Jesaja 48:16-22
Evenals in de vorige verzen worden hier Jakob en Israël opgeroepen om te horen naar hetgeen de profeet in Gods naam tot hen zegt, of liever naar hetgeen God hun in en door de profeet zegt. En deze is een type van de groten Profeet, door wie God in deze laatste dagen heeft gesproken tot ons, en dit is voldoende. Nadert gijlieden tot mij, hoort dit. Zij, die willen horen en verstaan hetgeen God zegt, moeten nader en bij Hem komen, zij moeten zo dicht mogelijk bij Hem komen. Zij, die geluisterd hebben naar de bedreiging, moeten nu nader komen en hiernaar luisteren, opdat zij bevestigd mogen worden in hun besluit om God te dienen. Zij die dicht tot God naderen, mogen er op rekenen dat Zijn verborgenheid voor hen zal zijn.
Hier:
I. Verwijst God hen naar hetgeen Hij vroeger tot hen gezegd en voor hen gedaan heeft, indien zij daaraan wilden gedenken, zou dat hen grotelijks bemoedigen om ook nu op Hem te vertrouwen.
a. Hij heeft altijd ronduit tot hen gesproken van de beginne, door Mozes en al de profeten, Ik heb niet in het verborgen gesproken, maar in het openbaar, van de top van Sinai en in de voorname plaatsen van samenkomst, de plechtige vergaderingen van hun stammen. Hij gaf hun Zijn godsspraken niet ingewikkeld en dubbelzinnig, maar zo dat zij ze begrijpen konden, Habakuk 2:2.
b. Hij had altijd wonderlijk voor hen gehandeld, van die tijd af dat het geschied is, dat zij tot volk gevormd werden, ben Ik daar, Ik heb altijd onder hen gewoond en hun zaken geleid. Hij zond hun profeten, verwekte hun richters en verscheen hun meermalen. En daarom zal Ik dezelfde blijven. Hij die tot hiertoe met de Zijnen geweest is, zal tot het einde met hen zijn.
II. De profeet zelf, als type van de grote profeet, bevestigt zijn zending om hun deze boodschap te brengen. En nu de Heere Heere (dezelfde die van de beginne en nooit in het verborgen gesproken heeft) en Zijn Geest heeft mij gezonden, vers 16. Van de Geest van God wordt hier gesproken als van een persoon, onderscheiden van de Vader en de Zoon, en die goddelijke macht heeft om profeten te zenden. Wie door God gezonden wordt, is door zijn Geest gezonden. Zij, wie God enige dienst opdraagt, worden door de Geest daarvoor voldoende bereid gemaakt. Zij mogen vrijmoedig spreken en moeten gehoorzaam aangehoord worden, want God en zijn Geest hebben hen gezonden. Hetgeen door de profeet in dergelijk verband gezegd wordt in Jesaja 61:1, wordt in Lukas 4:21 op Christus toegepast. Hem zond de Heere, en Hij had de Geest zonder mate.
III. God zendt hun door Zijn profeet een genaderijke boodschap tot hun ondersteuning en vertroosting onder hun beproeving, vers 17. Aldus zegt Jahweh, de eeuwige God uw Verlosser, die zich dikwijls getoond heeft dat te zijn, die zich daartoe verbonden heeft, en die zijn verbintenis nauwgezet nakomen zal. want Hij is de Heilige, die niet bedriegen kan, de Heilige Israëls, die hen niet bedriegen zal. Dezelfde woorden waarmee de wet aanving en waardoor zij gezag kreeg leiden de belofte in en geven haar waarde. Ik ben de Heere uw God, op wie gij u moogt verlaten, die in betrekking tot u sta, die met u een verbond heeft.
1. Hier is het goede werk, dat God onderneemt voor hen te verrichten. Hij, die hun Verlosser is, zal daarom zijn: a. Hun onderwijzer. Ik ben de Heere uw God die u leert wat nut is die u zulke dingen leert als nuttig voor u zijn dingen die tot uw vrede behoren. Hierdoor betoont God zich te zijn de God, die met ons in verbond staat, dat Hij ons onderwijst, Hebreeën 8:10, 11, en niemand onderwijst gelijk Hij, want Hij geeft het verstand. Degene die God verlost, die onderwijst Hij, die Hij uit hun droefenissen verlossen wil, die leert Hij eerst van hun droefenissen voordeel te trekken, en maakt hen deelgenoten van Zijn heiligheid, want "dat is het nut, waartoe Hij ons kastijdt," Hebreeën 12:10.
b. Hun gids. Hij leidt hen op de weg die zij gaan moeten. Hij verlicht niet alleen hun ogen, maar Hij leidt hun schreden, door Zijn genade leidt Hij hen in de weg van plicht en door zijn voorzienigheid in de weg van verlossing. Zalig zij die onder deze leiding staan.
2. Hier is het goed dat God verklaart voor hen te hebben bij Zijn goede wensen voor hen, vers 18, 19. Zeker, Hij had hen in de gevangenis gebracht maar dat was hun eigen schuld, want Hij bedroefde hen niet van harte.
a. Toen Hij hun Zijn wet gaf, begeerde Hij ernstig dat zij gehoorzaam zouden zijn. "Och, dat zij zo'n hart hadden!" Deuteronomium 5:29. "O dat zij verstandig waren!" Deuteronomium 32:29. Evenzo als Hij hen gestraft had om hun verbreken van de wet, begeerde Hij dat zij gehoorzaam zouden zijn. "Och, dat gij naar mijne geboden geluisterd had! Och, dat Mijn volk naar mij gehoord had," Psalm 81:14. Dit bevestigt wat God gezegd heeft, dat Hij geen lust heeft in de dood des zondaars.
b. Hij verzekert hun dat, indien zij gehoorzaam geweest waren, zij niet alleen hun gevangenschap zouden voorkomen hebben, maar dat zij zouden bevestigd en bevorderd zijn geworden in voorspoed. Hij had overvloed van goede dingen gereed om hun te geven, zo maar hun ronden die niet van hen hadden afgewend, Jesaja 59:1,2. Zij zouden geleid zijn in een onafgebroken stroom van voorspoed. Uw vrede zou geweest zijn als een rivier, gij zoudt u verheugd hebben over een reeks van weldaden, die elkaar gestadig zouden volgen als de golfjes van een rivier, niet gelijk het water van een regenbeek, dat spoedig vervloten is.
c. Hun deugd, hun eer en de rechtvaardigheid van hun zaak zouden bij alle gelegenheden alle tegenstand tenonder gebracht hebben, door hun eigen kracht, hun gerechtigheid zou geweest zijn als de golven van de zee. Zo zou hun gerechtigheid geweest zijn, dat niets daartegen stand houden kon. Maar nu zij ongehoorzaam geweest waren, was de stroom van hun voorspoed en vrede onderbroken en hun gerechtigheid overmeesterd.
d. Hun nakomelingen zouden zeer talrijk en zeer voorspoedig geweest zijn, terwijl zij nu zeer gering in getal waren, hetgeen blijkt uit het kleine aantal van de terugkerende ballingen, in Ezra 2:64 genoemd, samen niet zoveel als een stam telde toen zij uit Egypte togen. Zij zouden ontelbaar geweest zijn "als het zand aan de oever van de zee," overeenkomstig de belofte in Genesis 22:17, maar nu hadden zij deze zegen verbeurd. Die uit uw ingewanden voortkomen zouden geweest zijn als de steentjes op het strand in aantal, indien uw gerechtigheid onweerstaanbaar en onoverwinnelijk geweest ware als de golven van de zee.
e. De eer van Israël zou onbevlekt en onaangetast gebleven zijn. uw naam zijn niet worden afgehouwen of verdelgd van voor Mijn aangezicht, gelijk nu het geval was in het land van Israël, dat of verlaten was of door vreemdelingen bewoond werd. Niet verdelgd van voor Mijn aangezicht. De naam van een geslacht of van een koninkrijk kan niet gerekend worden verdelgd te zijn, alvorens hij verdelgd is van voor Gods aangezicht, dat is ophoudt een naam te zijn in Zijn heilige plaats. Nu zegt God hun dit alles wat Hij voor hen gedaan zou hebben, indien zij in hun gehoorzaamheid volhard hadden.
Ten eerste. Opdat zij zich zoveel dieper zouden verootmoedigen over hun zonden, waardoor zij dit alles verbeurd hadden. Dit moet ons in toorn tegen de zonde doen ontsteken, dat zij ons niet alleen de goede dingen doet verliezen, welke God ons gegeven heeft, maar bovendien ons berooft van de zegeningen welke God voor ons in voorraad had. Het zal de ellende van de ongehoorzamen verzwaren en zoveel ondraaglijker maken, te denken hoe gelukkig ze hadden kunnen zijn.
Ten tweede. Opdat zijn genade zoveel helderder zou schitteren wanneer Hij verlossing bewerkte voor hen, die deze zo verbeurd en zichzelf onwaardig gemaakt hadden. Niets had hen kunnen redden de een voorrecht van genade.
IV. Hier wordt verzekering gegeven van het grote werk, dat God besloten heeft voor hen te doen, namelijk hun verlossing uit de gevangenschap, wanneer Hij zijn werk in hen volbracht had.
1. Hier wordt hun verlof gegeven om Babel te verlaten. God kondigde dat af lang voordat Cyrus het deed, dat ieder die wilde naar zijn land kon terugkeren, vers 20. Gij hebt volle verlof daartoe, Ga uit van Babel, de gevangenisdeuren zijn opengeworpen en de bazuin van vrijlating is geblazen. Wellicht heeft de Geest des Heeren met dit woord bedoeld de geesten op te wekken van hen, die gebruik wilden maken van Cyrus proclamatie. Ezra 1:5. Vliedt van de Chaldeën, niet in geheimzinnige, verstolen vlucht, gelijk Jakob vlood van Laban, maar vliedt met heilige minachting, het verwerpende om nog langer onder hen te blijven, vlucht niet steelsgewijs en bezorgd, maar met een stem, een stem des gejuichs, gelijk gij gevlucht zijt uit Egypte, Exodus 15:1.
2. Hier wordt het nieuws naar alle kanten afgekondigd. Doet het horen, laat het rondgezegd worden, brengt het uit tot aan het uiterste einde van de aarde, zendt de tijding mondeling en schriftelijk van stad tot stad, van koninkrijk tot koninkrijk, zelfs tot de verst-gelegen streken, de uiterste einden van de aarde. Dit is een type van de verkondiging des Evangelies over de gehele aarde, maar deze brengt blijde tijding waarbij de gehele wereld belang heeft, deze alleen dat die er toe bereid is er nota van zal nemen, dat hun gevraagd wordt hun afgoden te verzaken en tot de dienst van de God Israëls over te gaan. Allen moeten weten:
A. Dat allen, die God voor Zijn eigendom verklaart, zullen zich die Hij duur gekocht en betaald heeft. De Heere heeft Zijn knecht Jakob verlost, Hij heeft het vroeger gedaan toen Hij hem uit Egypte leidde, en Hij doet het nu. Jakob was Gods knecht, en daarom heeft Hij hem verlost, want wat hebben andere meesters met Gods dienstknechten te doen? Israël is Gods Zoon, daarom moet Farao hem laten gaan. God verloste Jakob en daarom behoorde hij Gods knecht te zijn Psalm 116:16. De Verbondsgod heeft hen verlost en daardoor zoveel vaster aan zich verbonden. Hij, die ons verlost heeft, bezit een onbetwistbaar recht op ons.
B. Voor hen, die God besluit thuis te brengen, zal Hij zorgdragen, dat zij geen gebrek hebben aan de noodzakelijke uitgaven voor de reis. Zij hadden geen dorst toen Hij hen leidde door de dorre plaatsen, vers 21. Want overal waar zij heengingen volgde hen het water uit de rots. Hij deed de wateren vloeien en daar rotswater het helderst en smakelijkst is, kloofde God de rots en de wateren stroomden er uit want Hij kan in de behoeften van Zijn volk voorzien door middelen, waaraan zij het laatst zouden gedacht hebben. Dit ziet op hetgeen Hij voor hen deed toen Hij hen uit Egypte uitgeleid had, want toen was het letterlijk zo geschied. Maar het zou nu niet minder gedaan worden bij hun uittocht uit Babel, toen zij en de hunnen voor de reis evengoed voorzien werden. En God doet Zijn werk even merkwaardig door Zijn gewone voorzienigheid als door wonderen ofschoon daarop wellicht veel minder gelet wordt. Dit is toepasselijk op de schatten van genade, welke voor ons verborgen zijn in Christus Jezus, uit wie al het goede voor ons vloeit gelijk het water voor Israël uit de rots vloeide, want de rotssteen was Christus.
3. Hier wordt een bedreiging tussen gevoegd voor de goddelozen, die nog in hun ongerechtigheden voortgaan. Zij moeten niet denken dat zij enig aandeel hebben aan de zegeningen van Gods volk, of schoon zij uiterlijk en in belijdenis zich daarbij voegen. Zij mogen niet verwachten met dat volk te zullen delen, ofschoon Gods gedachten over dat volk als één geheel gedachten des vredes waren. Maar daaronder waren goddelozen, die niet bekeerd wilden worden, voor hen is er geen vrede, geen vrede met God of met hun eigen geweten, neen, geen wezenlijk goed, wat zij ook mogen voorwenden. Wat hebben Zij te doen met vrede die vijanden Gods zijn? Hun valse profeten beloofden vrede aan hen, die het niet toekwam, maar God zegt dat er geen vrede of iets dergelijks zal zijn voor de goddelozen. De twist met God van zondaren, die niet tot berouw komen, zal een eeuwige twist zijn.