2 Koningen 17:1-6
Wij hebben hier de regering en de val van Hosea, de laatste van de koningen van Israël, betreffende wie wij opmerken:
I. Dat hij, hoewel hij zich door verraad en moord de weg heeft gebaand tot de troon zoals wij lazen in Hoofdstuk 15:30, echter niet in het bezit er van is gekomen dan zeven of acht jaren later, want het was in het vierde jaar van Achaz dat hij Pekah heeft gedood maar zelf begon hij niet vóór het twaalfde jaar van Achaz te regeren, vers 1. Of het door de koning van Assyrië of door de koning van Juda, of door sommigen van zijn eigen volk was, dat hij zolang buiten het bezit van de door hem begeerde troon bleef, blijkt niet. Met recht werd hij aldus voor zijn slechte handelingen gestraft, en zo werd het woord van de profeet vervuld: Nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning, want wij hebben de Heere niet gevreesd, Hosea 10:3.
II. Dat hij wel slecht was, maar toch niet zo slecht als de koningen Israëls, die voor hem geweest waren, vers 2, niet zó gehecht aan de kalven als zij geweest waren. Eén ervan-dat te Dan werd, naar de Joden zeggen, tevoren door de koning van Assyrië weggevoerd in deze veldtocht, Hoofdstuk 15:29 waarnaar de profeet misschien verwijst: Uw kalf, o Samaria! heeft u verstoten, Hosea 8:5 hetgeen hem zoveel minder vertrouwen deed stellen in het andere. En sommigen zeggen dat Hosea het verbod had opgeheven om ter aanbidding naar Jeruzalem op te gaan, dat de vorige koningen hun onderdanen hadden opgelegd, terwijl hij het aan hen, die het wensten, heeft toegestaan. Wat zullen wij nu denken van de beschikking van Gods voorzienigheid, dat de ondergang van het rijk van Israël plaats had toen een van zijn beste koningen regeerde? Uw oordelen, o God, zijn een grote afgrond. God wilde hiermede tonen dat Hij met dit verderf over hen te brengen de bedoeling had te straffen:
1. Niet alleen de zonden van dat geslacht, maar ook die van de vorige eeuwen, en met hen af te rekenen voor de ongerechtigheden van hun vaderen, die zich toorn hadden vergaderd als een schat.
2. Niet alleen de zonden van hun koningen, maar de zonden van het volk. Mocht Hosea ook niet zo slecht wezen als de vorige koningen, het volk was even slecht als degenen, die vóór hen geweest waren, en het verzwaarde hun slechtheid en verhaastte hun ondergang, dat hun koning hun niet zo slecht een voorbeeld gaf als de vorige koningen, hun reformatie niet in de weg stond, hij veroorloofde hun beter te handelen, maar zij handelden even slecht als ooit tevoren, waardoor de schuld van hun zonde en hun verderf geheel voor hun rekening kwam.
III. Dat het verderf trapsgewijze kwam. Zij waren gedurende enige tijd schatplichtig gemaakt aan de koning van Assyrië, eer zij gevankelijk weggevoerd werden, vers 3, en indien dit kleinere oordeel hen had verootmoedigd en tot bekering had gebracht, het grotere zou voorkomen zijn.
IV. Dat zij het zelf over zich hebben gebracht door de slinkse middelen, die zij aanwendden om zich van het juk van de koning van Assyrië te bevrijden, vers 4. Indien de koning en het volk van Israël zich tot God hadden gewend, zich met Hem hadden verzoend, hun gebed tot Hem gericht hadden zij zouden hun vrijheid, hun welvaart en eer hebben herkregen, maar zij betaalden de schatting niet, en vertrouwden op de koning van Egypte, om hen bij te staan in hun afval van de koning van Assyrië, hetgeen, indien het gelukt was, hen toch slechts van meesters en verdrukkers had doen veranderen. Maar Egypte was hun tot een gebroken rietstaf geworden. Dit heeft de koning van Assyrië er toe gebracht om strenger tegen hen op te treden. Door te worstelen in het net, waardoor men omvangen is, geraakt men er slechts te meer in verward.
V. Dat het een volkomen verwoesting was die over hen kwam.
1. De koning van Israël werd gevangen genomen, hij werd gebonden en opgesloten, waarschijnlijk bij verrassing gevangen genomen zijnde eer Samaria belegerd werd.
2. Het land Israël werd tot een prooi gemaakt. Het leger van de koning van Assyrië trok door het gehele land, maakte er zich meester van, vers 5, en handelde met het volk als met verraders, die met het zwaard van de gerechtigheid gestraft moesten worden, veeleer dan als met eerlijke vijanden.
3. De koninklijke stad van Israël werd belegerd en eindelijk ingenomen. Drie jaren hield zij nog stand, nadat het land reeds was veroverd en ongetwijfeld hebben de inwoners gedurende die tijd veel ellende doorstaan, hetgeen niet in bijzonderheden vermeld is, maar juist het beknopte van het verhaal en het lichte heengaan over deze zaak geeft, dunkt mij, te kennen dat zij van God waren verlaten, en dat Hij thans niet, zoals vroeger, de benauwdheid van Israël aanzag.
4. Het volk van Israël werd gevankelijk naar Assyrië gevoerd, vers 6. Het gros van het volk, zij die van enig aanzien waren, werden met geweld naar het land van de overwinnaars gebracht om er slaven en bedelaars te zijn.
a. Aldus behaagde het hem heerschappij over hen te voeren en te tonen dat zij volkomen in zijn macht waren.
b. Door hen van hun bezittingen, hun roerend en hun onroerend goed te beroven, en hen bloot te stellen aan al de ongemakken, ontberingen en smaad van een verplaatsing naar een vreemd land, onder de macht van een gebiedend, ruw leger, strafte hij hen voor hun rebellie en hun poging om zijn juk af te werpen.
c. Aldus heeft hij alle dergelijke pogingen belet voor het vervolg, en zich het bezit van hun land verzekerd.
d. Aldus verkreeg hij het voordeel van hun dienst in zijn eigen land, zoals Farao van hun voorouders, en zo was dit onwaardig volk verloren zoals zij gevonden waren, eindigden zij, zoals zij waren begonnen, in slavernij en onder verdrukking.
e. Aldus maakte hij plaats voor diegenen van zijn eigen land, die weinig hadden en weinig in hun eigen land te doen hadden om zich te vestigen in een goed land, een land, overvloeiende van melk en honing. In dit alles diende hij zichzelf door deze gevangenschap van de tien stammen. Hier wordt ons gezegd naar welke plaatsen in zijn rijk hij hen heengevoerd heeft, naar Halah en Habor, plaatsen, die naar wij kunnen veronderstellen, ver van elkaar gelegen waren, opdat zij geen verstandhouding met elkaar zouden hebben, zich niet zouden verenigen om aldus weer tot een geduchte macht te worden. Wij hebben reden te geloven dat zij daar, na enigen tijd, zo vermengd raakten met de volken, dat zij er in opgingen, en dus verloren waren, en aan de naam Israël niet meer gedacht werd. Zij, die God vergaten, werden zelf vergeten, zij, die er zich op toelegden om als de andere volken te zijn, werden onder hen begraven, en zij, die God niet wilden dienen in hun eigen land, werden dienstbaar gemaakt aan hun vijanden in een vreemd land. Waarschijnlijk zijn het de aanzienlijken en vermogenden onder hen, die gevankelijk zijn weggevoerd, terwijl veel van de geringere lieden achtergelaten werden, velen uit iedere stam die, hetzij tot Juda overgingen, of onderdanen werden van de Assyrische kolonies, en hun nakomelingen waren de Galileërs en Samaritanen. Maar aldus eindigde Israël als volk, nu zijn zij Lo-ammi, niet een volk, geworden, en Lo-ruchama, niet ontfermd, niet begenadigd. Nu heeft Kanaän hen uitgespuwd. Wie zou toen wij lazen van hun intocht onder Hosea, de zoon van Nun, gedacht hebben dat zo hun uittocht zou wezen onder Hosea, de zoon van Ela? Aldus is Romes roem en heerlijkheid onder Augustus vele eeuwen daarna ondergegaan onder Augustulus. Gods voorzienigheid heeft het verdonkeren van de eer van de tien stammen zo beschikt, dat de eer van Juda, de koninklijke stam, en van Levi, de priesterlijke stam, die nog overbleven, er met zoveel helderder glans door zou schitteren. Toch vinden wij nog een getal van ieder van de twaalf stammen verzegeld, Openbaring 7, behalve van Daniël Jakobus schrijft aan de twaalf stammen in de verstrooiing, Jakobus 1:1, en Paulus spreekt van de twaalf stammen, die gedurig nacht en dag God dienen, Handelingen 26:7. Zodat, hoewel wij nooit lezen van de terugkeer van hen, die gevankelijk weggevoerd werden, en geen reden hebben om geloof te slaan aan de gissing van sommigen, dat zij nog als een afgezonderd volk ergens in een afgelegen hoek van de wereld bestaan, een overblijfsel van hen toch ontkomen is, om de naam Israël in stand te houden totdat die in de Evangeliekerk gedragen ging worden als het geestelijk Israël, waarin hij eeuwig blijven zal, Galaten 6:16.