Spreuken 8:12-21
De wijsheid hier is Christus, in wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn, het is Christus in het woord, en Christus in het hart, niet alleen Christus aan ons geopenbaard, maar Christus in ons geopenbaard. Het is het Woord van God, de gehele omvang van de Goddelijke openbaring, het is God, het Woord, in wie alle Goddelijke openbaring zich concentreert, het is de ziel, gevormd door het woord, het is Christus, gevormd in de ziel, het is Godsdienst in zijn reinheid en kracht. Heerlijke dingen worden hier van deze uitnemende persoon, van deze uitnemende zaak gesproken.
I. De Goddelijke wijsheid geeft aan de mensen een goed hoofd, vers 12. Ik, wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, niet bij vleselijke staatkunde (de wijsheid, die van boven is, is daaraan tegenovergesteld, 2 Corinthiers 1:12), maar bij ware voorzichtigheid, welke dient voor de goede regeling van de wandel en van de omgang met elkaar, die wijsheid van de voorzichtigen, die ons onze weg doet verstaan, en in alle omstandigheden nuttig is om te bestieren, de voorzichtigheid van de slang, niet alleen om voor kwaad te behoeden, maar om ons te leiden en te besturen in goeddoen. De wijsheid woont bij de voorzichtigheid, want voorzichtigheid is het voortbrengsel van de Godsdienst, en hier wordt met de hulp van de Schrift meer kennis gevonden, beide voor het rechte verslaan van de leidingen van Gods voorzienigheid en voor het verijdelen van Satans raadslagen en het goeddoen in ons geslacht, dan ooit ontdekt werd door de geleerdheid van de filosofen of het beleid van de staatslieden. Wij kunnen het toepassen op Christus zelf, Hij woont, bij de kloekzinnigheid, want geheel Zijn onderneming is de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, waarin Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid.
II. Zij geeft de mensen een goed hart vers 13. De ware Godsdienst, bestaande in de vreze des Heeren, welke de wijsheid is, die tevoren werd aanbevolen, leert de mensen:
1. Alle zonde te haten, als mishagende aan God, en verderfelijk zijnde voor de ziel, de vreze des Heeren is te haten het kwade, de kwade weg, de zonde te haten als zonde, en daarom alle leugenpaden te haten. Waar ontzag is voor God, daar is vrees voor de zonde, als een kwaad, als enig en alleen kwaad.
2. Inzonderheid hoogmoed en hartstocht te haten, deze twee algemeen heersende en gevaarlijke zonden. Waanwijsheid, een hoge dunk van onszelf, de hovaardigheid en de hoogmoed zijn zonden, die Christus haat, evenals allen, die de Geest van Christus hebben, iedereen haat ze in anderen, maar wij moeten ze haten in onszelf. De mond van de verkeerdheden, gemelijkheid tegenover anderen, haat God, omdat hij zulk een vijand is van de vrede van de mensheid, en daarom moeten wij hem ook haten. Tot eer van de Godsdienst zij gezegd dat hij, hoe onrechtvaardiglijk hij ook wordt beschuldigd, zo ver is van de mensen verwaand en zuur te maken, dat niets meer tegenovergesteld er aan is dan hoogmoed en hartstocht, noch dat hij ons meer leert te verfoeien.
III. Zij heeft een grote invloed op openbare zaken en het goed bestuur over alle gemeenschappen, vers 14. Christus, als God, heeft sterkte en verstand. In Zijn wijsheid en macht als Verlosser is Hij de wijsheid Gods en de kracht Gods. Voor allen, die de Zijnen zijn, is Hij van God beide kracht en wijsheid gemaakt, in Hem zijn zij voor ons opgelegd, opdat wij onze plicht beide mogen kennen en doen. Hij is de Wonderlijke, de Raad, en geeft die genade, die alleen wezenlijke wijsheid is. Hij is het verstand zelf, en heeft sterkte voor allen, die zich in Hem versterken. De ware Godsdienst geeft de mensen in alle moeilijke omstandigheden de beste raad, en helpt om hun weg klaar en effen te maken, overal waar hij is, is hij verstand, hij heeft sterkte, hij zal alles voor ons wezen wat wij nodig hebben, beide tot dienen en tot lijden. Waar het Woord van God rijkelijk woont, maakt het de mens volmaakt, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.
Van alle mensen hebben koningen vorsten en rechters het meest behoefte aan wijsheid en sterkte, aan raad en kloekmoedigheid, ten einde de plichten, die hun opgelegd zijn, naar behoren te kunnen volbrengen, en een zegen te kunnen wezen voor het volk, over hetwelk zij gesteld zijn. Daarom zegt de wijsheid: door mij regeren de koningen, vers 15, 16. Dat is:
1. De burgerlijke regering is een Goddelijke instelling, en zij, aan wie het bestuur er over is toevertrouwd, hebben hun opdracht van Christus, het is een tak van Zijn koningsambt, dat door Hem koningen regeren, aan Hem, aan wie al het oordeel is overgegeven, is hun macht ontleend. Zij regeren door Hem, en daarom behoren zij te regeren voor Hem.
2. Welke gaven en bevoegdheden voor de regering koningen of vorsten ook hebben, zij zijn ze verschuldigd aan de genade van Christus voor hen, Hij geeft hun de geest van de regering, en zij hebben niets, geen bekwaamheid, geen beginselen van recht en gerechtigheid, dan waarmee Hij hen begiftigd heeft. "Een Goddelijke uitspraak is op de lippen des konings" Spreuken 16:10, en zij zijn voor hun onderdanen wat Hij hen voor hen doet zijn.
3. De Godsdienst is in grote mate de kracht en steun van de burgerlijke regering, hij leert aan de onderdanen hun plicht, en zo regeren door hem de koningen zoveel gemakkelijker over hen, hij leert aan de koningen hun plicht, en zo regeren koningen door hem zoals zij behoren te regeren, zij stellen gerechtigheid terwijl zij regeren in de vreze Gods. Diegenen regeren goed, die door de Godsdienst geregeerd worden.
IV. Zij zal allen gelukkig maken, waarlijk gelukkig maken, die haar ontvangen en aannemen.
1. Zij zullen gelukkig wezen in de liefde van Christus, want Hij is het, die zegt: Ik heb lief die mij liefhebben, vers 17. Zij, die de Heere Jezus Christus in oprechtheid liefhebben zullen door Hem met een bijzondere onderscheidende liefde bemind worden, Hij zal hen liefhebben en zich aan hen openbaren.
2. Zij zullen gelukkig zijn in de goede uitslag van hun zoeken naar Hem. Die mij vroeg zoeken, bekendheid met mij zoeken, deel in mij zoeken te hebben, zoeken het vroeg, zoeken het ijverig, zoeken het voor alle andere dingen, zij die mij intijds, in de dagen hunner jeugd, beginnen te zoeken, zullen vinden wat zij zoeken. Christus zal de hunne wezen, en zij zullen de Zijnen zijn, Hij heeft nooit gezegd: Zoekt Mij tevergeefs.
3. Zij zullen gelukkig zijn in de rijkdom van de wereld, of in hetgeen oneindig beter is.
A. Zij zullen zoveel rijkdom en eer hebben als de oneindige wijsheid goed voor hen acht vers 18, zij zijn bij Christus, Hij heeft ze te geven, en of Hij het geschikt acht ze ons te geven moet aan Hem overgelaten worden. Soms draagt de Godsdienst er toe bij om mensen rijk en groot te maken in deze wereld, verkrijgt hun eer en achting, en vermeerdert aldus hun bezittingen, en de rijkdom, die de wijsheid geeft aan haar gunstgenoten, heeft deze twee voordelen:
a. Het is rijkdom en gerechtigheid, rijkdom, eerlijk verkregen, niet door bedrog en verdrukking, maar door eerlijke wegen en middelen, en rijkdom op liefdadige wijze gebruikt en besteed in aalmoezen, die gerechtigheid worden genoemd. Zij, die hun rijkdom hebben door Gods zegen op hun arbeid en vlijt, en die een hart hebben om er goed mee te doen hebben rijkdom en gerechtigheid.
b. Dat het daarom duurzaam goed is, rijkdom, verkregen door ijdelheid, zal spoedig verminderen, maar die op goede, eerlijke wijze verkregen is, zal duurzaam zijn en zal aan de kindskinderen worden nagelaten. En wat goed besteed wordt in werken van Godsvrucht en liefdadigheid is uitgezet op de beste interest, en zal als zodanig duurzaam zijn, want de vrienden, uit de onrechtvaardige Mammon verkregen, zullen wanneer ons ontbreken zal, ons ontvangen in de eeuwige tabernakelen, Lukas 16:9. Het zal na vele dagen gevonden worden, gevonden worden voor de eeuwigheid.
B. Indien zij geen rijkdom en eer hebben in deze wereld, zullen zij hebben wat oneindig beter is, vers 19. "Mijn vrucht is beter dun goud, en zal iets beters teweegbrengen, zal in kleiner omvang van meer waardij zijn, en mijn inkomen dan uitgelezen zilver, zal voor een betere handel kunnen dienen." Wij kunnen ons er van verzekerd houden, dat de voortbrengselen van de wijsheid niet alleen ten laatste maar dat intussen haar inkomen, niet alleen haar vrucht, maar haar inkomsten van meer waardij zijn dan de beste inkomsten, hetzij van dadelijke bezittingen, of van het toevallen van erfgoed in deze wereld.
4. Zij zullen thans gelukkig zijn in de genade van God, die zal op de goede weg hun gids wezen, vers 20. Dit is die vrucht van de wijsheid, die beter is dan goud, dan fijn goud, zij doet wandelen op de weg van de gerechtigheid, toont ons die weg, en gaat er ons op voor, de weg waarop God wil, dat wij zullen wandelen, en die ons gewis aan het begeerde doel zal brengen. Zij leidt ons in het midden van de paden des rechts, en behoedt ons voor afwijken ter van een of ter anderer zijde. "In medio virtus De deugd ligt in het midden." Door Zijn Geest leidt Christus de gelovigen in alle waarheid, en zo leidt Hij hen op de weg van de gerechtigheid, en wandelen zij door de Geest.
5. Zij zullen gelukkig zijn in de heerlijkheid van God hiernamaals, vers 21. De wijsheid leidt in de paden van de gerechtigheid, niet alleen om haar vrienden op de weg des plichts en van de gehoorzaamheid te houden maar ook om hen te doen beërven dat bestendig is, en hun schatkameren te vervullen, dat niet geschieden kan door de dingen van deze wereld, noch door iets, wat het ook zij, minder dan God en de hemel. Het geluk van hen, die God liefhebben en zich wijden aan Zijn dienst, is degelijk en geeft voldoening.
a. Het is degelijk, het is een geluk, dat in en op zichzelf bestaat, geen steunselen van buiten nodig heeft, geestelijke en eeuwige dingen zijn de enig wezenlijke en substantiële dingen. Blijdschap in God is wezenlijke blijdschap, zij is solide en wel gegrond op de beloften, Christus is er de borg van. Zij beërven goed, degelijk goed, hun erfdeel hiernamaals bestaat uit wezenlijk en degelijk goed, het is een geheel zeer uitnemend gewicht van eeuwige heerlijkheid, een blijvend goed in de hemelen, Hebreeën 10:34. Al het geluk, dat zij hebben als erfgenamen, is gegrond op hun kindschap.
b. Het geeft voldoening, het zal niet slechts hun handen vullen, maar hun schatkameren, hen niet slechts onderhouden, maar hen rijk maken. De dingen van deze wereld kunnen de buik van de mensen vervullen, Psalm 17:14, maar niet hun schatkameren, want zij kunnen zich daarvan niet eens verzekeren goederen te zullen opleggen voor vele jaren, zij kunnen er reeds heden nacht van beroofd worden, maar al zijn de schatkameren van de ziel ook nog zo ruim, er is in God genoeg, genoeg in Christus, genoeg in de hemel, om ze te vervullen. In de beloften van de wijsheid zijn voor de gelovigen goederen opgelegd, niet voor dagen en jaren, maar voor de eeuwigheid, daarom is haar vrucht beter dan goud.