1 Timotheus 1:18-20
Hier is het gebod aan Timotheus om met beslistheid zijn werk voort te zetten, vers 18. Het Evangelie is een gebod, aan de dienaren gegeven, het is hun toevertrouwd en hun wordt geboden het plichtmatig te gebruiken naar de bedoeling en mening van den groten Bewerker. Het schijnt dat er profetieën omtrent Timotheus waren gegeven, dat hij tot de bediening moest toegelaten worden en zich daarin voorbeeldig betonen zou, en dat moedigde Paulus aan om hem het gebod te geven. Merk op:
1. De bediening is een strijd, een goede strijd tegen zonde en Satan, onder de banier van den Heere Jezus, die de overste Leidsman onzer zaligheid is, Hebreeën 21:10. In Zijn dienst en tegen Zijn vijanden zijn de dienaren op bijzondere wijze aangesteld.
2. De dienaren moeten dezen goeden strijd strijden, moeten hun roeping ijverig en moedig vervullen, niettegenstaande tegenwerking en ontmoediging.
3. De profetieën, die omtrent Timotheus voorgegaan waren, worden hier genoemd als een reden om hem aan te sporen tot ijverige en moedige vervulling van zijn dienst. Zo moet de goede verwachting, die anderen van ons koesteren, ons prikkelen om onzen plicht te doen. Opdat gij den goeden strijd moogt strijden.
4. Wij moeten het geloof en een goed geweten behouden. Houdende het geloof en een goed geweten, vers 19. Zij, die een goed geweten niet behouden, zullen spoedig schipbreuk lijden van het geloof. Laat ons leven naar de voorschriften van een vernieuwd, verlicht geweten en een onergerlijk geweten behouden, Handelingen 24:16, een geweten dat niet gedwarsboomd wordt door enige ondeugd of zonde, dat zal het middel zijn om een gezond geloof te bewaren. Wij moeten op het een zowel als op het ander letten, want de verborgenheid des geloofs moet in een rein geweten gehouden worden, 3:9. Van hen, die schipbreuk des geloofs geleden hebben, noemt hij er twee: Hymeneus en Alexander, die het Christelijk geloof beleden, maar die belijdenis verlaten hadden. Paulus had hen overgegeven aan den Satan, had hen verklaard te behoren tot het rijk des Satans, en hen, naar sommigen menen, door een buitengewone macht overgeleverd om door Satan verschrikt en gepijnigd te worden, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren, of de leer van Christus en Zijn goede wegen niet meer tegen te spreken en te onteren. De oorspronkelijke bedoeling van de hoogste kerkelijke tucht was het voorkomen van zonde en het terugroepen van den zondaar. In dit geval was het tot verderf des vlezes, opdat de geest mocht behouden worden in den dag van den Heere Jezus, 1 Corinthiërs 5:5. Merk op:
A. Zij, die den dienst en het werk van den Satan liefhebben, worden rechtvaardig overgeleverd aan den Satan, die ik den Satan overgegeven heb.
B. God kan, indien het Hem behaagt, werken door hetgeen Hem tegenstaat, Hymeneus en Alexander werden aan den Satan overgegeven, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren, terwijl men zou denken dat zij van Satan zouden leren voortdurend meer te las- teren.
C. Zij, die een goed geweten verworpen en van het geloof schipbreuk geleden hebben, zullen voor geen ding staan, zelfs lastering niet uitgezonderd. D. Laat ons dus het geloof en een goed geweten houden, indien wij vrij blijven willen van lastering, want indien wij een van die beide verliezen, weten wij niet waar het einde zal zijn.