Jesaja 26:12-19
In deze verzen ziet de profeet terug op hetgeen God met hen gedaan heeft in Zijn goedertierenheden en in Zijn oordelen, en van beiden zingt hij Gode, en dan ziet hij voorwaarts op hetgeen hij hoopt dat God voor hen doen zal.
Merk op:
I. Zijn beschouwingen en overleggingen zijn gemengd. Als hij terugziet op de toestand van de kerk, dan bevindt hij:
1. Dat God in veel opzichten zeer genadig voor hen is geweest, en grote dingen voor hen heeft gedaan, vers 12. Gij hebt al onze werken in ons gewerkt, of voor ons gewerkt. Welk goed werk ook door ons gedaan wordt, het is toe te schrijven aan het goede werk, dat door Gods genade in ons werd gewerkt, Hij is het, die goede gedachten en neigingen in ons hart geeft, als zij daar te eniger tijd zijn, en die beide het willen en het werken in ons werkt naar Zijn welbehagen. Daar er nu op ons gewerkt is, werken of handelen wij. En als ons enigerlei vriendelijkheid betoond wordt, of als het voorspoedig gaat met onze zaken, dan is het God, die dit voor ons gewerkt heeft, en als een schepsel, of een zaak nuttig is voor ons welzijn en ons lieflijk is, dan is Hij het, die ze aldus voor ons doet zijn, soms doet Hij datgene voor ons werken, hetwelk tegen ons scheen te zijn.
In het bijzonder: Gij, o Heere, hebt dit volk vermeerderd, vers 15, zodat een kleine tot duizend is geworden, in Egypte werden zij uitermate vermenigvuldigd, en later in Kanaän, zodat zij het land vervulden, en hierin zijt Gij verheerlijkt, want de menigte des volks is de eer van de vorst, en hierin werd God verheerlijkt als zijnde getrouw aan Zijn verbond met Abraham, dat Hij hem de vader van vele volken zou doen worden. Gods volk is een toenemend volk, en het is de heerlijkheid Gods dat het dit is. De toeneming van de kerk, dat heilig volk, is hetgeen, waarin wij ons daarom moeten verblijden, omdat het de toeneming is van hen, die het tot hun levenswerk maken om God te verheerlijken in de wereld.
2. Dat Hij hen echter onder Zijn bestraffing had gelegd.
A. De naburige volken hadden hen soms verdrukt, over hen geheerst, vers 13, hen getiranniseerd. Heere, onze God. Gij die alleen recht hebt om over ons te heersen, wiens onderdanen en dienstknechten wij zijn, tot U brengen wij onze klacht-immers, tot wie anders zullen wij er mee gaan? -dat andere heren, behalve Gij, over ons geheerst hebben." Niet alleen in de dagen van de richteren, maar ook later heeft God hen herhaaldelijk verkocht in de hand hunner vijanden, of liever, door hun ongerechtigheden hebben zij zichzelf verkocht, Hoofdstuk 52:3-5. Als zij zorgeloos en onachtzaam zijn geweest in de dienst van God, dan heeft God het toegelaten, dat hun vijanden heerschappij over hen hadden, opdat zij het verschil zouden leren kennen tussen Zijn dienst en de dienst van de koninkrijken van de landen. Het kan opgevat worden als een belijdenis van zonde, namelijk dat zij andere goden gediend hebben, en zich hebben onderworpen aan de bijgelovige wetten en gebruiken van hun naburen, door welke andere heren (want zij noemden hun afgoden Baälim, heren) over hen geheerst hebben behalve God. Maar nu beloven zij dat dit niet meer zo zijn zal, van nu voortaan zullen wij door U alleen Uw naam gedenken, U alleen zullen wij aanbidden en alleen op de wijze, die door U verordineerd is." Dit kan ook onze berouwvolle overdenking wezen: Andere heren, behalve God, hebben over ons geheerst, iedere lust is onze heer geweest, en wij zijn er gevankelijk door gevoerd, en dat heeft lang genoeg, ja te lang, geduurd, dat wij aldus God en onszelf onrecht hebben gedaan. Daarom moet ook door ons hetzelfde vrome besluit worden genomen, dat van nu voortaan wij alleen Gods naam zullen gedenken, en dat wij ons nauw aan God en onze plicht zullen houden en Hem nimmer zullen verlaten.
B. Soms zijn zij voor het aangezicht hunner vijanden gevankelijk weggevoerd, vers 15. "Het volk, dat Gij in het eerst vermeerderd hebt en wortel hebt doen schieten, hebt Gij nu verminderd, weggerukt, "in alle einden des aardrijks verre weggedaan," zoals bedreigd is in Deuteronomium 30:4, 28:64. Doch merk op: tussen de vermelding van hun vermeerdering, en die van hun wegneming wordt gezegd: Gij waart verheerlijkt, want de oordelen, die God over Zijn volk brengt om hun zonden, zijn Hem tot eer en heerlijkheid, zowel als de zegeningen die Hij hun schenkt ter vervulling van Zijn belofte.
C. Hij gedenkt er aan dat zij, toen zij aldus verdrukt en gevankelijk weggevoerd werden tot God riepen, hetgeen een goed bewijs was dat zij noch Hem geheel hadden verlaten, noch geheel verlaten waren door Hem, en dat er genaderijke bedoelingen waren in de oordelen, die over hen waren gekomen, vers 16. Heere, in benauwdheid hebben zij U bezocht. Dit ging gewoonlijk zo met het volk van Israël, zoals wij dikwijls bevinden in de dagen van de richteren, toen "andere heren over hen geheerst hebben, dan verootmoedigden zij zich en zeiden: de Heere is rechtvaardig", 2 Kronieken 12:6. Zie hier:
a. Hoe nodig beproevingen voor ons zijn, zij zijn nodig tot opwekking van gebed. Als er gezegd wordt: in benauwdheid hebben zij U bezocht, dan ligt daarin opgesloten dat zij, toen zij vrede en voorspoed hadden, vreemdelingen waren voor God, zich op een afstand van Hem hielden en zelden tot Hem naderden, alsof zij, als zij in gunst waren bij de wereld, Zijn gunsten niet nodig hadden.
b. Het nut en voordeel, dat wij dikwijls hebben uit beproevingen, zij brengen ons tot God, wekken ons op tot onze plicht, en tonen ons onze afhankelijkheid van Hem. Zij die tevoren zelden naar God zagen, bezoeken Hem thans, zij komen dikwijls tot Hem, zij worden vriendelijk, maken Hem het hof. Tevoren kwam het gebed drupsgewijze, maar nu storten zij hun gebed uit, nu komt het als water uit een fontein, niet als water uit een filtreerketel. Zij hebben hun verborgen rede uitgestort- aldus de kanttekening-Bidden is spreken tot God, maar het is een verborgen spreken, want het is de taal van het hart, waarmee wij vrijer en uitvoeriger kunnen zijn in ons spreken tot Hem, dan wanneer wij in het openbaar tot Hem spreken. In benauwdheid zullen diegenen God vroeg zoeken, die tevoren traag waren om Hem te zoeken, Hosea 5:15. Het zal de mensen vurig en vloeiend maken in het gebed. "Zij hebben een gebed uitgestort, zoals de dankoffers uitgestort werden, als Uw tuchtiging over hen was." Maar het is te vrezen dat zij, als de tuchtiging van hen weggenomen is, langzamerhand tot hun vorige zorgeloosheid zullen terugkeren, zoals zij dikwijls gedaan hebben.
D. Hij klaagt dat hun worstelingen om hun vrijheid zeer smartelijk en gevaarlijk zijn geweest, maar toch niet voorspoedig zijn geweest, vers 17, 18. a. Zij hadden de smarten en weeën, die zij vreesden. "Gelijk een bevruchte vrouw als zij nadert tot het baren, smarten heeft en schreeuwt in haar weeën, alzo zijn wij geweest. Wij hebben met grote zorg en moeite gepoogd onszelf te helpen, maar onze smarten en benauwdheden zijn nog vermeerderd door die pogingen," zoals toen Mozes kwam om Israël te verlossen, het getal van de tichelstenen verdubbeld werd. Hun gebeden werden opgewekt door de hevigheid van hun smarten, en werden sterk en dringend als de kreten van een vrouw in barensnood, alzo zijn wij geweest in Uw ogen, o Heere! Het was in hun benauwdheid een troost en voldoening voor hen dat Gods oog op hen was, dat al hun ellende voor Zijn ogen was, Hij was geen vreemdeling voor hun smarten, noch voor hun gebeden. "Heere, voor U is al mijn begeerte, en mijn zuchten is voor U niet verborgen," Psalm 38:10. Telkenmale als zij tot de Heere kwamen met hun smekingen en klachten, waren zij in pijn en smart als een barende vrouw.
Zij hadden de voorspoed, het goede gevolg niet, dat zij begeerden en waarop zij hoopten. "Wij waren bevrucht, wij hebben de hoop gekoesterd op een spoedige en gelukkige verlossing, en als wij smarten leden, hebben wij ons hiermede vertroost, dat de vreugdevolle geboorte onze ellende zou doen vergeten, Johannes 16:21. Maar helaas, niet dan wind gebaard, het bleek een valse ontvangenis te zijn, onze verwachtingen werden teleurgesteld, en onze smarten schenen veeleer smarten des doods dan barensweeën te zijn. Al onze pogingen bleven zonder gevolg, wij deden de lande geen behoudenis aan, wij hebben geen verlossing gewerkt, noch voor onszelf, noch voor onze vrienden en bondgenoten, veeleer hebben wij onze eigen toestand en de hunne noch slechter gemaakt, en de inwoners van de wereld, met wie wij gestreden hebben, vielen niet voor ons aangezicht, hun macht is niet verminderd, hun hoop is niet neergeslagen, zij zijn nog even hoog en aanmatigend als ooit. Een rechtvaardige zaak kan krachtig bepleit worden, beide door gebed en door streven, zowel voor God als voor de mensen, en kan toch gedurende lange tijd lijden, zodat het doel niet wordt bereikt.
II. Zijn hoop en vooruitzicht zijn zeer lieflijk. In het algemeen: "HEERE, Gij zult ons vrede bestellen, al het goede, dat de nood van onze toestand vereist." Alle vrede, waarop de kerk hoopt, is van Gods bestel. En wij kunnen ons hiermede vertroosten, dat welke benauwdheid ook voor een tijd beschikt wordt over het volk van God ten laatste toch vrede besteld, verordineerd zei worden voor hen, want het einde van die mannen zal vrede zijn. En indien God door Zijn Geest al onze werken in ons werkt, dan zal Hij ons vrede bestellen, want het werk van de gerechtigheid zal vrede zijn. En de vrede, die God bestelt of verordineert, is ware, duurzame vrede, die de wereld noch geven noch wegnemen kan, want voor hen, die hem hebben, is hij onveranderlijk zoals de verordinering van dag en nacht. En naar hetgeen God voor ons gedaan heeft, kunnen wij hopen dat Hij ons ook nog verder goed zal doen. Heere, Gij hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord, en daarom zult Gij, Psalm 10:17, en als deze vrede voor ons besteld is, dan zullen wij door U alleen Uw naam gedenken, vers 13, aan U alleen zullen wij er de eer van geven, en aan niemand anders. En alleen op Uw genade zullen wij steunen, om ons hiertoe in staat te stellen." Wij kunnen Gods naam niet anders loven dan door Zijn kracht. De profeet vertroost de kerk inzonderheid door het vooruitzicht van twee dingen.
1. Het verbazingwekkende verderf van haar vijanden, vers 14. Zij, die andere heren, zijn dood, die over ons geheerst hebben, hun macht is onherroepelijk verbroken, zij zijn volkomen afgesneden, teniet gedaan, en zij zullen niet weer leven, zullen nooit weer in staat zijn om hun hoofd op te houden. Overleden zijnde, zullen zij niet weer opstaan, maar, gelijk Haman, als zij begonnen zijn te vallen voor het zaad van de Joden, zullen zij verzinken als een steen. Daarom omdat zij veroordeeld zijn tot dit algehele verderf, heeft God ingevolge van dit vonnis hen bezocht in toorn als een rechtvaardig rechter, en beide de mensen zelf afgesneden-Gij hebt hen verdelgd-en hun gedachtenis, -Gij hebt al hun gedachtenis doen vergaan. Zij en hun namen zijn te zamen in het stof begraven. Zij zijn of vergeten, of er wordt met verfoeiing en afkeer melding van hen gemaakt. De zaak, die voorgestaan wordt tegen God en Zijn koninkrijk onder de mensen, kan wel voor een wijle voorspoedig zijn, maar ten laatste zal zij vallen, en allen, die haar aanhangen, zullen met haar vergaan. De Joodse geleerden, dit vergelijkende met vers 19, leiden er uit af dat de opstanding van de doden alleen voor de Joden is, en dat zij, die tot andere volken behoren, niet zullen opstaan, maar wij weten beter, wij weten dat allen die in de graven zijn de stem zullen horen van de Zoon van God, en dat dit spreekt van het eindelijke verderf van Christus' vijanden, hetwelk is de tweede dood.
2. De verbazingwekkende opstanding van haar vrienden, vers 19. Hoewel de kerk zich niet verheugt in de geboorte van het jongsken, waarvan zij in barensnood was, maar niet dan wind gebaard heeft, zal de teleurstelling toch op gelijkwaardige wijze opgewogen worden. Uw doden zullen leven, zij, van wie men dacht dat zij dood waren, die in zichzelf het vonnis des doods hadden ontvangen, die buitengeworpen waren, alsof zij de natuurlijke dood waren gestorven, zullen wederom verschijnen in hun vorige kracht. Een geest des levens uit God is in de gedode getuigen gegaan, en zij zullen wederom profeteren, Openbaring 11:11. "De dorre doodsbeenderen zullen leven en een geheel zeer groot heir worden," Ezechiël 37:10 "Met mijn dood lichaam zullen zij opstaan." Als wij de opstanding van de doden geloven, van onze dode lichamen ten laatsten dage, zoals Job en de profeet hier, het geloofd hebben, dan zal dit het geloof voor ons gemakkelijk maken in de beloofde herstelling van de luister en de kracht van de kerk in deze wereld. In hoe vervallen toestand zij ook moge wezen, als Gods tijd gekomen is, zullen zij opgewekt worden, zullen zij herleven, zelfs Jeruzalem, de stad Gods, maar die nu nederligt als een dood lichaam tot hetwelk de arenden vergaderd worden. God erkent haar nog als de Zijne, en dat doet ook de profeet, maar zij zal opstaan, zal herbouwd worden en wederom bloeien. En daarom: laat het arme, verlaten, treurige overblijfsel van haar inwoners, die als in het stof wonen, opwaken en zingen, want zij zullen "Jeruzalem, de stad hunner bijeenkomsten, een geruste woonplaats zien," Hoofdstuk 33. 20. De dauw van Gods gunst zal hun zijn als een avonddauw voor de moeskruiden, die de gehele dag verdroogd en verdord waren door de hitte van de zon, en nu weer verkwikt en verfrist worden. En als de lentedauw, die de aarde bevochtigt en de kruiden, die erin begraven zijn, doet uitspruiten zo zullen zij wederom bloeien, en het land zal de overledenen uitwerpen, zoals het de kruiden uit haar wortelen werpt. De aarde waarin zij verloren schenen, zal bijdragen tot hun herleving. Als de kerk en haar belangen hersteld moeten worden, dan zullen de dauw des hemels en de vettigheid van de aarde niet in gebreke blijven om er het hun voor te doen Nu kan dit, (evenals Ezechiëls visioen, dat er een verklaring van is) gevoegelijk toegepast worden:
a. Op de geestelijke herleving van hen, die dood waren in de zonde, door de kracht van Christus' Evangelie en genade. Aldus wordt het door Dr. Lightfoot toegepast, Hor. Hebreeën in John. 12. De heidenen zullen leven, met mijn dood lichaam zullen zij opstaan, zij zullen na Christus' opstanding binnengeroepen worden, zullen met Hem opstaan, en met Hem neer zitten in de hemel, ja zij zullen mijn lichaam opwekken, zegt hij, zij zullen het mystieke lichaam van Christus worden, en zullen opstaan als een deel van Hem.
b. Op de laatste opstanding, als de dode heiligen zullen leven en met Christus' lichaam zullen opstaan, want Hij is opgestaan als de eersteling, en de gelovigen zullen opstaan krachtens hun vereniging met Hem en hun gemeenschap in Zijn opstanding.