Colossenzen 3:1-4
De apostel, na in het vorige deel van den brief beschreven te hebben onze voorrechten door Christus en onze verlossing van het juk der ceremoniële wet, komt hier opwekken tot de deugden toen genoemd. Ofschoon wij vrijgemaakt zijn van de verplichtingen der ceremoniële wet, volgt daaruit niet dat wij mogen leven naar ons welgevallen. Wij moeten des te meer in nauwe vereniging met God wandelen in alle delen van Evangelische gehoorzaamheid. Hij begint met hen te vermanen om hun harten in den hemel te zetten en los te maken van de aarde. Indien gij dan met Christus opgewekt zijt. Het is ons voorrecht, dat wij met Christus opgewekt zijn, dat is zegen hebben door de opstanding van Christus, en krachtens onze vereniging met Hem zijn gerechtvaardigd, en geheiligd en verheerlijkt zullen worden. Daarom zegt hij thans, dat wij moeten zoeken de dingen die boven zijn. Wij moeten meer denken aan de dingen van de andere wereld dan aan die van de tegenwoordige. Wij moeten den hemel tot ons deel maken, zoeken de gunst Gods die boven is, door het geloof gemeenschap oefenen met de wereld die boven is, en er onze gestadige zorg van maken om onze aanspraak op en gerechtigdheid tot de hemelse zegeningen te verzekeren. De reden daarvoor is dat Christus daar is, zittende ter rechterhand Gods. Onze beste vriend, ons hoofd, is daar verheven tot de hoogste waardigheid en eer in den hemel en is vooruit gegaan om ons de hemelse gelukzaligheid te verzekeren, en daarom moeten wij zoeken en machtig worden hetgeen Hij ons tot zo duren prijs gekocht heeft, en waarvoor Hij zoveel zorg draagt. Wij moeten, naar ons vermogen, zulk een leven leiden als Christus hier op aarde leefde en nu in den hemel leeft.
I. Hij verklaart deze roeping, vers 2. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op aarde zijn. Hemelse dingen zoeken is er onze genegenheid op vestigen, ze liefhebben en er onze begeerte naar uitstrekken. Op de vleugelen des verlangens stijgt het hart opwaarts, en wordt naar de geestelijke en goddelijke dingen heen gevoerd. Wij moeten ons met die dingen gemeenzaam maken, ze boven alle andere dingen achten en ons voorbereiden voor de genieting ervan. David geeft dit bewijs van zijn liefde voor Gods huis, dat hij ernstig begeerde daar te mogen zijn en er voor bereid te worden, Psalm 27:4. Dat is geestelijk gezind zijn, Romeinen 8:6, en een beter vaderland, het hemelse, zoeken, Hebreeën 11:14, 16. De dingen, die op de aarde zijn, worden hier gesteld tegenover de dingen, die boven zijn. Wij moeten ons aan de aardse dingen niet hechten of er te veel van verwachten, opdat wij onze zinnen mogen zetten op den hemel, want hemel en aarde staan tegenover elkaar, en men kan niet beiden tegelijk de voorkeur geven, terwijl de voorkeur voor den een onvermijdelijk onze gehechtheid aan de andere zal doen afnemen.
II. Hij geeft daarvoor drie redenen op, vers 3, 4.
1. Wij zijn dood, dat is voor de tegenwoordige dingen en voor zoveel ons aangaat. Wij zijn dood in belijdenis en in verplichting, want wij zijn met Christus gestorven en ene plante met Hem geworden in de gelijkmaking Zijns doods. Iedere Christen is der wereld gekruisigd en de wereld is voor hem gekruisigd, Galaten 6:14. En zo wij dood zijn voor de aarde en haar als ons geluk hebben verzaakt, dan is het ongerijmd haar lief te hebben en haar te zoeken. Wij moeten voor haar dood zijn, gevoelloos en zonder liefde.
2. Ons ware leven is in de andere wereld. Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God, vers 3. De nieuwe mens heeft zijn levensoorsprong dáár. Hij is geboren en wordt gevoed van boven, en de volmaking van zijn leven wordt bewaard voor dien toestand. Het is verborgen met Christus, niet voor ons alleen verborgen, als iets geheims, maar voor ons verborgen in zekere bewaring. Het leven van den Christen is verborgen met Christus. Ik leef en gij zult leven, Johannes 14:19. Christus is thans een verborgen Christus, of een dien wij niet gezien hebben, maar dit is onze troost, dat ons leven met Hem verborgen is, en bij Hem veilig is. En gelijk wij reden hebben om Hem lief te hebben, dien wij niet gezien hebben, 1 Petrus 1:8, zo mogen wij ons verheugen in een zaligheid buiten gezicht en die in de hemelen bewaard wordt voor ons.
3. Omdat wij op die wederkomst van Christus hopen, ter volmaking van ons geluk. Indien wij nu een leven van Christelijke reinheid en toewijding leiden, zullen wij, wanneer Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid, vers 4. Merk op:
A. Christus is het leven van den gelovige.
Ik leef, maar niet meer ik, Christus leeft in mij, Galaten 2:20. Hij is het begin en het doel van het Christelijke leven. Hij leeft in ons door Zijn Geest, en wij leven voor Hem in al wat wij doen. Het leven is mij Christus, Filippenzen 1:21.
B. Christus zal geopenbaard worden. Hij is nu verborgen en de hemelen moesten Hem ontvangen, maar Hij zal geopenbaard worden in al de heerlijkheid van de betere wereld, met al Zijn heilige engelen, en in Zijn eigen heerlijkheid en die Zijns Vaders, Markus 8:38, Lukas 9:26.
C. Wij zullen dan met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Het zal Zijne heerlijkheid zijn Zijne verlosten bij zich te hebben, Hij zal komen om verheerlijkt te worden in Zijne heiligen, 2 Thessalonicenzen 1:20. En het zal hun heerlijkheid zijn om met Hem te komen en voor altijd met Hem te zijn. Bij de tweede komst van Christus zal er een algemene vergadering van al de heiligen zijn, en zij, wier leven nu is verborgen met Christus, zullen dan met Hem geopenbaard worden in de heerlijkheid die Hij zelf heeft, Johannes 17:24. Zullen wij uitzien naar die gelukzaligheid, en toch niet onze liefde geven aan die wereld en dat leven, die daar boven zijn? Wat is hier, dat ons gelukkig maken kan? Wat is daar, dat niet onze harten tot zich trekken kan? Ons hoofd is daar, ons tehuis is daar, onze schat is daar, en wij hopen eeuwig daar te zijn.