Psalm 110:5-7
Hier zien wij onze grote Verlosser:
I. Zijn vijanden tenonder brengende vers 5, 6, ten einde hen tot Zijn voetbank te maken, vers 1. Onze Heere Jezus zal gewis alle tegenstand tegen Zijn koninkrijk tenietdoen, en allen ten verderve brengen, die deze tegenstand bieden en er in volharden. Hij zal hun, die tegen Hem strijden, wie zij ook zijn mogen, te sterk zijn, evenals ook allen, die strijden tegen Zijn onderdanen en de belangen van Zijn koninkrijk onder de mensen, hetzij door vervolging of door verkeerde krakelingen.
Merk hier op:
1. De overwinnaar. De Heere, Adonai, de Heere Jezus, Hij aan wie al het oordeel is overgegeven, zal Zijn zaak handhaven tegenover Zijn vijanden. De Heere is aan uw rechterhand, o kerk, aldus sommigen, dat is: de Heere is Zijn volk nabij, is hun een krachtdadige hulp, Hij is aan hun rechterhand, om hen te sterken en te helpen, Hij zal tegen Zijn en hun vijanden verschijnen, zie Psalm 109:31. "Hij zal de nooddruftige ter rechterhand staan," Psalm 16, 8. Sommigen merken op dat, als Christus gezegd wordt aan de rechterhand van Zijn kerk te staan om Zijn werk te doen, dit te kennen geeft dat, zo wij wensen dat Hij voor ons zal verschijnen, wij ons moeten inspannen, 2 Samuël 5:24. Of liever: Aan Uwe rechterhand, o God, verwijzende naar vers 1, in de waardigheid en heerschappij, waartoe Hij verhoogd is. Christus' zitten aan Gods rechterhand spreekt evenzeer van verschrikking voor Zijn vijanden als van geluk voor Zijn volk.
2. De tijd, bepaald voor deze overwinning ten dage Zijns toorns, dat is de tijd, die er voor bepaald is, als de maat hunner ongerechtigheid vol is, en zij rijp zijn voor het verderf. Als de dag van Zijn lankmoedigheid ten einde is dan komt de dag Zijns toorns. Christus heeft toorn, zowel als genade. Het is zaak voor ons, om de Zoon te kussen, want Hij kan toornig zijn, Psalm 2:12. En wij lezen van de toorn des Lams, Openbaring 6:16. Er is een dag des toorns vastgesteld, een jaar van de vergeldingen van Zions twistzaak, het jaar van de verlosten. De tijd is vastgesteld voor de verwoesting van bijzondere vijanden, en als die tijd gekomen is dan zal het geschieden, hoe onwaarschijnlijk dit ook geacht werd, maar de grote dag Zijns toorns zal aan het einde des tijds wezen, Openbaring 6:17.
3. De omvang van deze overwinning.
a. Zij zal zeer hoog reiken. Hij zal koningen verslaan. De voornaamsten van de mensen, die zich tegen Christus stellen, zullen voor Zijn aangezicht ten val worden gebracht. Zij zijn koningen van de aarde, heersers, die gewoon zijn hun doel te bereiken en hun wil te doen gelden, maar tegenover Christus zullen zij dit niet kunnen, zij maken zich slechts belachelijk door het te beproeven, Psalm 2:2-5. Al is hun macht onder de mensen ook nog zo onbeperkt, Christus zal hen ter verantwoording roepen, al is hun kracht ook nog zo groot, hun staatkunde ook nog zo diep, Christus zal hun te sterk zijn, zal in hetgeen, waarin zij trotselijk handelen, boven hen zijn. Satan is de overste van deze wereld, de dood is de koning van de verschrikking, en wij lezen van koningen, die krijg voeren tegen het Lam, maar zij zullen tenonder gebracht en verpletterd worden. b. Zij zal zeer ver reiken. De trofeeën van Christus' overwinningen zullen opgericht worden onder de heidenen, en in vele landen, overal waar er vijanden van Hem zijn, zal niet alleen Zijn oog maar Zijn hand hen ontdekken, hen vinden Psalm 21:9, en Zijn toorn zal hen volgen. Hij zal alle heidenen richten, Joël 3:2.
4. De billijkheid van deze overwinning, Hij zal recht doen onder de heidenen. Het is geen militaire executie, die in der haast geschiedt, maar een rechterlijke, eer Hij veroordeelt en doodt zal Hij richten, Hij zal doen blijken dat Zij zelf dit verderf over zich gebracht hebben, zelf de steen hebben gerold, die op hen wederkeert, opdat Hij rechtvaardig zij in zijn spreken en de hemelen Zijn gerechtigheid verkondigen. Zie Openbaring 19:1, 2.
5. De uitwerking van deze overwinning, het zal het volkomen en algeheel verderf van Zijn vijanden zijn. Hij zal hen verslaan, door wonden en de wonde, die Hij toebrengt, is ongeneeslijk. Hij zal de hoofden wonden over vele landen vers 6. Dit schijnt te verwijzen naar de eerste belofte van de Messias, Genesis 3:15, dat Hij "de kop van de slang zal vermorzelen." Hij zal het hoofd wonden van Zijn vijanden, Psalm 68:22, zo lezen het sommigen, Hij zal hem wonden, die het hoofd is over vele landen, hetzij Satan, of de antichrist, die de Heere verdoen zal met de adem Zijns monds. Hij zal zo'n verwoesting aanrichten onder Zijn vijanden, dat Hij de plaats vol dode lichamen zal maken. De verslagenen des Heeren zullen talrijk zijn. Zie Jesaja 34:3 en verv, Ezechiël 39:12, 14, Openbaring 14:20, 19:17, 18. Het vullen van de dalen (zo lezen het sommigen) met dode lichamen wijst misschien op het vullen van de hel (die soms vergeleken wordt met het dal van Hinnom, Jesaja 30:33, Jeremia 7:32) met veroordeelde zielen, want dat zal het deel wezen van hen, die in hun vijandschap tegen Christus volharden.
II. Wij zien hier de Verlosser Zijn vrienden behoudende en hen vertroostende, vers 7. Ten hun voordele:
1. Zal Hij vernederd worden. Hij zal op de weg uit de beek drinken, die bittere beker die de Vader in Zijn hand geeft gegeven. Hij zal zo vernederd en verarmd zijn, en daarbij zo ijverig bezig in Zijn werk, dat Hij modderig water zal drinken uit de poelen op de weg. Zo verstaan het sommigen. Het water van de toorn Gods, stromende in het kanaal van de vloek van de wet, was de beek op de weg, op de weg van Zijn onderneming, over welke Hij gaan moest, of, dat stroomde op de weg van onze verlossing en haar tegenhield, die tussen ons en de hemel lag. Christus dronk uit deze beek, toen Hij een vloek voor ons is geworden, en daarom is Hij, toen Hij inging tot Zijn lijden, "over de beek Kedron gegaan," Johannes 18:1. Hij heeft grote teugen gedronken uit deze zwarte beek (dat is de betekenis van de naam Kedron), deze bloedige beek, zo gedronken uit de beek op de weg dat Hij haar uit de weg van onze verlossing en zaligheid heeft weggenomen.
2. Zal Hij verhoogd worden. Daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen. Toen Hij stierf boog Hij het hoofd, Johannes 19:30, maar spoedig heeft Hij het hoofd opgeheven door Zijn eigen kracht in Zijn opstanding. Hij heeft het hoofd opgeheven als een overwinnaar, ja meer dan overwinnaar. Dit geeft niet alleen Zijn verhoging te kennen, maar ook Zijn juichend zegevieren, niet slechts Zijn verheffing, maar Zijn triomferen, Coloss. 2:15. De overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld. David heeft, als type van hem hierin, gezegd: Nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijne vijanden, Psalm 27:6. Zijn verhoging was het loon van Zijn vernedering. Omdat Hij zichzelf vernederd heeft, heeft God Hem uitermate verhoogd, Filipp. 2:9. Omdat Hij uit de beek op de weg gedronken heeft, heeft Hij Zijn hoofd opgeheven, en hierdoor ook het hoofd opgeheven van Zijn getrouwe volgelingen, die zo zij met Hem lijden, ook met Hem zullen heersen.