2 Koningen 18:9-16
Het koninkrijk van Assyrië was nu aanzienlijk geworden, hoewel wij er voor de laatste regering nooit van gelezen hebben: zodanige veranderingen zijn er in de zaken van volken en geslachten, zij, die min en gering waren, worden geducht, terwijl daarentegen zij, die een groot aanzien hadden en veel gerucht hebben gemaakt in de wereld, naar de diepte worden gebracht. Wij hebben hier een bericht:
I. Van de voorspoed van Salmaneser, koning van Assyrië, tegen Israël, zijn belegering van Samaria, vers 9, zijn inneming van die stad, vers 10, en zijn wegvoering van het volk in gevangenschap, vers 11, met de reden, waarom God dit oordeel over hen heeft gebracht, vers 12, omdat zij aan de stem van de Heere, hun God, niet gehoorzaam waren geweest. In het vorige hoofdstuk werd dit uitvoeriger verhaald, maar het is hier herhaald:
1. Als hetgeen, waardoor Hizkia en zijn volk opgewekt werden om met zoveel ijver de afgoderij uit te zuiveren uit hun land, daar zij het verderf zagen, dat er over Israël door gekomen was. Toen het huis van hun buurman in brand stond, en hun eigen huis door die brand bedreigd werd, was het tijd om het gevloekte ding weg te werpen.
2. Als hetgeen Hizkia zeer betreurde, maar niet kon verhinderen, omdat hij er de macht niet toe had. De tien stammen waren afgevallen van, en waren dikwijls kwellend geweest voor, het huis van David, zelfs nog onder de regering van zijn vader, daar zij echter van het zaad Israëls waren, kon hun rampspoed hem niet verblijden.
3. Als hetgeen Hizkia en zijn rijk blootstelde aan de koning van Assyrië, daar het er veel gemakkelijker door werd voor hem om hem aan te vallen. Van de tien stammen wordt hier gezegd, dat zij Gods geboden noch wilden horen noch doen, vers 12. Velen zullen er zich mee vergenoegen gehoor te geven aan God die Hem echter niets meer willen geven, Ezechiël 33:31. Maar dezen, vast besloten hebbende hun plicht niet te doen, wilden zij ook niet van horen.
II. Van de aanslag van Sanherib, de koning van Assyrië, die Salmanezer was opgevolgd, tegen Juda, waarin hij aangemoedigd was door de voorspoed van zijn voorganger tegen Israël, met wiens eer en roem hij wilde wedijveren en wiens overwinningen hij wilde voortzetten. De inval, die hij deed was een grote ramp voor dat rijk, waarmee God het geloof van Hizkia wilde beproeven en het volk wilde kastijden, dat "een huichelachtig volk" wordt genoemd, Jesaja 10:6, omdat zij niet van harte instemden met Hizkia's reformatie, niet gewillig en gaarne afstand deden van hun afgoden, maar die in hun hart behielden en misschien ook wel in hun huizen, hoewel de hoogten waren weggenomen. Zelfs tijden van reformatie kunnen blijken zware en moeilijke tijden te zijn, zwaar en moeilijk gemaakt door hen, die de reformatie tegenstaan, en dan zal de schuld er van aan de hervormers gegeven worden. Deze ramp kan geacht worden Hizkia zwaar getroffen te hebben, als men bedenkt:
1. Hoeveel van zijn land hij er door verloor, vers 13. De koning van Assyrië nam alle-of de meeste- vaste steden van Juda weg, de grenssteden en de garnizoenssteden, en toen viel al het overige hem natuurlijk ook in handen. De verwarring, waarin het land door deze vijandelijke inval gebracht werd, wordt beschreven door de profeet Jesaja, Hoofdstuk 10:28-32. 2. Hoe duur hij de vrede gekocht heeft. Hij zag Jeruzalem zelf in gevaar van de vijand in handen te vallen, evenals Samaria, en hij was bereid de veiligheid van de stad te kopen ten koste van:
a. Een vernederende onderwerping: "ik heb gezondigd, door te weigeren de gewone schatting te betalen, en ben bereid de vergoeding te doen, die van mij geëist zal worden," vers 14. Waar was Hizkia's moed? Waar zijn bebouwen op God? Waarom heeft hij Jesaja niet geraadpleegd eer hij deze kruipende boodschap zond?
b. Een zeer grote som geld, drie honderd talenten zilver en dertig talenten goud, dat niet jaarlijks betaald moest worden, maar als losgeld voor het ogenblik, meer dan twee millioen vier honderd duizend gulden. Om deze som bijeen te krijgen was hij genoodzaakt niet slechts de schatkist van het land te ledigen, vers 15, maar de gouden platen van de deuren en pilaren van de tempel af te nemen, vers 16. Hoewel de tempel het goud heiligde dat hij er aan gewijd had, dacht hij dat, omdat de nood dringend was, hij daarmee doen mocht, zoals zijn vader David (die hij zich ten voorbeeld had gesteld) met de toonbroden gedaan heeft, en dat het noch goddeloos noch onvoorzichtig was om een deel te geven, ten einde het geheel te behouden. Zijn vader Achaz had de tempel geplunderd in minachting er van, 2 Kronieken 28:24. Hij had wat zijn vader weggenomen had met interest terugbetaald, en nu vraagt hij met alle eerbied, om het slechts in de nood en voor een beter doeleinde te mogen lenen, met het vaste voornemen om het, zodra hij er toe instaat zal zijn, ten volle terug te geven.