Jesaja 59:16-21
Hoe overvloedig deze zonden waren hebben wij tot onze grote verbazing in het eerste gedeelte van dit hoofdstuk gezien, thans zullen wij bemerken hoe de genade nog veel meer overvloedig werd. En gelijk de zonde uit het gebod aanleiding nam om bovenmate zondigende te zijn, zo nam de genade uit de overtreding van het gebod aanleiding om nog veel meer genadig te zijn.
Merk op:
I. Hoe God voor dit tergende volk redding teweegbracht niettegenstaande hun tergingen, het was alleen ter wille van Zijn naam, want in hen was niets om redding te doen komen en niets om God te bewegen die te geven, geen verdienste om die te verkrijgen, geen kracht om die te bewerken. God zou het doen om Zichzelfs wil, Hij zou er Zijn eigen kracht in openbaren tot Zijn heerlijkheid.
1. Hij nam kennis van hun zwakheid en verkeerdheid, Hij zag dat er niemand was die iets doen kon tot steun van de bloedende zaak van godsdienst en deugd onder hen, niemand die het recht wilde uitoefenen, Jeremia 5:1, niemand die de hand sloeg aan het werk van de hervorming. Zij, die klaagden over de slechtheid van de tijden, hadden zomin de ijver als de moed om op te staan en er tegen te handelen. Er was een algemeen bederf van zeden, en niets werd er gedaan om de springvloed tegen te houden, de meesten waren goddeloos en de overigen zwak en durfden niets doen tegen de ondeugden van de goddelozen. Er was geen voorbidder, niemand die bij God tussen trad om in de bres te staan en door gebed Zijn toorn af te wenden. Hij zou gaarne zo iemand ontmoet hebben en het tegendeel ontzette hem. Of er was niemand die tussentrad om gerechtigheid en waarheid te ondersteunen, die op de straten vertrapt lagen, vers 14, geen pleitbezorger om te spreken voor hen, die ter wille van hun oprechtheid, onrecht verduren moesten, vers 15. Zij beklaagden zich dat God niet voor hen verscheen, Hoofdstuk 58:3, maar God klaagde met veel meer reden dat zij niets voor zichzelf deden, en gaf te kennen hoe bereid Hij zou geweest zijn om hun goed te doen, indien Hij bij hen de minste neiging tot hervorming ontdekt had.
2. Hij trok daarom Zijn gerechtigheid tot hun behoeve aan als een pantser. Zij zullen gered worden, en:
A. Omdat zij in zichzelf geen kracht hebben en er niemand onder hen is die in goede ernst op zich nemen kan om het leed van hun ongerechtigheden en van hun ongelukken te verzachten, bracht Zijn eigen arm Hem heil aan, dat is aan Zijn volk, of aan Hem, die Hij als hun redder verwekken zou, aan Christus de kracht Gods en de arm des Heeren, de man van Zijn rechterhand, die Hij met sterkte bekleedde. Het werk van de hervorming, het eerste en voornaamste deel van de redding, zal gewrocht worden door de onmiddellijke invloed van de goddelijke genade in de gewetens van de mensen. Omdat overheid en maatschappij in gebreke blijven om hierin het hun te doen-de één wil geen gerechtigheid oefenen en de andere wil er niet om roepen-zegt God hun dat Hij het doen zal zonder hen, wanneer Zijn tijd gekomen zal zijn om Zijn volk genade te betonen. En dat werk van verlossing zal gewrocht worden door de onmiddellijke werkingen van de goddelijke genade in de neigingen en zaken van de mensen. Toen God de geest van Cyrus opwekte en Zijn volk uit Babel verloste, niet door macht of geweld maar door de Geest des Heeren, toen bracht Zijn arm, die nooit verkort is, hem heil. B. Omdat in hen geen gerechtigheid is om deze weldaden te verdienen en waarop God in de bewerking er van het oog kon hebben, daarom heeft Zijn gerechtigheid hem ondersteund. De goddelijke gerechtigheid hadden zij door hun zonden tegen zichzelf gewapend, maar nu verschijnt genade voor hen. Ofschoon zij geen genade kunnen verwachten als aan hen verschuldigd, zal Hij toch rechtvaardig zijn jegens Zichzelf, naar Zijn eigen voornemen en Zijn belofte aan Zijn volk, Hij zal in gerechtigheid de vijanden van Zijn volk straffen, Deuteronomium 9:5 :Niet om Uw gerechtigheid, maar om de goddeloosheid van deze volken verdrijft de Heere hen van voor Uw aangezicht: In onze verzoening door Christus, omdat er in ons geen gerechtigheid was om die teweeg te brengen, waarop God ons Zijn gunst bewijzen kon, bracht Hij ons een gerechtigheid door de verdiensten en tussenkomst van Zijn eigen Zoon, welke genoemd wordt de gerechtigheid die uit God is door het geloof, Filippenzen 3:9. En deze gerechtigheid ondersteunde Hem en hield Hem staande in al Zijn gunsten voor ons niettegenstaande al onze tegenstand. Hij trok de gerechtigheid aan als een pantser, beveiligde daarmee Zijn eer gelijk een pantser de edele levensdoelen beschermt, door Zijn gerechtigheid, en Hij zette de helm des heils op Zijn hoofd. Zo zeker is Hij dat Hij het heil bewerken zal, dat Hij dat heil zelf voor Zijn helm neemt, die daarom ondoordringbaar is en waarmee Hij schitterend verschijnt, vreeslijk in de ogen van Zijn vijanden, begeerlijk in die van Zijn vrienden. De gerechtigheid is Zijn kleding en de ijver Zijn mantel. Met verwijzing hier heen vinden wij onder de delen van des Christens wapenrusting de borstplaat van de gerechtigheid en tot helm de hoop van de zaligheid genoemd, Efeziers 6:14, 17 en 1 Thessalonicenzen 5:8. En zij wordt genoemd de wapenrusting Gods, omdat Hij haar eerst droeg en voor ons bereidde.
C. Omdat zij geen geest of ijver hadden om voor zichzelf iets te doen, zal God de kleren van de wraak tot kleding aantrekken en de ijver als een mantel aandoen, Hij zal maken dat Zijn gerechtigheid tegen de vijanden van Zijn kerk en zijn volk, en zijn ijver voor Zijn eigen heerlijkheid en de eer van godsdienst en deugd onder de mensen, duidelijk en in `t oog vallend voor de gehele wereld verschijnen. En daarin zal Hij zich groot betonen gelijk een man zich groot toont in de rijke kleding van zijn ambtsgewaad. Indien de mensen niet ijverig zijn tegen de zonde, zal God het zijn, en dan zal Hij op haar wraak nemen voor al het onrecht zijn eer en het welzijn Zijns volks aangedaan. Dit was het werk van Christus in deze wereld, de zonde weg te nemen en tegen haar wraak te oefenen.
II. Welke de verlossing is, die gewrocht zal worden door de gerechtigheid en kracht van God zelf.
1. Er zal een grote tijdelijke verlossing gewrocht worden voor de Joden in Babel en die elders in droefheid en gevangenschap zijn. Wanneer Gods tijd komt, zal Hij Zijn eigen werk doen, ofschoon zij die er ook aan werken moesten in gebreke blijven. Hier wordt beloofd:
A. Dat God rekenen zal met Zijn vijanden en hun vergelden naar hun werken, zowel de vijanden buiten die Zijn volk verdekt hebben als de vijanden van gerechtigheid en waarheid binnen, die hen verdekt hebben, want die zijn ook Zijn vijanden. Wanneer de dag van de wraak zal komen zal God met hen allen handelen gelijk zij allen verdiend hebben, overeenkomstig de wet van de vergelding (met gelijke munt, zie Openbaring 13:10) of: volgens de vroegere vergeldingen, gelijk Hij vroeger Zijn vijanden vergolden heeft, zal Hij nu ook doen: "grimmigheid aan Zijn wederpartijders en vergelding aan Zijn vijanden," Psalm 21:8 en Zijn pijlen zullen hen bereiken. Ofschoon Gods volk zich zo slecht gedragen heeft dat het niet verdient verlost te worden, hebben Zijn vijanden zich nog veel slechter gedragen zodat zij verdienen verwoest te worden.
B. Welke pogingen de vijanden van Gods volk later ook mogen aanwenden om Zijn vrede te verstoren, zij zullen verijdeld en te schande gemaakt worden. Als de vijand zal komen gelijk een stroom, gelijk een vloed bij springtij, of gelijk een bergstroom, die dreigt alles zonder onderscheid mee te sleuren, dan zal de Geest des Heeren, door een of andere geheime onopgemerkte macht, de banier tegen hem oprichten (of zoals sommigen hier lezen, hem noodzaken te vluchten). Hij die verlost heeft, zal voortgaan met verlossen. Wanneer Gods volk zwak en hulpeloos is en geen banier kan opheffen tegen de inval van de vijandelijke macht, dan zal God een banier geven aan degenen, die Hem vrezen Psalm 60:4, dan zal Zijn Geest de banier oprichten, waarheen menigten zich zullen vergaderen om de kerk te helpen. Sommigen lezen hier: Hij zal komen (de naam des Heeren en Zijn heerlijkheid van de beloofde, vooruitgeziene Messias) gelijk een sterke rivier, en de Geest des Heeren zal Hem als een teken opheffen. Christus zal door de verkondiging van Zijn Evangelie de aarde met kennis Gods bedekken gelijk de wateren de zee bedekken, de Geest des Heeren zal Christus oprichten tot een banier van de volken, Hoofdstuk 11:10.
C. Dit alles zal strekken tot verheerlijking van God en tot bevordering van de godsdienst in de wereld, vers 19. Zij zullen de naam des Heeren vrezen en Hem verheerlijken bij alle volken van de opgang tot de ondergang van de zon, van het oosten tot het westen. De verlossing van de Joden uilt hun gevangenschap en de verwoesting, die over hun vijanden gebracht wordt, zal menigten opwekken om te vragen naar de God van Israël en hen aansporen om Hem te dienen en te vereren, en zich te scharen onder de banier, welke de Geest des Heeren zal opheffen. Gods verschijningen voor Zijn kerk zullen het middel zijn om velen tot haar te brengen. Dit heeft zijn gehele vervulling gekregen in de tijden des Evangelies, toen velen kwamen van oost en west om de plaats van de kinderen des koninkrijks in te nemen, die buitengeworpen werden, toen de Oosterse en Westerse kerken opgericht werden, Mattheus 8:11.
2. Er zal heerlijker verlossing gewrocht worden door de Messias in de volheid van de tijden van welke de verlossing de profeten, bij alle gelegenheden, voorspeld hebben. Ten aanzien van die verlossing hebben wij hier twee grote beloften.
A. De Zoon Gods zal komen als onze Verlosser, vers 20. Daar zal een Verlosser te Zion komen, Dit wordt in Romeinen 11:26 op Christus toegepast: "De Verlosser zal komen." De komst van Christus als Verlosser is het kort begrip van alle beloften des Ouden en des Nieuwen Testaments, en dit was de verlossing van Jeruzalem, waarnaar alle gelovige Joden uitzagen, Lukas 2:38. Christus is onze Goël, onze naaste betrekking die zowel de persoon als de eigendom van de schuldenaar vrijkoopt.
Merk op:
a. De plaats waar deze Verlosser zal verschijnen. Hij zal komen te Zion, want daar, op die heiligen berg, zal God Hem tot Koning zalven, Psalm 2:6. In Zion zal de hoeksteen gelegd worden, 1 Petrus 2:6. Daar zal Hij tot Zijn tempel komen, Maleachi 3:1. In Zion zal God Zijn heil geven, Hoofdstuk 46:13, want vandaar zal de wet uitgaan, Hoofdstuk 2:3. Zion was het type van de kerk des Evangelies voor welke de Verlosser in a1 Zijn verschijningen optreedt. De Verlosser zal ter wille van Zion komen, zo lezen de LXX. b. De personen, die de vertroosting van de komst des Verlossers zullen hebben, dan zullen zij hun hoofden opheffen, wetende dat hun verlossing nabij is. Hij zal komen tot hen, die zich bekeren van de overtreding in Jakob, tot hen die van Jakob zijn tot het biddende zaad van Jakob, In antwoord op hun gebeden. Maar niet allen zijn van Jakob, die binnen de grenzen van de zichtbare kerk zijn, alleen zij die zich bekeren van de ongerechtigheid van Jakob, daarover berouw hebben, en zich bekeren en de zonden verzaken, welke Christus kwam wegnemen. De zondaren in Zion zullen Heen nut hebben van des Verlossers komst tot Zion, indien zij voortgaan in hun overtredingen.
B. De Geest des Heeren zal komen als onze heiligmaker, vers 21. In de Verlosser werd met ons een nieuw verbond gesloten als een verbond van beloften, en dat is de grote en alles- omvattende belofte van dat verbond, dat God zal geven en blijven geven Zijn Woord en Geest aan Zijn kerk en Zijn volk gedurende alle geslachten. Dat God Zijn Geest geeft aan hen, die Hem bidden Lukas 11:13, Mattheus 7:11, sluit in zich het geven van alles goeds. Van dit verbond wordt gezegd dat het met hen gemaakt wordt, dat is met hen, die zich bekeren van de overtredingen, want hun, die ophouden kwaad te doen, zal geleerd worden goed te doen. Maar de belofte wordt begeven aan een enkelen persoon: Mijn Geest die op u is. Dat wordt gezegd.
a. Tot Christus als het Hoofd van de kerk, die ontvangt opdat Hij zou kunnen geven. De Geest die aan de kerk was beloofd, was eerst op Hem, en van Zijn hoofd daalde deze kostelijke zalving neer op de zomen van Zijn kleren, het woord van de verzoening werd eerst in Zijn mond gelegd, want het is begonnen verkondigd te worden door de Heere. En al Zijn gelovigen zijn Zijn zaad, in hetwelk Hij de dagen verlengt, Hoofdstuk 53:10. Of:
b. Tot de kerk, en dan is het een belofte van de voortduring en het bestaan blijven van de kerk in de wereld tot het einde van de tijd, samengaande met de belofte dat de troon en het zaad van Christus eeuwig zullen blijven, Psalm 89:36, 37 en 22:31.
Merk op:
Ten eerste. Hoe de kerk in stand blijven zal, in de opvolging evenals in de wereld de mensheid in stand blijft door het zaad en het zaad van het zaad. Indien het een geslacht voorbijgaat zal het volgende geslacht opstaan. Inplaats van de vaderen zullen de kinderen zijn.
Ten tweede. Hoelang dat duren zal: van nu aan tot in eeuwigheid toe, dat is, tot het einde van de wereld, want de wereld blijft in stand ter wille van de kerk, en wij kunnen er zeker van zijn dat Christus, zolang zij bestaat, altijd in haar een kerk zal hebben, hoewel niet altijd zichtbaar.
Ten derde. Door welke middelen zij in stand gehouden zal worden, door de voortdurende inwoning in haar van het Woord en de Geest.
a. De Geest die op Christus was zal altijd blijven wonen in de harten van de gelovigen, er zullen in elke eeuw mensen zijn, in welke Hij werken en wonen zal, en zo zal de Trooster altijd met de kerk blijven, Johannes 14:6.
b. Het Woord van Christus zal altijd zijn in de mond van de gelovigen, in alle eeuwen zullen er zijn, die geloven met het hart tot rechtvaardigmaking en met de tong belijden tot zaligheid. Het woord zal niet wijken uit de mond van de kerk, want er zal altijd een zaad zijn om de heilige taal van Christus te spreken en Zijn heiligen godsdienst te belijden. Merk op: Het Woord en de Geest gaan samen, en door die beide wordt de kerk in stand gehouden. Want het woord in onze mond zal ons geen nut doen, tenzij de Geest met het Woord samenwerkt en ons het Woord leert verstaan. Maar de Geest doet dat werk door het Woord en in overeenstemming met het Woord, en hetgeen door de Geest voorgeschreven wordt moet aan de Schrift ontleend worden. Op deze fundamenten is de kerk gebouwd staat zij vast, en zal zij voor altijd staande blijven, want Christus zelf is de uiterste hoeksteen.