Johannes 14:28-31
Hier geeft Christus Zijnen discipelen nog ene reden, waarom hun hart niet ontroerd moet zijn vanwege Zijn heengaan, en die is dat Zijn hart niet ontroerd is. En Hij zegt hun wat het was, dat Hem in staat stelde het kruis te verdragen en de schande te verachten, opdat zij op Hem mogen zien, en "met lijdzaamheid" lopen.
I. Dat Hij, ofschoon Hij heenging, toch zou wederkomen. Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb -en nu zeg ik het wederom-Ik ga heen, en kom weer tot u. Het is ons nodig, dat ons wat wij van de leer van Christus gehoord hebben, inzonderheid betreffende Zijne wederkomst, telkens en nogmaals gezegd zal worden. Als wij onder de macht zijn van enigerlei vervoering van hartstocht, vrees, smart of zorg, dan vergeten wij, dat Christus wederkomen zal. Filippenzen 4:5. Christus heeft zich in Zijn lijden en dood hiermede bemoedigd, dat Hij zal wederkomen, en dat moet ook ons bemoedigen bij ons heengaan in den dood, wij gaan heen om weer te komen, het afscheid, dat wij bij het heengaan nemen van onze vrienden, is slechts een goeden nacht, geen laatst vaarwel. Zie 1 Thessalonicenzen 4:13, 14.
II. Dat Hij heenging tot Zijn Vader. Indien gij Mij liefhad -zoals gij in uwe smart zegt, dat gij Mij liefhebt-zo zoudt gij u verblijden, in plaats van te treuren, want hoewel Ik u verlaat, heb Ik u toch gezegd: Ik ga heen tot den Vader, niet slechts Mijn Vader, maar ook den uwe, hetgeen Mijne verhoging en uw voordeel zal wezen, want Mijn Vader is meerder dan Ik. Merk hier op:
1. Dat het voor Christus, discipelen ene zaak van grote vreugde is, dat Hij is heengegaan tot den Vader, om voor de wezen bezit te nemen, en voorbede te doen voor de overtreders. Er was aan Zijn heengaan een heldere, zowel als een donkere zijde. Daarom heeft Hij na Zijne opstanding deze boodschap, als de meest troostrijke, gezonden: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, Hoofdstuk 20:17.
2. De reden hiervan is, dat "de Vader meerder is dan Hij", hetgeen, als het een juist bewijs is voor hetgeen waarvoor het is aangevoerd (en ongetwijfeld is het dit), aldus verstaan moet worden, dat Zijn staat bij Zijn Vader veel voortreffelijker en heerlijker zal wezen dan Zijn tegenwoordige staat. Zijn wederkeren tot Zijn Vader, zegt Dr. Hammond, zal Zijne verhoging zijn tot een veel hogeren staat dan Zijn tegenwoordige is. Of wel aldus: Zijn heengaan tot den Vader zelven, en Zijn derwaarts heenbrengen van al Zijne volgelingen was het doeleinde van Zijne onderneming, en dus groter dan het middel. Aldus voert Christus de gedachten en verwachtingen Zijner discipelen op tot iets groters en hogers dan hetgeen, waarin zij nu hun geluk dachten te zijn opgesloten. Het koninkrijk des Vaders, waarin Hij alles in alles zijn zal, zal groter, meerder wezen, dan Zijn Middelaarskoninkrijk.
3. De discipelen van Christus moeten tonen dat zij Hem liefhebben, doordat zij zich verblijden in de heerlijkheid Zijner verhoging, veeleer dan door hun treuren over de smarten Zijner vernedering, en zich verblijden omdat Hij is heengegaan tot Zijn Vader, waar Hij zijn zal, en waar wij weldra met Hem zijn zullen. Velen, die Christus liefhebben, laten hun liefde in een verkeerd kanaal vloeien, zij denken, dat zij, zo zij Hem liefhebben, onophoudelijk wegens Hem in smart en rouw moeten zijn, terwijl toch zij, die Hem liefhebben, gerust bij Hem moesten wonen, en zich in Christus Jezus moesten verheugen. III. Dat Zijn heengaan, door de vergelijking er van met de profetieën, die er aan voorafgingen, een middel zou wezen tot bevestiging van het geloof Zijner discipelen, vers 29:"Ik heb het u gezegd, eer het geschied is, dat Ik moet sterven en weder opstaan, en opvaren tot Mijn Vader, en den Trooster zenden, opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt. Zie deze reden in Hoofdstuk 13:9, 16:4. Christus sprak tot Zijne discipelen van Zijn dood, hoewel Hij wist, dat dit hen in verlegenheid zou brengen en hen zou smarten, omdat het later strekken zou tot bevestiging van hun geloof in twee dingen:
1. Dat Hij, die deze dingen voorzegde, een Goddelijke voorwetenschap had, en tevoren wist wat de dag zou baren. Toen Paulus naar Jeruzalem ging, wist hij niet wat hem daar ontmoeten zou, maar Christus wist het.
2. Dat hetgeen voorzegd was, in overeenstemming was met het Goddelijk raadsbesluit, dat niet plotseling, maar van eeuwigheid af genomen was. Laat hen dus niet ontroerd zijn over hetgeen ter bevestiging zal dienen van hun geloof, en dus tot hun wezenlijk heil zal strekken, want de beproeving van ons geloof is zeer kostelijk, al is het ook dat wij bedroefd zijn door menigerlei verzoekingen, 1 Petrus 1:6.
IV. Dat Hij zeker was van de overwinning over Satan, met wie Hij wist een strijd te zullen hebben bij Zijn heengaan, vers 30. "Ik zal niet veel meer met u spreken, daar Ik niet veel anders te zeggen heb dan hetgeen uitgesteld kan worden tot na de uitstorting des Heiligen Geestes". Nog over vele goede dingen heeft Hij daarna met hen gesproken, Hoofdstuk 15 en 16, maar, in vergelijking met hetgeen Hij reeds gezegd had, was het niet veel. Zijn tijd was nu kort en daarom heeft Hij nu uitvoerig met hen gesproken, want de gelegenheid er toe zou spoedig voorbij zijn. Wij moeten er altijd naar streven om over gepaste en nuttige dingen te spreken, omdat wij wellicht geen tijd zullen hebben om veel te spreken. Wij weten niet hoe spoedig onze adem kan stilstaan, en daarom moet dat ademen altijd tot iets goeds gebruikt worden. Als wij ziek worden en op ons sterfbed neerliggen, zullen wij misschien niet instaat zijn veel te spreken met hen, die ons omringen, als wij hun dus goeden raad hebben te geven, zo laat ons hun dien geven terwijl wij gezond zijn. Een reden, waarom Hij niet veel meer met hen spreken zou, was dat Hij zich nu tot ander werk had te begeven, de overste dezer wereld komt. Hij noemde den duivel de overste dezer wereld, Hoofdstuk 12:31. De discipelen verkeerden in den waan, dat hun Meester de overste, of vorst, dezer wereld was, en dat zij, onder Hem, wereldlijke vorsten waren. Maar Christus zegt hun, dat de overste dezer wereld Zijn vijand is, en dat de oversten dezer wereld, die door hem aangezet en geregeerd worden, ook Zijne vijanden zijn, 1 Corinthiërs 2:8. Maar hij heeft aan Mij niets. Let hier op:
1. Het vooruitzicht, dat Christus had van een naderenden strijd, niet slechts met mensen, maar met de machten der duisternis. De duivel was Hem aangevallen met zijne verzoekingen, Mattheus 4, had Hem de koninkrijken der wereld aangeboden, als Hij ze als zijn leenman of schatplichtige wilde houden, en met het oog hierop noemt Christus hem verachtelijk: de overste dezer wereld. Toen liet de duivel van Hem af voor een tijd. "Maar nu", zegt Christus, "zie Ik hem weer gereed tot een nieuwen aanval, hij zal nu door verschrikkingen zoeken te verkrijgen, wat hij niet door verleiding en verlokking kon verkrijgen", nu hij Hem niet door verleiding van Zijne onderneming kon doen aflaten, zal hij beproeven Hem er van weg te schrikken. Het voorzien ener beproeving geeft ons een groot voordeel in het weerstaan er van, want tevoren gewaarschuwd zijnde, kunnen wij ons ook tevoren er tegen wapenen. Zo lang wij hier zijn, kunnen wij Satan ons onophoudelijk zien tegen treden, en daarom behoren wij op onze hoede tegen hem te zijn.
2. Zijne verzekerdheid van overwinnaar te zullen zijn in dien strijd: hij heeft aan Mij niets, ouk echei ouden hij heeft niemendal.
a. Er was in Christus gene schuld, waaraan de overste dezer wereld gezag of macht kon ontlenen voor zijne verschrikkingen. Van den duivel wordt gezegd, dat hij het geweld des doods heeft, Hebreeën 2:14. De Joden noemden hem den engel des doods, als een scherprechter. Christus nu, geen kwaad gedaan hebbende, had Satan geen wettelijke macht over Hem, of tegen Hem, en daarom kon hij, hoewel hij overmocht om Hem te kruisigen, niet overmogen om Hem te verschrikken, en, hoewel hij Hem ter dood dreef, kon hij Hem niet tot wanhoop drijven. Als Satan komt om ons te ontrusten, dan heeft hij iets om ons in verlegenheid te brengen, want wij hebben allen gezondigd, maar als hij Christus wilde ontrusten, dan vond hij daar gene aanleiding voor in Hem.
b. Er was in Christus geen bederf, dat den overste dezer wereld een voordeel zou kunnen geven in zijne verzoekingen. Hij kon Zijne onderneming niet tenietdoen door Hem in zonde te doen vallen, er was niets ongeregelds of onregelmatigs om er zijne verzoekingen aan vast te hechten, geen tonder voor hem om vonken in te slaan, zo groot was de vlekkeloze reinheid Zijner natuur, dat Hij verheven was boven de mogelijkheid van te kunnen zondigen. Hoe meer Satans invloed op ons vernietigd wordt, hoe troostrijker wij lijden en dood tegemoet kunnen gaan.
V. Dat Zijn heengaan was in onderworpenheid en gehoorzaamheid aan Zijn Vader. Satan kon Hem Zijn leven niet ontweldigen, en toch wilde Hij sterven: opdat de wereld wete, dat Ik den Vader liefheb, vers 31. Wij kunnen dit nemen:
1. Als ene bevestiging van hetgeen Hij dikwijls gezegd had, namelijk dat Zijne onderneming als Middelaar een bewijs was voor de wereld:
a. Van Zijne onderworpenheid aan den Vader, waaruit bleek dat Hij den Vader liefhad. Gelijk het een bewijs was van Zijne liefde tot den mens, dat Hij stierf voor zijne verlossing, zo was het een bewijs van Zijne liefde tot God, dat Hij stierf voor Zijne eer en heerlijkheid en om Zijne raadsbesluiten tot stand te brengen. Laat de wereld weten, dat er tussen den Vader en den Zoon gene liefde teloor ging. Gelijk de Vader den Zoon liefhad en alle dingen in Zijne handen heeft overgegeven, zo heeft de Zoon den Vader liefgehad en Zijn geest in Zijne handen overgegeven.
b. Van Zijne gehoorzaamheid aan den Vader. En alzo doe, gelijkerwijs Mij de Vader geboden heeft, dat is: dat Ik doe wat Hij Mij geboden heeft, en op de wijze, waarop Hij Mij geboden heeft het te doen. Het beste bewijs van onze liefde tot den Vader is, dat wij doen gelijkerwijs als Hij ons geboden heeft te doen. Gelijk Christus den Vader liefhad en Hem gehoorzaamde, Hem gehoorzaamde tot den dood, zo moeten wij Christus liefhebben en Hem gehoorzamen. Christus' zien op het gebod des Vaders, dat Hem verplichtte te lijden en te sterven, heeft Hem ondersteund en blijmoedigheid gegeven en den weerzin der natuur overwonnen, dit nam de ergernis weg van het kruis: dat hetgeen Hij deed, op bevel des Vaders was. Het gebod van God is voldoende om ons te ondersteunen in hetgeen door anderen het meest betwist wordt, en behoort dus ook voldoende te zijn om ons te doen volharden in hetgeen het moeilijkst is voor ons zelven: "Dat is de wil van Hem, die mij gemaakt heeft, die mij zendt".
2. Als besluit van hetgeen Hij nu had gezegd, zover gekomen zijnde, laat Hij het hier nu bij blijven: opdat de wereld wete, dat Ik den Vader liefheb. Gij zult zien hoe goedsmoeds Ik het voor Mij bestemde kruis zal ontmoeten: Staat op, laat ons van hier gaan, naar den hof, - zoals sommigen denken, of naar Jeruzalem. Als wij spreken van moeilijkheden, die nog verre zijn, dan is het gemakkelijk te zeggen: Heere, ik zal U volgen waar Gij ook heengaat, maar als die moeilijkheden gekomen zijn, als het onvermijdelijke kruis op den weg van onzen plicht ligt, en wij dan zeggen: "Staat op, laat ons van hier gaan om het te ontmoeten" in plaats van uit onzen weg te gaan ten einde het te vermijden, dan laat dit de wereld weten, dat wij den Vader liefhebben. Indien dit gesprek plaatshad aan het einde van den paasmaaltijd, dan schijnt Hij bij deze woorden van tafel te zijn opgestaan, en in een andere kamer te zijn gegaan, waar Hij des te meer ongestoord het gesprek met Zijne discipelen, vermeld in de volgende hoofdstukken, kon voortzetten, en met hen kon bidden. Dr. Goodwin zegt hiervan, dat Christus, het gebod Zijns Vaders als de grootste beweegreden voor Zijn lijden genoemd hebbende, nu haast had om te gaan lijden en sterven, en vrezende dat Hij anders het ogenblik zou laten voorbijgaan om Judas te ontmoeten, zei Hij: Staat op, laat ons van hier gaan. Maar als het ware op het uurglas ziende, en bemerkende, dat het nog niet geheel ledig was, zet Hij zich weer neer en houdt nog ene rede. Nu geeft Hij in deze woorden aan Zijne discipelen ene bemoediging om Hem te volgen. Hij zegt niet: Ik moet gaan, maar: Laat ons gaan. Hij roept hen tot gene moeilijkheid, waarbij Hij hun niet voorgaat als hun Leidsman. Zij hadden beloofd, dat zij Hem niet zouden verlaten: "Komt", zegt Hij, "laat ons dan gaan. Laat ons zien, of gij uwe belofte houden zult". Hij geeft hun dan ook een voorbeeld, hen lerende om ten allen tijde, maar inzonderheid in tijden van lijden, los te zijn van de dingen der aarde, en dikwijls er van te spreken om ze te verlaten. Wanneer wij behaaglijk neerzitten en van een aangenaam gesprek genieten, moeten wij toch niet denken altijd hier te zullen blijven: Staat op, laat ons van hier gaan. Indien het aan het einde was van den paasmaaltijd, waarbij het heilig Avondmaal werd ingesteld, dan leert het ons, dat de plechtigheden van onze gemeenschapsoefening met God niet altijd voort kunnen duren in deze wereld. Als wij met zielsverlustiging neerzitten onder Christus' schaduw, en zeggen: Het is ons goed hier te wezen, dan moeten wij toch denken aan opstaan en heengaan, aan een afkomen van den berg.