Openbaring 12:12-18
Wij hebben hier een verhaal van den krijg, die zo gelukkig eindigde in den hemel, of in de gemeente. Hij werd opnieuw aangebonden en gevoerd in de woestijn, de plaats waarheen de gemeente gevlucht was, en waar zij gedurende enigen tijd verzekerd werd door de bijzondere zorg van haar God en Zaligmaker. En merk nu op:
I. De waarschuwing van de droefheid en de rampen, die over de bewoners der aarde zouden komen door den toorn en de woede des duivels. Want, alhoewel zijn kwaadaardigheid voornamelijk tegen de dienstknechten Gods woedt, is hij ook de vijand en hater der mensheid als zodanig. En nu hij verslagen is in zijn plannen tegen de gemeente, heeft hij besloten aan de wereld in het algemeen zoveel mogelijk onheilen te berokkenen. Wee degenen, die de aarde en de zee bewonen! vers 12. De woede des Satans neemt des te meer toe naarmate hij beperkt is in tijd en plaats, toen hij begrensd was tot de woestijn en daar slechts korten tijd regeren kon, kwam hij met des te groter toorn.
II. Zijn tweede aanval op de gemeente in de woestijn. Hij heeft de vrouw vervolgd, die het manneken gebaard had, vers 13. Merk op:
1. De zorg, die God voor Zijne gemeente gedragen had. Hij had haar als op engelenvleugelen overgebracht naar een veilige plaats, die voor haar bereid was, en daar kon zij gedurende een bepaalden tijd blijven, een tijd, die in profetische getallen wordt genoemd, ontleend aan Daniël 7:25.
2. De voortdurende boosaardigheid van den draak tegen de gemeente. Haar verborgen-zijn kon haar niet geheel en al beschermen, de oude listige Slang, die eerst het paradijs binnendrong, volgde de gemeente nu naar de woestijn en wierp uit zijn mond water als een rivier, opdat zij haar door de rivier zou doen weg- voeren. Algemeen wordt aangenomen, dat dit doelt op een stroom van dwaling en ketterij, die voortgebracht werd door Arius, Nestorius, Pelagius en vele anderen, en waardoor de gemeente Gods in gevaar gebracht werd overstroomd en weggevoerd te worden. De gemeente Gods is meer in gevaar door ketters dan door vervolgers, en ketterijen komen even zeker van den duivel als openbaar geweld en vervolging.
3. De tijdige hulp, die de vrouw in dit gevaarlijke tijdperk ontving. De aarde opende haar mond en verzwolg de rivier, welke de draak uit zijn mond had geworpen, vers 16. Sommigen menen dat hierdoor bedoeld worden de zwermen van Gothen en Wandalen, die in het Romeinse keizerrijk vielen en afrekenden met de Ariaanse heersers, welke anders even vinnige vervolgers zouden geworden zijn als hun heidense voorgangers geweest waren, en reeds grote wreedheden bedreven hadden. Maar God opende een reeks oorlogen en daardoor werd op zekere wijze de vloed verzwolgen terwijl de gemeente enige verademing genoot. God zendt dikwijls het zwaard om de twist van Zijn verbond te beslechten, en wanneer de mensen andere goden verkiezen, is er gevaar van oorlog in de poorten, binnenlandse beroerten en twisten eindigen dikwijls in de invallen van een algemenen vijand.
4. De duivel, teleurgesteld in zijn voornemens tegen de gemeente, keert nu zijn woede tegen bijzondere personen en plaatsen, zijn boosaardigheid tegen de vrouw spoort hem aan om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad. Sommigen menen dat hiermede bedoeld worden de Albigenzen, die eerst door Diocletianus verdreven werden naar woeste bergachtige streken, en later wreedaardig vermoord door de pauselijke woede en macht, gedurende verscheidene geslachten, en zulks om geen andere reden dan omdat zij de geboden Gods bewaarden en de getuigenis van Jezus Christus hadden. Hun getrouwheid aan God en Christus in leer, eredienst en wandel, stelde hen bloot aan de woede des Satans en van zijn werktuigen, en diezelfde getrouwheid zal allen meer of minder daaraan blootstellen tot het einde der wereld, wanneer de laatste vijand zal tenietgedaan worden.