Romeinen 1:8-15
Wij kunnen hier opmerken:
I. Zijne dankzegging voor hen, vers 8. Eerstelijk dank ik mijnen God. Het is goed alle dingen te beginnen met dankzegging aan God, dankzegging te maken tot de alfa en omega van elk lied, in alles God te danken.- Mijnen God. Hij zegt dit met vreugde en triomf. In al onze dankzegging is het goed op God te zien als onzen God, dat maakt alle barmhartigheid zoet, wanneer wij van God kunnen zeggen: "Hij is mijn Verbondsgod." DoorJezus Christus. Al onze deugden en verrichtingen zijn Gode welbehaaglijk alleen door Jezus Christus, onze dankzeggingen zowel als onze gebeden. Over u allen. Wij moeten onze liefde voor onze vrienden openbaren niet alleen door voor hen te bidden, maar ook door God voor hen te danken. God moet de heerlijkheid ontvangen voor al den troost, dien wij van onze vrienden hebben, want elk schepsel is voor ons datgene, en niet meer, hetwelk God het voor ons doet zijn. Met velen van deze Romeinen was Paulus niet persoonlijk bekend, en toch kon hij zich hartelijk verheugen over hun genadegaven en deugden. Toen sommigen van de Romeinse Christenen hem ontmoetten, Handelingen 28:15, dankte hij God over hen en greep moed, maar hier strekt zijn algemene liefde zich verder uit, en hij dankt God over hen allen, niet alleen over diegenen onder hen, die zijn helpers in Christus waren en die veel voor hem deden (van dezen spreekt hij Hoofdstuk 16:3, 6), maar over hen allen. Dat uw geloof verkondigd wordt. Paulus reisde heen en weer van plaats tot plaats, en waar hij ook kwam, daar hoorde hij met lof spreken over de Christenen te Rome. Hij vermeldt dit niet om hen hoogmoedig te maken, maar om hen aan te sporen meer en meer te beantwoorden aan de goede verwachting, die men algemeen van hen heeft. Hoe gunstiger naam iemand in godsdienstige zaken heeft, des te meer moet hij zorg dragen dien te bewaren, want een weinig dwaasheid doet een man stinken, die kostelijk is van wijsheid en eer, Prediker 10:1. In de gehele wereld, dat is: het Romeinse keizerrijk. De Christenen uit Rome waren, door het bevelschrift van Claudius, die alle Joden uit Rome verbande, door het gehele rijk verspreid, maar nu teruggekeerd, en hadden, naar het schijnt, overal waar zij geweest waren, in alle gemeenten een goeden naam verkregen. Dat was een der goede gevolgen van hun verdrukking, indien zij niet vervolgd geweest waren, zouden zij zo gunstig niet bekend geworden zijn. Dat was inderdaad een goede naam, een naam voor goede dingen bij God en bij alle gelovigen. Gelijk de opzieners uit die dagen en gelijk de oude Bijbel- heiligen hadden deze Romeinen door hun geloof getuigenis bekomen, Hebreeën 11:2. Het is zeer begeerlijk beroemd te zijn om ons geloof. Het geloof van de Romeinse Christenen werd zo gunstig besproken, niet alleen omdat het uitnemend was in zichzelf, maar ook omdat het voortreffelijk en merkwaardig was door de omstandigheden. Rome was een stad op een berg, ieder lette op hetgeen daar geschiedde. Zij, op wie veler ogen gevestigd zijn, moeten zorg dragen onberispelijk te wandelen, want al wat zij doen, hetzij goed of kwaad, wordt algemeen besproken. De gemeente van Rome was toen zeer bloeiend, maar hoe is in later tijd het goud verdonkerd! Hoe is het fijne goud verduisterd geworden! Rome is niet meer wat zij geweest is. Zij was toen voorgesteld als een reine maagd aan Christus, en was uitnemend in haar schoonheid, maar zij heeft sindsdien trouwlooslijk gehandeld, is ontaard geworden en heeft vreemdelingen omhelsd, zodat deze brief aan de Romeinen nu een brief tegen de Romeinen is. Zij heeft thans slechts weinig reden om zich op haar eerste verleden te beroemen.
II. Zijn gebed voor haar, vers 9. Ofschoon Rome een beroemde bloeiende gemeente was, had zij toch nodig dat er voor haar gebeden werd, zij had het nog niet gegrepen! Paulus vermeldt dit als een bewijs van zijn liefde voor haar. Een van de grootste bewijzen van liefde, soms het enige bewijs waartoe wij instaat zijn, is hen door onze gebeden aanbevelen in de liefde en barmhartigheid van God. Uit Paulus' voorbeeld kunnen wij hier leren:
1. Aanhouden in gebed. Zonder nalaten, allen tijd. Hij nam zelf de voorschriften in acht, die hij anderen gaf, Efeze 6:18, 1 Thessalonicenzen 5:17. Niet in dien zin dat Paulus nooit iets anders deed dan bidden, maar hij hield zijn gezette tijden voor de beoefening van dezen plicht, en dat zeer dikwijls en zonder ze te verwaarlozen.
2. Liefde in het gebed. Ik gedenk uwer. Ofschoon hij niet persoonlijk met hen bekend was en geen belang bij hen had, bad hij toch voor hen, niet alleen voor alle heiligen in het algemeen, maar hij maakte uitdrukkelijk melding van hen. Het is niet ongeschikt soms in onze gebeden voor bijzondere gemeenten en plaatsen hare behoeften bepaald te noemen, niet om ze God bekend te maken, maar om ons zelven op te wekken. Wellicht hebben wij den meesten troost van vrienden voor welken wij het meest bidden. Ten opzichte hiervan beroept hij zich plechtig op den Kenner der harten: Want God is mijn getuige. Deze verzekering geeft hij in een belangrijk geval, dat alleen aan God en aan zijn eigen hart bekend was. Het is zeer troostrijk wanneer wij vrijmoedigheid kunnen hebben om God tot getuige aan te roepen van onze oprechtheid en volharding in de beoefening van onzen plicht. God is met name de getuige van onze stille gebeden, van hun inhoud, van de wijze waarop zij opgezonden worden, want onze Vader ziet in het verborgene, Mattheus 6:6. God welken ik diene in mijnen geest. Zij die God dienen in hunnen geest, mogen met nederig vertrouwen zich op Hem beroepen, huichelaars, die het bij de uitwendige beoefening laten, kunnen dat niet doen. Zijn bijzondere gebed, onder veel andere dingen die hij voor hen begeerde, was dat hij gelegenheid mocht krijgen om hen te bezoeken, vers 10. Of mogelijk nog ter eniger tijd mij goede gelegenheid gegeven werd door den wil van God om tot u te komen. Voor alles, wat wij ten opzichte van enig schepsel begeren, moeten wij ons in het gebed tot God wenden, want onze tijden zijn in Zijne hand, en al onze wegen worden door Hem beschikt. De uitdrukkingen, hier door Paulus gebruikt, tonen aan dat hij zeer begerig was naar zulk een gelegenheid: of mogelijk nog te eniger tijd, hij was daarin sedert lang en dikwijls teleurgesteld, en nu onderwierp hij het aan den wil der Voorzienigheid, goede gelegenheid door den wil van God. Bij al onze voornemens zowel als bij al onze begeerten, moeten wij steeds gedachtig zijn aan het: indien de Heere wil, Jakobus 4:15. Onze reizen zijn al of niet voorspoedig, al of niet gemakkelijk, alleen naar den wil van God.
III. Zijn grote begeerte om hen te zien, met de redenen daarvoor, vers 11-15. Hij had zoveel van hen gehoord dat hij zeer verlangde persoonlijk met hen in kennis te komen. Voor getrouwe dienaren zijn vruchtdragende Christenen even grote vreugde als dorre belijders hun verdriet zijn. Derhalve had hij het menigmaal voorgenomen, maar was totnogtoe verhinderd, vers 13, want de mens wikt, maar God beschikt. Andere belangen hadden hem verhinderd tot hen te reizen, onder anderen zijn zorg voor andere gemeenten, wier belangen dringend waren, want Paulus was gewoon het eerst te doen hetgeen het nuttigst en niet hetgeen het aangenaamst was, -want anders zou hij naar Rome gegaan zijn. Een goed voorbeeld voor de dienaren, die niet hun eigen gezindheid, maar de noodzakelijkheid van hun werk voor de gemeenten moeten raadplegen. Paulus verlangde deze Romeinen te bezoeken, vers 11.
1. Om hen te stichten, opdat ik u enige geestelijke gave mocht mededelen. Hij ontving om mede te delen. Nooit was enige moederborst zo begerig om het dorstende kindeken te zogen, als Paulus hoofd en hart waren om geestelijke gaven mede te delen, dat is: om te prediken. Een goede leerrede is een goede gave, want zij is een geestelijke gave. Ten einde gij versterkt zoudt worden. Nadat hij hun bloei gunstig vermeld heeft, geeft hij hier zijne begeerte naar hun versterking te kennen, dat zij even voorspoedig benedenwaarts wortel mogen schieten als opwaarts vruchten dragen. De beste heiligen zolang zij in zulk een beweeglijke wereld zijn als deze, hebben er behoefte aan meer en meer versterkt te worden, en geestelijke gaven zijn bepaald bestemd voor die versterking.
2. Om zelf vertroost te worden, vers 12. Wat hij gehoord had van hun toenemen in de genade, had hem zo verblijd dat hij behoefte gevoelde er meer van te vernemen. Paulus kon vertroosting vinden in den arbeid van andere dienaren. Door het onderling geloof, zo het uwe als het mijne, dat is: ons gemeenschappelijk geloof en onze gemeenschappelijke getrouwheid. Het is zeer troostrijk wanneer er wederkerig vertrouwen bestaat tussen dienaren en gemeente, zij vertrouwen hem als een getrouw dienaar en hij vertrouwt hen als een getrouwe gemeente. Of: het wederkerig werk des geloofs, dat is de liefde, zij verheugen zich in de uitdrukkingen van elkanders liefde, of in de mededelingen van elkanders geloof. Het is zeer verkwikkend voor Christenen elkaar deelgenoten te maken van hun geestelijke inzichten, zij worden daardoor verscherpt, gelijk men ijzer met ijzer scherpt. Opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, vers 13. Hun stichting zou hem tot voordeel zijn, ze zou vrucht dragen in zijn voordeel. Paulus was met het hart bij zijn werk, als iemand die geloofde dat hoe meer goed hij deed, des te groter zou zijne beloning zijn.
3. Om zijne roeping te vervullen als apostel der heidenen, vers 14 :Ik ben een schuldenaar.
A. Hetgeen hij ontvangen had maakte hem tot schuldenaar, want zijn talenten waren hem toevertrouwd om daarmee handel te drijven tot eer zijns Meesters. Wij moeten er aan denken wanneer wij grote dingen najagen, dat al wat wij ontvangen ons verplichtingen op1egt, wij zijn slechts rentmeesters van de goederen onzes Heeren.
B. Zijn bediening maakte hem tot schuldenaar. Hij was schuldenaar omdat hij apostel was, hij was geroepen en uitgezonden tot het werk, en had zich verbonden om het te behartigen. Paulus had zijn talent gebruikt en gearbeid in den dienst, en meer goed gedaan dan iemand anders, en toch, daarop lettende, noemt hij zich zelven een schuldenaar, want wanneer wij alles gedaan hebben, dat ons opgelegd was, zijn wij toch slechts onnutte dienstknechten. Een schuldenaar, beiden Grieken en barbaren, dat is, gelijk de volgende woorden aantonen: beiden wijzen en onwijzen. De Grieken meenden dat zij alleen wijsheid bezaten en zagen op de overige mensen als op barbaren neer in vergelijking met hen, want die waren niet zo beschaafd en ontwikkeld als zij. Welnu, Paulus was beiden een schuldenaar, hij hield zich zelven verplicht den een zowel als den ander zoveel goed te doen als hem mogelijk was. Derhalve vinden wij hem overal bezig met het kwijten van zijn schuld, zowel predikende als schrijvende, goeddoende aan Grieken en aan barbaren, en zijn woorden kiezende naar hun bekwaamheid om ze te begrijpen. Ge zult onderscheid vinden tussen zijn rede te Lystre voor de eenvoudige Lykoniërs, Handelingen 14:15 v.v., en die te Athene, voor de beschaafde wijsgeren, Handelingen 17:22 v.v. Hij bediende beiden als schuldenaar, gevende een ieder hunner wat hem toekwam. Ofschoon hij een eenvoudig prediker was, sprak hij, als schuldenaar aan de wijzen, wijsheid voor de volmaakten, 1 Corinthiërs 2:6. Om die reden was hij bereid zodra de gelegenheid zich daartoe voordeed, hun die te Rome waren, het Evangelie te verkondigen, vers 15. Ofschoon dat een bekende plaats was, waar hij aan veel gevaren zou blootstaan en waar het Christendom met veel moeilijkheden te worstelen had, was Paulus bereid zich te Rome te wagen, indien hij daartoe geroepen werd. Ik ben volvaardig, hetgeen in mij is dat is volvaardig, prothumon. Het woord betekent grote bereidheid des geestes, en hij verlangde er zeer naar. Wat hij deed, geschiedde niet uit eerbejag, maar met een volvaardig gemoed. Het is voortreffelijk gereed te zijn om alle moeilijkheden het hoofd te bieden ten einde goed te doen of te verkrijgen.