2 Samuël 7:1-3
I. Hier is: David in rust. Hij zat in zijn huls, vers 1, kalm en ongestoord, geen aanleiding hebbende om ten strijde uit te gaan. De Here had hem rust gegeven van al zijn vijanden rondom, van allen, die vijanden waren van zijn bevestiging op de troon, en hij zet er zich toe om van die rust te genieten, hoewel hij een krijgsman was, was hij toch vreedzaam. Psalm 120:7, en had hij geen lust in oorlogen. Hij was nog niet lang tot rust gekomen, en het zal ook niet lang duren eer hij weer oorlog te voeren zal hebben, maar voor het ogenblik genoot hij rust en kalmte, en was hij nu in zijn element, als hij nederzat in Gods huis en de wet Gods bepeinsde.
II. Davids gedachte om tot eer van God een tempel te bouwen. Hij had een paleis gebouwd voor zichzelf en een stad voor zijn dienaren, en nu denkt hij aan het bouwen van een woning voor de ark.
1. Aldus wilde hij dankbare vergelding doen voor de eer, die God hem geschonken had. Als God in Zijn voorzienigheid veel voor ons gedaan heeft, dan moet ons dit doen bedenken wat wij voor Hem en Zijn eer doen kunnen. Wat zal ik de Here vergelden?
2. Aldus wilde hij een goed gebruik maken van de rust, die God hem gegeven heeft. Nu hij niet geroepen was om God en Israël te dienen op de hoogten des velds, wilde hij zijn gedachten, zijn tijd en zijn goederen gebruiken om Hem op een andere wijze te dienen, en zich niet toe te geven in gemak, en veel minder nog in weelde. Als God in Zijn voorzienigheid ons rust geeft, en weinig voor ons te doen heeft in wereldlijke aangelegenheden, dan moeten wij zoveel te meer doen voor God en onze ziel. Hoe verschillend waren Davids gedachten, toen hij in zijn paleis zat, van die van Nebukadnezar, toen hij op het zijne wandelde! Daniël 4:29, 30. Deze trotse man dacht aan niets dan aan de sterkte van zijn macht en de eer van zijn heerlijkheid, die ootmoedige ziel bedenkt slechts middelen om God te verheerlijken en Hem eer te geven, en de uitkomst toonde hoe God de hovaardige weerstond, genade en eer gaf aan de nederige. David dacht aan het statige van zijn eigen woning, vers 2, ik woon in een cederen huis, en vergeleek daarmee het geringe van de woonstede van de ark-deze woont in het midden van de gordijnen, en hij vond het ongerijmd dat hij in een paleis zou wonen en de ark in een tent. David heeft geen rust gehad eer hij een plaats had gevonden voor de ark, Psalm 132:4, 5, en zelfs nu kan hij geen rust hebben eer hij een betere plaats voor haar gevonden heeft. Godvruchtige, dankbare zielen denken dat zij nooit genoeg voor God kunnen doen, als zij veel gedaan hebben, bedenken zij om nog meer te doen, bedenken zij milddadigheid. Zij kunnen van hun eigen gerieflijkheden niet genieten, zolang zij de kerk Gods in nood zien en onder een wolk. David kan weinig behagen vinden in een cederen huis voor zichzelf, tenzij de ark er ook een heeft. Zij, die op elpenbenen bedsteden lagen, en zich niet bekommerden over de verbreking Jozefs, hadden wel Davids muziek, maar niet Davids geest, Amos 4:4, 6, evenmin als zij, die in hun gewelfde huizen woonden, terwijl Gods huis woest was.
III. Hij deelde zijn gedachten hieromtrent mee aan Nathan de profeet. Hij sprak er hem over als aan een vriend en vertrouweling, wie hij gewoon was te raadplegen. Kon David dit werk dan niet ter hand nemen zonder iemand er over te raadplegen? Was het niet een goed werk? Was hijzelf niet een profeet? Ja, maar de behoudenis is in de veelheid van de raadslieden. David zei het hem, opdat hij door hem de wil Gods er in zou kennen. Het was zeker een goed werk, maar het was niet zeker dat het Gods wil was, dat David het zou doen. IV. Nathans goedkeuring er van. Ga heen doe al wat in uw hart is, want de Here is met u, vers 3. Wij bevinden niet dat David hem zei, dat hij een tempel wilde bouwen, maar alleen, dat het hem een verdriet was, dat er geen gebouwd was, waaruit Nathan gemakkelijk afleidde wat in zijn hart was en hem zei het te doen, en dat hij er voorspoedig in zou zijn. Wij moeten alles doen wat wij kunnen om de goede voornemens en bedoelingen van anderen aan te moedigen en te bevorderen, een goed woord spreken, als wij er de gelegenheid toe hebben om een goed werk goede voortgang te doen hebben. Nathan zei dit, niet in de naam van God maar als uit zichzelf, niet als een profeet maar als een wijs en Godvruchtig man, het was in overeenstemming met de geopenbaarde wil van God, die eist dat een ieder in zijn plaats zich te koste zal geven voor de bevordering van de dienst van God en Zijn aanbidding, hoewel de verborgen wil anders schijnt geweest te zijn, namelijk dat David dit niet doen zou. Het was Christus' kroonrecht, altijd de wil van God te spreken, die Hij volkomen kende, andere profeten spraken die alleen, als de geest van de profetie op hen was, maar als zij zich ergens in vergisten, zoals Samuël, 1 Samuël 16:6, en hier Nathan, dan heeft God hun vergissing spoedig gerectificeerd.