Openbaring 14:13-20
Hier hebben wij het gezicht van den oogst en van het snijden der druiven, plechtig ingeleid. Merk op:
I. De inleiding, vers 13.
1. Vanwaar deze voorzegging van den oogst kwam. Zij kwam van den hemel en niet van de mensen, en is daarom van zekere waarheid en groot gezag.
2. Hoe zij werd bewaard en openbaar gemaakt. Schriftelijk, het was van het hoogste belang, dat het volk Gods er bij alle gelegenheden ondersteuning en troost in zou kunnen vinden.
3. Wat zij voornamelijk bedoelde. De zegening aan te tonen van al Gods gelovige heiligen en dienstknechten, beide in en na den dood.
Zalig zijn de doden, die in den Heere sterven van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hunnen arbeid, en hun werken volgen met hen, vers 13. Merk op:
A. De beschrijving van hen, die gezegend zijn en zullen worden, -zij, die in den Heere sterven, hetzij sterven voor de zaak van Christus, of sterven in een staat van levende vereniging met Hem, die in Christus gevonden worden wanneer de dood komt.
B. Waarin hun zegen bestaat, -Zij rusten van hun arbeid en hun werken volgen met hen.
a. Zij zijn gezegend in hun rust, zij rusten van alle zonde, verzoeking, verdriet en vervolging. Daar rusten de vermoeiden van smart.
b. Zij zijn gezegend in hun beloning.
Hun werken volgen met hen. Zij gaan hun niet vooruit als een aanspraak, een prijs of een koopsom, maar volgen hen als een bewijs, dat zij geleefd hebben en gestorven zijn in den Heere, en de gedachte daaraan zal hun aangenaam zijn en de beloning heerlijk, ver boven de verdienste van al hun werk en lijden.
c. Zij zijn gelukkig in den tijd van hun sterven, wanneer zij gezien hebben dat de zaak Gods herleefde, de vrede der gemeente wederkeerde, de wraak Gods op hun afgodische, wrede vijanden viel. Zulke tijden zijn goede tijden om in te sterven, aan de stervenden wordt de wens van Simeon vervuld: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord, want mijne ogen hebben Uwe zaligheid gezien. En dit alles wordt onderschreven en bevestigd door het getuigenis des Geestes, die met hunnen geest en met het geschreven Woord getuigt.
II. Thans volgt het gezicht zelf, voorgesteld door een oogst en het snijden van druiventrossen.
1. Een oogst, vers 14, 15. Het zinnebeeld, dat soms voorstelt het afsnijden van de goddelozen door het oordeel Gods, wanneer zij rijp zijn voor het verderf, en soms het inzamelen van de rechtvaardigen door de barmhartigheid Gods, wanneer zij rijp zijn voor den hemel. Hier schijnt het Gods oordelen tegen de goddelozen te betekenen. Merk op:
A. De Heere des oogstes: een, des mensen Zoon gelijk. Hij was de Heere Jezus zelf, en wordt verder beschreven:
a. De wagen, waarop Hij reed: Zittende op een witte wolk, een wolk, die haar verlichte zijde naar de gemeente gekeerd had, hoe donker zij ook zijn mocht voor de goddelozen.
b. Het teken Zijner macht: Hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon, Hij was gemachtigd tot alles wat Hij deed en zou doen.
c. Het werktuig van Zijn arbeid: In Zijne hand een scherpe sikkel.
d. De uitnodiging uit den tempel tot Hem gericht om Zijn werk uit te voeren. Zijn volk begeerde dat Hij het doen zou, en ofschoon Hij besloten had het te verrichten, wilde Hij er door hen om gevraagd worden, zodat het zou geschieden in antwoord op hun gebeden.
B. Het werk van den oogst, dat is: het zenden van de sikkel in het koren om het veld te maaien. De sikkel is het zwaard van Gods gerechtigheid, het veld is de wereld, het oogsten is het afsnijden en wegvoeren van de bewoners der aarde.
C. De tijd des oogstes, die is daar als het koren rijp is, als de maat van de zonden der mensen vervuld is en zij rijp geworden zijn voor verwoesting. De ergste vijanden van Christus en Zijne gemeente worden niet verwoest alvorens zij door hun zonden rijp geworden zijn voor het verderf, en dan zal Hij hen niet langer sparen, dan zal Hij Zijn sikkel op aarde zenden om haar af te maaien.
2. Een wijnoogst, vers 17. Sommigen menen, dat dit slechts twee verschillende zinnebeelden voor hetzelfde oordeel zijn, anderen denken dat hier twee verschillende gebeurtenissen voor het einde der wereld afgebeeld worden. Merk op:
A. Aan wie dit werk in den wijngaard werd opgedragen. Een engel, een andere engel kwam uit van het altaar, dat is: uit het heilige der heiligen in den hemel.
B. Op wiens verzoek dit werk van den wijnoogst werd ondernomen, het was, evenals daarstraks, op het roepen van een engel uit den tempel, de dienaren en de gemeenten Gods op aarde.
C. Het werk van den wijnoogst, dat in twee delen bestaat.
a. Het afsnijden van de druiftakken der aarde en het verzamelen, want de druiven waren nu rijp, geheel rijp, vers 18.
b. Het werpen van de druiven in den wijnpersbak, vers 19. Hier wordt ons gezegd: Ten eerste. Wat de wijnpers was, het was de toorn Gods, het vuur van Zijn verontwaardiging, het een of ander verschrikkelijk onheil, zeer waarschijnlijk het zwaard, dat het bloed van de goddelozen vergoot. Ten tweede. Waar de plaats van den wijnpersbak was, buiten de stad, waar het leger lag, dat tegen Babylon opgekomen was.
Ten derde. De hoeveelheid van den wijn, dat is van het bloed, hetwelk door dit oordeel vergoten werd. Het kwam, wat de diepte aangaat, tot aan de tomen der paarden, en wat de lengte en breedte betreft, duizend zes honderd stadiën ver, vers 20. Dat is volgens sommigen ongeveer de maat van het heilige land en dan kan het betekenen het landbezit van den zogenaamden Heiligen Stoel, waaronder de stad Rome begrepen is. Maar hier is gelegenheid voor allerlei gewaagde gissingen. Wellicht is deze grote gebeurtenis nog niet geschied, maar het gezicht is voor een bepaalden tijd, en daarom: ofschoon het moge vertoeven, wij zullen het verwachten. Maar wie zal leven als de Heere dat doen zal?