Openbaring 9:13-21
Wij willen het eerst de inleiding tot het visioen en daarna het visioen zelf beschouwen.
I. De inleiding tot het visioen. Ik hoorde ene stem uit de hoornen des gouden altaars, dat voor God was, vers 13, 14. Merk hier op:
1. De macht van de vijanden van Gods kerk wordt tegengehouden totdat God bevel geeft dat zij losgelaten worden.
2. Wanneer de volken rijp zijn voor de straffen, worden deze werktuigen van Gods toorn, die vroeger teruggehouden werden, losgelaten, vers 14. Ontbindt de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier de Eufraat.
3. De werktuigen, waarvan God gebruik maakt om een volk te straffen, liggen soms op groten afstand gereed, zodat daarvan geen gevaar te duchten schijnt. Deze vier uitvoerders van de goddelijke oordelen lagen gebonden bij de rivier de Eufraat, ver weg van de Europese volken. Vandaar heeft de Turkse macht haar oorsprong, die schijnt de inhoud van het visioen te zijn.
II. Het visioen zelf. En de vier engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure, en dag, en maand, en jaar, opdat zij het derde deel der mensen zouden doden. En het getal van de heirlegers was tweemaal tienduizenden der tienduizenden, en ik hoorde hun getal, vers 15, 16. Merk op:
1. De tijd van hun krijgsverrichtingen wordt bepaald, op uur, dag, maand en jaar. De betekenis van de profetische tijdsbepalingen kunnen wij moeilijk begrijpen, maar dit weten wij dat de tijd op het uur bepaald is, wanneer de oordelen zullen beginnen en eindigen, hoever de uitvoering zal gaan evenzeer, zij zal treffen het derde gedeelte van de bewoners der aarde. God zal maken dat de toorn der mensen Hem verheerlijkt, en het overblijfsel des toorns zal Hij opbinden.
2. Het leger, dat dit grote werk moet uitvoeren, wordt gemonsterd, het getal van de ruiterij was tweemaal tien duizenden der tienduizenden, aan ons wordt overgelaten te gissen hoeveel voetvolk er bij was. Dat toont ons in algemene trekken, dat de legers van het Mohammedaanse rijk onnoemlijk groot zouden zijn, zoals zij dan ook geweest zijn.
3. Hun schrikwekkende uitrusting en voorkomen. En ik zag alzo de paarden in dit gezicht en die daarop zaten, hebbende vurige, en hemelsblauwe en sulfer-vervige borstwapenen, en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hun monden ging uit vuur en rook en sulfer, vers 17. De paarden waren woest als leeuwen en begerig om in den strijd te lopen, en de ruiters bekleed met schitterende en kostbare wapenrustingen, alles tekenen van krijgsmoed, ijver en vastberadenheid.
4. De ontzettende verwoesting en ontvolking, die zij aanrichtten in het Romeinse rijk, dat nu anti- christelijk geworden was, een derde gedeelte van de bewoners werd gedood. Zij gingen zover als hun zending hun toeliet, en verder konden zij niet gaan. 5. Hun geschut, waardoor zij zulk een slachting aanrichtten, wordt beschreven als vuur, rook en sulfer, die uit de monden der paarden gingen, welke bovendien angels in hun staarten hadden. Naar de mening van Dr. Mede is dit een voorspelling van de grote kanonnen, die werktuigen van wreedheid, waardoor zo ontzettende vernieling wordt aangericht. Hij merkt op: kanonnen werden het eerst gebruikt door de Turken bij het beleg van Constantinopel, zij waren nieuw en vreemd, joegen daardoor groten schrik aan en hadden ontzettende uitwerking. Evenwel schijnt men hier een heen wijzing te zien naar hetgeen in het vorige gezicht getoond was, dat, gelijk de antichrist zijn krachten van geestelijken aard had, die gelijk schorpioenen de zielen der mensen met dwaling en afgoderij vergiftigden, zo ook de Turken, die verwekt werden om den anti-christelijke afval te straffen, hun schorpioenen en hun angels evenzeer hadden, om de lichamen te beschadigen en te doden van hen, die moordenaars van zo vele zielen waren geweest.
6. Merk nu op de onbekeerlijkheid van het anti-christelijk geslacht, onder deze vreeslijke oordelen. De overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen, en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen, en zij hebben zich ook niet bekeerd van hun doodslagen, noch van hun venijngevingen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen, vers 20, 21. De overige mensen, die niet gedood werden, bekeerden zich niet, maar bleven volharden in de zonden, waarvoor God hen zo gestreng strafte. Die zonden waren:
A. Hun afgoderij, zij wilden hun beelden, die hun toch geen goed doen konden, die niet konden zien, of horen, of wandelen, niet wegwerpen.
B. Hun moorden, die zij pleegden op de heilige dienstknechten van Christus. Het pausdom is een bloedige godsdienst, en schijnt besloten te zijn dat altijd te blijven.
C. Hun toverijen, zij hebben hun aanlokkelijkheden, en toverkunsten en bezweringen en dergelijke.
D. Hun hoererij, zij veroorloven beide vleselijke en geestelijke onreinheid, en bevorderen die in zich zelven en in anderen.
E. Hun dieverijen, door oneerlijke middelen hebben zij onmetelijke schatten opgehoopt, en daardoor steden, families, vorsten en landen verarmd. Dat zijn de meest in `t oog lopende misdaden van den antichrist en zijn dienaren, en ofschoon God Zijn toorn tegen hen van den hemel geopenbaard had, bleven zij hardnekkig, verhard, onbekeerlijk, en haalden zich het rechtvaardig oordeel Gods verder op den hals.
III. Van deze zesde bazuin kunnen wij leren:
1. God kan den enen vijand van Zijne gemeente tot een plaag en gesel voor den anderen vijand maken.
2. De Heere der legerscharen heeft grote legers tot Zijn beschikking, om Zijn doeleinden te bereiken.
3. De ontzaglijkste machten zien zich door Hem grenzen gesteld, die zij niet kunnen overtreden. 4. Wanneer Gods oordelen op de aarde zijn, verwacht Hij dat de inwoners daarop zich van hun zonden zullen bekeren en gerechtigheid leren.
5. Onbekeerlijkheid onder de oordelen Gods is een zonde, die haar bedrijvers in het verderf stort, want wanneer God oordeelt zal Hij overwinnen.