Psalm 103:1-5
David spreekt hier in zijn eigen hart, en het is geen dwaas, die aldus tot zichzelf spreekt en zijn eigen ziel opwekt tot hetgeen goed is.
Merk op:
I. Hoe hij zichzelf aanspoort tot de plicht van God te loven, vers 1, 2.
1. Het is de Heere, die geprezen moet worden, van wie goed moet worden gesproken, want Hij is de bron van alle goed, wat er ook voor goeds is in de kanalen, het is aan Zijn naam, Zijn heilige naam, dat onze lof gewijd moet zijn, zegt lof ter gedachtenis van Zijn heiligheid.
2. Het is de ziel, die gebruikt moet worden voor het loven van God, en al wat binnen in ons is. Wij maken niets van onze Godsdienstige verrichtingen als wij er geen hartewerk van maken, indien hetgeen binnen in ons is, ja, indien niet al wat binnen ons is, er voor in het werk wordt gesteld. Dit werk vereist de inwendige mens, de gehele mens, en dat is nog weinig genoeg.
3. Ten einde Gode dank te kunnen betalen moet er een dankbare herinnering zijn aan al de zegeningen, die wij van Hem hebben ontvangen, vergeet geen van Zijn weldaden. Als wij er niet voor danken, dan vergeten wij ze, en dat is onrechtvaardig zowel als onvriendelijk, daar er toch in al de gunsten van God zoveel gedenkwaardigs is. "O mijne ziel, tot uw schande zij het gezegd, gij hebt vele van Zijn weldaden vergeten, maar gewis, gij zult ze niet alle vergeten, want gij behoordet er geen van vergeten te hebben."
II. Hoe hij zich van ruime stof voorziet voor zijn lof. "Welaan, mijne ziel, bedenk, ga eens na wat God voor u gedaan heeft."
1. Hij heeft uw zonden vergeven, vers 3. Hij heeft vergeven en vergeeft al uw ongerechtigheden." Dit wordt het eerst genoemd, omdat door de vergeving van zonde datgene uit de weg is geruimd, waardoor het goede ons werd onthouden, en omdat wij er door hersteld zijn in de gunst van God, die ons het goede schenkt. Bedenk wat de terging, de belediging was, het was ongerechtigheid, en toch werd zij vergeven, hoevele de beledigingen waren, en toch werden zij allen vergeven. Hij heeft al onze overtredingen vergeven. Het is een voortdurende daad, Hij vergeeft nog, daar wij nog zondigen en nog berouw hebben van onze zonde.
2. "Hij heeft uw krankheden genezen." Het bederf van de natuur is de ziekte van de ziel, het is haar kwaal en bedreigt haar met de dood, deze is genezen in heiligmaking, als de zonde gedood wordt, dan is de ziekte genezen, hoe gecompliceerd ook, zij is geheel genezen. Onze misdaden hadden de dood verdiend, maar God redt ons het leven door ze te vergeven. Deze twee gaan samen, want Gods werk is volmaakt en geschiedt niet ten halve. Als God door vergevende genade de schuld van de zonde wegneemt, dan zal Hij door vernieuwende genade er de kracht van breken. Waar Christus voor een ziel tot gerechtigheid is geworden, daar is Hij ook tot heiligmaking geworden, 1 Corinthiers 1:30. 3. "Hij heeft u gered uit gevaar." Een mens kan in levensgevaar zijn niet alleen door zijn misdaden of zijn krankheden, maar ook door de macht van zijn vijanden, en daarom ervaren wij ook hierin de goedheid van God. Die uw leven verlost van het verderf, vers 4, van de verderver, van de hel aldus Chaldeer, van de tweede dood. De verlossing van de ziel is zo kostelijk, zo groot, dat wij haar niet kunnen bewerken, zoveel groter dankbaarheid zijn wij verschuldigd aan God, die haar door Zijn genade tot stand heeft gebracht, aan Hem, die de eeuwige verlossing voor ons verkregen heeft. Zie Job 33:24, 28.
4. "Hij heeft u niet alleen verlost van dood en verderf, maar u waarlijk en volkomen gelukkig gemaakt met eer, genoegen en een lang leven."
A. Hij heeft u ware en grote eer gegeven, niets minder dan een kroon, Hij kroont u met Zijn goedertierenheid en barmhartigheden, en voor wat grotere waardigheid is een arme ziel vatbaar dan om bevorderd te worden in de liefde en gunst van God? Deze eer hebben al Zijn heiligen. Wat is de kroon van de heerlijkheid anders dan de gunst van God?
B. "Hij heeft u waar genoegen geschonken, Hij verzadigt uw mond met het goede, " vers 5. Het is alleen de gunst en genade van God, die verzadiging, voldoening kan geven aan de ziel, haar noden en behoeften kan vervullen, aan haar begeerten kan beantwoorden, "haar schatkameren kan vervullen," Spreuken 8:21, andere dingen kunnen wel oververzadigen, maar geen voldoening schenken, Prediker 6:7, Jesaja 55:2.
C. "Hij heeft u een vooruitzicht gegeven op en een onderpand gegeven van een lang leven, Hij vernieuwt uw jeugd als eens arends." De arend is een lang-levende vogel, en de natuurkundigen zeggen dat hij, als hij bijna honderd jaren is geworden, al zijn vederen afwerpt, (gelijk hij die grotendeels ieder jaar in de ruitijd verandert), en nieuwe er voor in de plaats krijgt, zodat hij dan weer jong wordt. Als God door de genade en vertroostingen van Zijn Geest Zijn volk opricht uit hun verval en hen vervult van nieuw leven en nieuwe blijdschap, dat hun een onderpand is van eeuwig leven en eeuwige blijdschap, dan kan van hen gezegd worden, dat zij tot de dagen hunner jonkheid wederkeren, Job 33:25.