12. a) Bedrijf hierom vreugde, u hemelen en u, die daarin woont, dat het nu zo ver is gekomen met het uitverkoren volk en al wat God door Zijn heilige profeten had beloofd (
Handelingen 3:21), verzekerd is! Wee daarentegen degenen, die de aarde en de zee bewonen, en zich dus nog bevinden waar de draak nog macht gelaten is (
Vers 9)! want de duivel is tot u afgekomen en heeft, door die nederlaag (
Vers 8) op het toppunt van woede gekomen, grote toorn, wetend, dat hij een kleine tijd heeft, die hij nog uitrazen kan, die korte tijd hij dan nu ook uitkopen zal. a)
Psalm 96:11 Jesaja 49:13Er komen in de Heilige Schrift verschillende plaatsen voor (1 Koningen 22:19, Job 1:6, ; 2:1, die van een wonen en werken van boze geesten midden onder de heilige engelen en onmiddellijk voor Gods aangezicht wijzen. Het zou een ontzaglijke, onverdraaglijke gedachte zijn, wilden wij dat in eigenlijke, letterlijke zin opvatten en daaronder een persoonlijk wonen en werken verstaan. Ook dit kan die gedachte niet draaglijk maken, dat wij zeggen: "de boze geesten hadden tot aan de hemelvaart van Christus in werkelijkheid nog een plaats in de hemel" en vandaar, waar toch velerlei plaatsen zijn, evenals de goede engelen op aarde invloed uitgeoefend, maar met het opvaren van Christus en Zijn gezeten zijn aan Gods rechterhand zijn ze van daar verdreven en op de aarde geworpen (Lukas 10:18 Johannes 12:31; 16:11 Colossenzen 2:15). Aan de goede engelen werd toen macht gegeven, om de vredeverstoorder, van wie zij uit eigen macht niet verlost hadden kunnen worden, uit hun kringen te verwijderen (Colossenzen 1:20), dat op die plaats door de strijd van MICHAËL met de draak wordt voorgesteld. Geheel zonder recht verbinden de uitleggers, die deze mening voorstaan, Vers 7, met Vers 5 en springen zij dus de inhoud van het 3de vers over en houden Vers 13, voor een weer opvatten en een verdere ontwikkeling van deze inhoud. Wij moeten integendeel streng blijven bij onze tekst en hebben in Vers 6 de opgaaf van de tijd "duizend tweehonderd zestig dagen, waarvan die in Vers 14 en tijden en een halve tijd" moeten worden onderscheiden. Wij vatten dus het wonen en werken van de boze geesten in de hemel op als een beeld van hun macht om het bovennatuurlijke teweeg te brengen, om hun recht en hun aanspraken, die zij voor God in tegenoverstelling van hetgeen de goede engelen graag zouden willen volbrengen, te doen gelden en daardoor het werk van de laatsten kunnen tegenhouden en beginnen dus bij onze verklaring van het 7de vers op het tijdstip, ons door Vers 6 voorgesteld, dat zijn de 1260 dagen. Het is dezelfde tijd, gedurende welke de twee getuigen in Hoofdstuk 11:3, hun werk verrichten, gedurende welke de Christelijke Kerk van het Westen in de plaats van het verstoten Israël is gekomen en, om met de woorden van onze uiteenzetting bij Vers 6 te spreken, tot het "heden" van de vrouw was geworden. Deze Kerk trad ten eerste op in de vorm van de Oud Testamentische gemeente van God en sloot zich aan Israël's verleden aan, dat zij op recht in het oog vallende wijze weer opnam. Alles, wat in Hoofdstuk 11:4-6 van de twee getuigen wordt gezegd, is geheel Oud-Testamentische en inderdaad draagt ook de Kerk tot aan de reformatie in de 16de eeuw een geheel Oud Testamentische karakter, zowel wat haar roeping als haar uitwendige vorm aangaat. Wij konden bij die afdeling slechts een zwak, alleen indirect wijzen op de Protestantse Kerk vinden, die na de Roomse Kerk van de wet optrad, deels in het getal twee, dat voor de getuigen is gekozen, deels als in de trekken van het beeld van deze twee getuigen aan Elia en Mozes ontleend. Hoe juist het intussen was, dat de Roomse Kerk op de voorgrond bleef staan van de beeltenis, wijzen de gebeurtenissen aan van deze tegenwoordige tijd, die de vervulling zijn van de voorspellingen in Vers 7, van het 11de Hoofdstuk. Want de strijd, die het dier, dat uit de afgrond opstijgt met de twee getuigen houdt, om ze te overwinnen en te doden, richt zich uitwendig en onmiddellijk voornamelijk tegen de Roomse kerk en treft de Protestantse meer indirect en inwendig; treft haar eerst in de tweede plaats en door de gevolgen, die vanzelf voortvloeien uit de slagen tegen politieke en sociale kerk-macht gericht. Daarvoor zal nu echter ook de zegen, die van Israël's wederaanneming uitgaat, die Paulus een leven uit de dode noemt in de eerste plaats van de Protestantse Kerk ten zegen zijn, van de Roomse slechts indirecte, in zoverre als voor de ernstige en waarheidlievende leden van haar in de vernieuwde en beter ingerichte Protestantse kerk nu een toevluchtsoord bereid is, als de stem in Hoofdstuk 18:4 tot haar komt Uit 25:30. Spreukenken wij nu nader over de betekenis van de voor ons liggende plaats, dan is MICHAËL de bijzondere beschermengel van Israël, zoals uit Daniël 10:13, 21, 12:1 onweersprekelijk blijkt. Had nu satan gedurende de periode van 42 maanden of 1260 dagen in Hoofdstuk 21:2 en 3, macht, om als aanklager van het volk van Israël voor God op te treden, zo treedt, nu de straf zal ophouden en het deksel van zijn hart zal worden weggenomen (2 Corinthiërs 3:14 v.) zijn beschermengel op en maakt, door de aanklager uit de hemel te stoten, plaats, zodat de verloving van Christus met Zijn eigen volk (Hosea 2:19 v.) kan geschieden en de vervulling van de belofte, voor het einde gegeven, plaats hebben. De ban, die zoveel eeuwen op Israël heeft gelegen, zal niet, zoals men meestal verwacht, door een allengs rijpende erkentenis van de waarheid worden weggenomen. Alle pogingen tot bekering van dit volk zullen steeds alleen in betrekkelijk weinige gevallen lukken; menselijk beschouwd heeft Luther veeleer gelijk, als hij het zalig worden van Israël voor een onmogelijke zaak verklaart en meent, dat Paulus in Romeinen 11:26 van iets geheel anders moet hebben gesproken, hoewel hij niet kan aangeven wat dat andere zou zijn ("Isa 57:21. Op gruwelijke wijze hebben eens de Joden over Jezus geroepen: "Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen", om Zijn kruisiging bij Pilatus door te drijven. De Heere heeft in Zijn barmhartige liefde die zelfvervloeking voor de eerste tijd krachteloos gemaakt, toen Hij onder de handen van degenen, die Hem aan het kruis nagelden, voor de misdadigers heeft gebeden en tot hen profeten en schriftgeleerden heeft gezonden. Toen zij echter ook deze van zich hadden gestoten, ja zelfs gedood en zo met alle geweld Gods oordeel over zich hadden ingeroepen, zijn zij in de macht van de satan overgegeven, zodat daarboven in de hemel niet het bloed voor hen tussen treedt, dat betere dingen spreekt dan dat van Abel, maar alleen de stem van de aanklager over hen wordt vernomen, maar beneden op aarde de zeven boze geesten hun hart in bezit hebben, waarop in Lukas 11:26 wordt gewezen. Waar zou onder de mensen een zijn, die deze boze geesten zou kunnen uitdrijven, hoe levend en krachtig en scherp als een tweesnijdend zwaard, ook overigens het woord van God is? En hoe zou menselijke voorbede, hoe grote dingen ook reeds beloofd zijn, sterk genoeg zijn, om boven in de hemel aan satan zijn plaats voor God, de Heilige en Rechtvaardige, die niet met Zich laat spotten, te bestrijden? Het is een bepaalde tijd, hoe lang God Zijn aangezicht voor Israël wil verbergen in toorn en dat de tijd niet vroeger kan eindigen dan van te voren verzekerd is, daarvoor zorgt de aanklager met de grootste ijver, omdat hij met zijn aanklachten God als het ware steeds weer in herinnering roept, hoe zwaar Israël zich heeft bezondigd. Hij zou maar al te graag de eeuwige verdoemenis van dit volk doorzetten, en brengt dan ook voor de goddelijke rechtbank, wat de Joden, door die geesten bezeten, steeds voor kwaad doen en hoe juist zij het het allerminst waardig zijn, dat hun ontferming geschiede. Maar daartegenover is nu ook MICHAËL, Israël's beschermengel, bestendig op zijn hoede en geeft hij nauwkeurig acht op het uur van God, wanneer de wijzer het punt zal hebben bereikt, dat, zoals hij weet, het voor God tijd is Zich te ontfermen. Zodra dit uur slaat, maakt hij zich meteen met zijn engelen op tot de strijd tegen de draak en diens engelen en de draak, hoezeer hij zich verweert, zal toch niet overwinnen. Dat hij wordt uitgeworpen uit de hemel, heeft tot zalig gevolg, dat Christus zich nu aan Zijn broeders naar het vlees kan openbaren op de wijze in Hoofdstuk 11:11 v. aangegeven en dat Hij van het bekeerde Israël een even innige en geheel Hem toegewijde ziel kan maken, zoals Maria Magdalena een was, waaruit Hij de zeven duivels heeft uitgeworpen (Lukas 8:2). In Hoofdstuk 14:1, zullen wij de 144000 verzegelden aantreffen als een werkelijke Maria Magdalena-gemeente op Zion. Om dit buitengewoon belangrijk keerpunt in de geschiedenis, dat wij volgens het vroeger gezegde binnen vrij korte tijd mogen verwachten, klinkt een lofgezang in de hemel, waarvoor het juiste verstaan ons in zoverre verborgen is, als wij het martelaarslijden, waaraan Israël bij zijn bekering tot Christus zal zijn blootgesteld (Vers 13) niet kunnen overzien. Met het lofgezang is echter een wee verbonden over hen, die op aarde wonen en de toorn van de draak, die met zijn engelen op aarde is geworpen, nog eens in al zijn grootte zullen gevoelen; dat wijst onmiskenbaar op de vreselijke smarten onder de heerschappij van de anti-christ. (Hoofdstuk 13:7 v., 15). De draak en zijn leger konden niet slagen, waren niet sterk genoeg om te overwinnen en moesten de engelen van God in de Kerk het veld ruimen en kunnen zich ten gunste van zijn zielenmoordende bedoelingen niet meer van de heilige instellingen van God bedienen. De uitslag van deze strijd zal plotseling daaraan bemerkbaar zijn, dat de gemoederen in Europa, sinds eeuwen aan Rome verbonden, opeens van Rome afkerig en tot omverwerping van alle bestaande machten bewogen worden. Na Michaëls overwinning en de nederlaag van de draak en het pausdom, of van de vijfde wereldmacht, brengt de draak al zijn legermachten op het schouwtoneel van de mensheid te velde, zodat plotseling de zesde wereldmacht of het beest uit de afgrond oprijst, dat door de neerstorting aller tegenwoordige machten geschiedt. Aan alle zichtbare verschijnselen in de wereldgeschiedenis liggen oorzaken in de engelenwereld en in het rijk van de duisternis ten grondslag. Evenals die tweehonderd miljoen duivels na de loslating van de vier bij de Eufraat gebonden engelen de Islam te voorschijn hebben geroepen, zo zullen de legerschaar van de draak na Michaëls zege in het pausdom op hen behaald, in Europa door aanhitsing van zijn bewoners, het beest uit de afgrond doen opstijgen. Dan zal de oproerfakkel onverwacht in alle oorden van ons werelddeel ontstoken worden. Het misbruiken van het Evangelie, onder de dekmantel van de godsdienst, dat met het Arianisme begon (9:1-2), neemt nu evenwel voor altoos een einde. Hier wordt nu de draak met vier namen genoemd, opdat men zich in hem niet vergist. Hij heeft twee wezensnamen, aan de natuur ontleend en die aanduiden wat hij is en twee namen, die aanduiden wat hij doet. De draak is een wangestalte, een fabelachtig schepsel, welks gelijke in Gods natuur niet bestaat. Draak is in het Grieks wel zoveel als slang en duidt de scherpe, doorborende blik van de slang aan; maar omdat de slang nog volgt, heeft men de draak te beschouwen als een onnatuurlijke wangestalte, met krokodillen-muil en slangen-lichaam. De draak is als drager van de afval van God, een onding en een wanschepsel, door God niet zo geschapen en hetwelk ook niet blijven kan. Het rijk van God steunt op gerechtigheid en gericht; het rijk van de draak op ongerechtigheid en leugen en gedurige overtredingen en voorbijzag van Gods heilige wereld-ordening. Zijn tweede wezensnaam is slang, de oude slang, die reeds voor de schepping van God was afgevallen en bij de aanvang van onze wereldtijd aller mensen stammoeder verleid heeft. De slang, welker onrust teweegbrengende gestalte de mens reeds schrik en ontzetting aanjaagt, is door haar giftige beet het gevaarlijkste dier in de schepping. In de eerste plaats betovert zij haar slachtoffers door haar doorborende vuurblik; vervolgens verdooft zij ze door haar giftige beet en in deze toestand van de verdoving kunnen zij zich niet verweren en worden makkelijk haar buit. Betovering en verdoving zijn de beide middelen, waardoor de oude slang de zondaars verovert.
Het is de verheerlijkte Zoon van God, die in de hemel met Zijn engelen tegen de draak en de overige machten van de duisternis strijd voert. Hij draagt de naam MICHAËL, betekenend: "wie is aan God gelijk? " "O Heere, wie is als U onder de goden? Wie is als U, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen; doende wonderen? " Als Jezus Christus een "MICHAËL" is, dan is Zijn overwinning ook zeker, want wanneer Hij de hoogste is en de heerlijkste en de Vader alle dingen in Zijn hand gesteld heeft, dan moeten Hem ook de engelen, machten en krachten, ja ook alle boze geesten onderdanig zijn en meer in meer worden. Daarom is Hij het ook eigenlijk, die door God bestemd is om met, in en voor ons te strijden. Daniël is de eerste profeet, die Gods Zoon MICHAËL noemt en hetzelfde, dat hij van deze zegt, wordt ook in de Openbaring an de Heere Jezus toegeschreven. De strijd, die ons hier ter beschouwing wordt voorgesteld, heeft plaats tussen MICHAËL en de draak. Kampten deze eenmaal om het lichaam van Mozes en elders om Israël, hier doen zij het om het hele mensdom. De satan bond de strijd aan tegen Jezus Christus. De boze vijand, die de hele wereld verleidt, draagt hier vier verschillende namen: de grote draak, de oude slang, de duivel en de satan. Zoals het viertal een aanduiding is van de aarde, zo voegt het ook zeer goed voor de overste van deze wereld. Hij heet de grote draak, omdat hij het is, die de zee van de volkeren (de God vijandige wereld) met zijn geest vervult; de oude slang, wegens het beeld, waaronder hij voorkomt in de geschiedenis van de val van onze eerste voorouders in het paradijs. Deze twee namen duiden de macht en de list aan; de twee andere: duivel en satan, de hevige vijandschap tegen het rijk van God, want het een betekent lasteraar (van de gelovigen), het andere weerstreven, aanhitser van de strijd tegen God en zijn Rijk. Maar, hoe ook genoemd, hij is, Gode zij dank! uit de hemel geworpen en van zijn macht beroofd.
Terwijl de duivel tot nog toe in het rustig bezit van zijn macht geweest was als vorst van deze wereld, is hem deze macht nu benomen. "Nu is de zaligheid en de kracht en het koninkrijk van de Heere van onze Gods en de macht van Zijn Christi", nu kan de Heere Jezus betuigen: "Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde" (Openbaring 2:10 Mattheus 28:18) en de Christenen kunnen zeggen: "God heeft ons verlost uit de macht van de duisternis en overgezet in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde (Colossenzen 1:13). De duivel heeft de hemel moeten verlaten en kan de kinderen van God aldaar niet meer verklagen, sinds onze grote Hogepriester ter rechterhand van Gods troon heeft plaats genomen en aldaar niet ophoudt voor ons te bidden. Want Paulus zegt: "Wij hebben zo'n Hogepriester, die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de majesteit in de hemelen" (Hebreeën 8:1), de Middelaar van het Nieuwe Verbond Jezus en het bloed van de besprenging, dat betere dingen spreekt dan het bloed van Abel (Hebreeën 12:24). En Johannes zegt ons: "Mijn kindertjes. als iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, namelijk Jezus Christus de Rechtvaardige en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de hele wereld (1 Johannes 2:1-2). "Waarom Hij ook volkomen zalig kan maken allen die door Hem tot God gaan, zo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. " Zo rechtmatig is nu de satan overwonnen, dat Paulus ons als in de hemelse gerechtszaal kan inleiden met de vraag: Wie zal nu beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het, die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het, die gestorven is; ja wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand van God is en voor ons bidt (Romeinen 8:33-34). Nu worden er dus geen beschuldigingen meer aangenomen, maar integendeel worden allen vrijgesproken, die tot Christus de toevlucht genomen hebben. Dit wordt Openbaring 2:11 nader uitgesproken. De verklager is overwonnen op grond van het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, waardoor de duivelsban, die op de mensheid lag, is opgeheven en de vrije toegang tot God opengesteld. Zij belijden voor de hele wereld vrijgekocht te zijn.
Deze strijd is niet de altijddurende strijd tussen het zaad van de vrouw en de slang en haar zaad, de duivel en zijn aanhang. Maar deze is een bijzondere strijd op een bijzondere tijd voorgevallen, daarom wordt die met een groot teken en buitengewone omstandigheden voorgesteld. Deze strijd is voorgevallen over het jaar 300, toen Constantijn, de mannelijke zoon, geboren zou worden, Christen geworden was en het Heidense keizerrijk vernielde. De ene partij is MICHAËL en zijn engelen. De naam MICHAËL hebben verscheidene mensen gehad. Dat een geschapen engel die naam gehad heeft, is niet zeker; de plaats Daniël 10:13 alleen is aan verschil onderworpen; maar de Heere Jezus komt eigenlijk deze naam toe, die betekent: Wie is God gelijk? En zoals Hij vaker zo genoemd wordt, zo is ook deze MICHAËL de Heere Jezus Christus en niet een geschapen engel, want het is niet zeker dat een geschapen engel ooit MICHAËL genoemd is geweest. 2) De engelen zijn geen hoofden, aanvoerders en regeerders van de Kerk, zoals deze MICHAËL hier is. 3) De Kerk, de gelovigen zijn geen onderdanen van de engelen, zij kunnen geen engelen genoemd worden. 4) De Heere Jezus is MICHAËL, de Vorst, de grote Vorst (Jesaja 55:4 Daniël 10:21; 12:1). De Vorst van het leger van de Heere (Jozua 5:14-15). Zo wordt Hij vertoond (Openbaring 7:14; 19:11 als de overwinnaar van de draak erkend (vs 10). De macht van zijn Christus. Het leger van MICHAËL waren zijn engelen; deze zijn niet geschapen geesten, waarvan Christus het hoofd ook is, maar zijn de ware gelovigen, zoals blijkt uit Vers 11 Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis. Zie dit in een andere strijd (Openbaring 2:14). Die met Hem zijn, de geroepenen en uitverkoren en gelovigen. Deze worden engelen genoemd, omdat zij door Hem gezonden en gebruikt worden en omdat zij Zijn bevelen uitvoeren. De andere partij is de draak (Vers 9 en satan, werkend in en door het Heidense keizerrijk: zijn engelen zijn de heidense priesters, de heidense soldaten en al het heidense volk, die onderdanen waren van de zevenhoofdige draak. De draak streed met zijn afgodendienst, met zijn bevelschriften tegen de Christenen, met hen uit alle ambten en bedieningen te zetten en hen te beroven van hun goederen, nering en hantering te verbieden, met allerlei wrede vervolgingen, moorden en branden en met zijn legers tegen Constantijn. De gelovigen streden tegen hem met het gebed, met geloof, met blijmoedige belijdenis, met alle kwellingen lijdzaam en standvastig uit te staan en onder Constantijn met lichamelijke wapens.