuichingen des volks Hem konden verheffen. Aldus wilde Hij ons leren ons te verheugen met beving, en blijde te zijn als niet blijde zijnde. Indien de voorzienigheid de schoonheid van onze triomfen niet ontsiert, dan kunnen wij zelf wel redenen zien om ze met onze smart te omfloersen.
3. Dat Hij weende over Jeruzalem. Er zijn steden, over welke men kan wenen, en over gene meer dan over Jeruzalem, die de heilige stad geweest is en de vreugde der ganse aarde, zo zij ontaard is. Maar waarom heeft Christus geweend bij het zien van Jeruzalem? Was het omdat "daar ginds de stad ligt, waarin Ik verraden en gebonden, gegeseld en bespogen, ter dood veroordeeld en gekruisigd moet worden?" Neen, Hijzelf geeft de reden op van Zijne tranen.
a. Jeruzalem heeft den dag der genade niet gebruikt. Hij weende, en zei: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uwen dag, indien gij ook heden nog bekendet, terwijl u het Evangelie wordt verkondigd en de verlossing u wordt aangeboden, indien gij ten laatste u bedacht en verstond wat tot uwen vrede dient, hoe gij vrede kunt hebben met God en hoe gij uw geestelijk en eeuwig heil kunt verzekeren-maar gij hebt den tijd uwer bezoeking niet bekend, vers 44. Er is in de wijze van spreken iets plotselings, iets afgebrokens: Of gij bekendet! O dat gij haddet, zoals sommigen het lezen, evenals dat: "Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, Psalm 81:14, Jesaja 48:18. Of "indien gij had bekend, het ware wel met u", zoals met den vijgenboom, hoofdstuk 13:9. "Hoe gelukkig zou het voor u geweest zijn!" Of, "indien gij had bekend, gij zoudt over uzelve geweend hebben, en dan zou Ik niet behoeven te wenen over u, maar Mij veeleer verblijd hebben." Wat Hij zegt, legt al de schuld van Jeruzalems naderend verderf op haar zelve. Er zijn dingen, die tot onzen vrede dienen, die wij allen behoren te kennen en te begrijpen, de wijze waarop vrede gemaakt wordt, de aanbiedingen van vrede, die gedaan zijn, de voorwaarden, waarop wij de weldaden des vredes kunnen genieten. De dingen, die tot onzen vrede dienen, zijn de dingen, die betrekking hebben op ons tegenwoordig en toekomend welzijn, die behoren wij te kennen en te behartigen. Er is een tijd der bezoeking, wanneer de dingen, die tot onzen vrede dienen, door ons gekend kunnen worden, en dat wel tot ons heil en welzijn. Als wij in ruime mate van de middelen der genade kunnen genieten, en het woord Gods krachtig onder ons wordt gepredikt-als de Geest met ons twist en ons eigen geweten ontwaakt is -dan is het de tijd der bezoeking, waarvan wij behoren gebruik te maken tot ons geestelijk nut en voordeel. En wat hun betreft, die langen tijd den dag hunner bezoeking hebben veronachtzaamd, indien ten laatste, in dezen hunnen dag, hun ogen worden geopend en zij zich bezinnen, dan zal alles nog wel met hen zijn. Diegenen zullen niet afgewezen worden, die nog ter elfder ure komen om in den wijngaard te werken. Het is de verbazingwekkende dwaasheid van zeer velen, die de middelen der genade hebben, dat zij den dag van hun goede gelegenheid ongebruikt laten voorbijgaan. en het zal noodlottige gevolgen voor hen hebben. De dingen, die tot hun vrede dienen, zijn hun geopenbaard, maar zij slaan er geen acht op, bekommeren er zich niet om, zij verbergen er hun ogen voor, alsof zij het niet waard waren opgemerkt te worden. Zij weten niet dat het de welaangename tijd, de dag der zaligheid is, en zo laten zij hem voorbijgaan, en komen om uit blote zorgeloosheid. Niemand is zo blind als zij, die niet willen zien, en voor niemands ogen zijn de dingen, die tot vrede dienen, meer stellig verborgen, dan voor hen, die ze den rug toekeren. De zonde en dwaasheid van hen, die volharden in hun minachting van het Evangelie en de Evangeliegenade, zijn een grote smart voor den Heere Jezus, en moeten dat ook voor ons zijn. Hij ziet met wenende ogen op verloren zielen, die onboetvaardig blijven en roekeloos hun verderf tegemoet gaan. Hij zou liever willen dat zij zich bekeren en leven, dan dat zij aldus voortgaan en sterven, want Hij wil niet dat iemand hunner zal omkomen.
b. Jeruzalem kan den dag harer verwoesting niet ontkomen. De dingen, die tot haar vrede dienen, zijn nu, in zekeren zin, voor hare ogen verborgen. Niet, dat hun daarna het Evangelie niet door de apostelen werd gepredikt: het ganse huis Israël's werd geroepen om zeker te weten, dat Christus hun vrede was, Handelingen 2:36, en grote scharen werden er van overtuigd en bekeerd. Maar wat betreft het gros der natie en zij die de leiders des volks waren, zij waren onder het ongeloof verzegeld, God had hun gegeven een geest des diepen slaaps, Romeinen 11:8. Zij waren zo bevooroordeeld tegen en verwoed op het Evangelie en de weinigen, die het omhelsden, dat niets minder dan een wonder van Goddelijke genade, -gelijk dat, waardoor Paulus bekeerd werd-op hen kon werken, en men kon niet verwachten, dat zulk een wonder gewrocht zou worden, en zo zijn zij dan rechtvaardig overgegeven aan verblinding en verharding. De dingen des vredes zijn niet verborgen voor de ogen van afzonderlijke personen, maar het is nu te laat om te denken dat het Joodse volk als zodanig, een Christelijk volk zal worden door Christus aan te nemen. En daarom zijn zij opgeschreven ten verderve, hetgeen Christus hier voorziet en voorzegt als het onvermijdelijk gevolg van hun verwerping van Christus. Het veronachtzamen der grote zaligheid brengt meermalen tijdelijke oordelen over een volk, zo was het met Jeruzalem in minder dan veertig jaren daarna, toen alles wat Christus hier voorzegd heeft, letterlijk en nauwkeurig werd vervuld. De Romeinen belegerden de stad, wierpen ene omgraving rondom haar op, en hebben de inwoners van alle zijden omsingeld en benauwd. Josephus verhaalt dat Titus in zeer korten tijd een muur opwierp. die de stad geheel insloot, waardoor er geen mogelijkheid was om te ontkomen. Zij hebben haar tot den grond neergeworpen. Titus gebood zijnen soldaten den grond der stad om te spitten, zij werd geheel met den grond gelijk gemaakt. met uitzondering van drie torens, Zie Josephus, Geschiedenis der Joodse oorlogen, lib. 5, cap. 27, lib. 7, cap. 1. Niet slechts de stad, maar ook de bewoners werden neergeworpen (uwe kinderen in u) door de wrede slachting, die onder hen werd aangericht, en er werd nauwelijks een steen op den anderen gelaten. Dat was voor hun kruisigen van Christus, dat was, omdat zij den dag hunner bezoeking niet hebben bekend. Laat andere steden en volkeren er een waarschuwend voorbeeld aan nemen. II. De ijver, dien Hij toonde voor de dadelijke reiniging van den tempel. Hoewel hij eerlang verwoest moet worden, volgt hier toch niet uit, dat er nu intussen geen zorg voor gedragen moet worden.
1. Christus zuiverde hem van degenen, die hem ontwijdden. Hij ging terstond naar den tempel, en begon uit te drijven degenen, die daarin verkochten en kochten, vers 45. Hierdoor heeft Hij getoond dat Hij, hoewel men Hem voorstelde als een vijand van den tempel-en dat was de misdaad, waarvan men Hem voor den hogepriester beschuldigde -meer, en meer ware, liefde had voor den tempel dan zij, die zoveel eerbied hadden voor zijn korban, zijn schatkist, als een heilige zaak, want zijne reinheid was meer tot zijne heerlijkheid dan zijn rijkdom dit was. Christus geeft een reden op voor Zijn verjagen van de kooplieden uit den tempel, vers 46. De tempel is een huis des gebeds, afgezonderd tot gemeenschapsoefening met God: de kopers en verkopers maakten hem tot een kuil der moordenaren, door de bedrieglijke handelingen, die er plaatshadden en volstrekt niet geduld mochten worden, want dit leidde de gedachten af van hen, die er kwamen om te bidden.
2. Hij maakte er het best-mogelijke gebruik van, want Hij leerde dagelijks in den tempel, vers 47. Het volstaat niet dat ene kerk uitgezuiverd wordt van bederf, maar de prediking van het Evangelie moet aangemoedigd worden. Merk nu op, toen Christus in den tempel predikte, hoe kwaadwillig de kerkregeerders tegen Hem waren, hoe ijverig zij naar een gelegenheid zochten, of liever naar een voorwendsel, om Hem kwaad te doen, vers 47. De overpriesters, en de schriftgeleerden, en de oversten des volks, het grote sanhedrin, dat naar Hem had moeten horen, en ook het volk had moeten oproepen om naar Hem te horen, zochten Hem te doden.
b. Hoe eerbiedig het geringe volk jegens Hem was. Het volk hing Hem aan, en hoorde Hem. Zijn meesten tijd bracht Hij door op het land, en dan predikte Hij niet in den tempel, maar als Hij het deed, bewees het volk Hem groten eerbied, luisterde aandachtig naar Zijne prediking, en liet geen gelegenheid voorbijgaan om Hem te horen. Sommigen lezen dit: "Al het volk, Hem horende, koos Zijne zijde, en dit past hier zeer goed bij als een reden, waarom Zijne vijanden niet vonden wat zij doen zouden tegen Hem. Zij zagen dat het volk tegen hen in opstand zou komen, als zij geweld jegens Hem pleegden. Totdat Zijne ure was gekomen heeft Zijn invloed op het gemene volk Hem beschermd, maar toen Zijne ure was gekomen, heeft de invloed der overpriesters op het volk Hem doen overleveren.