Jesaja 53:10-12
In de voorgaande verzen heeft de profeet het lijden van Christus tot in bijzonderheden beschreven, soms enige wenken er tussen voegende omtrent de gezegende gevolgen daarvan, hier spreekt hij nog wel over het lijden maar behandelt breedvoeriger de heerlijkheid daarna volgende. In deze verzen mogen wij opmerken:
I. De diensten en het lijden van Christus' staat van vernedering. Kom en zie hoe lief Hij ons had en wat Hij voor ons deed.
1. Hij onderwierp zich aan het ongenoegen des hemels vers 10. Doch het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen, Hem pijn en smart te doen ondergaan. De Schrift zegt nergens dat Christus in Zijn lijden de toorn Gods onderging, maar hier wordt gezegd,
a. Dat de Heere Hem verbrijzelde, niet alleen toeliet dat mensen Hem verbrijzelden, maar Zijn eigen zwaard tegen Hem deed ontwaken, Zacheria 13:7. Zij achtten Hem dat Hij van God geslagen werd om enige grote zonde, die Hijzelf begaan had, vers 4. Nu was het waar dat Hij van God geslagen werd, maar het was om onze zonden. De Heere verbrijzelde Hem, "want Hij heeft Hem niet gespaard maar voor ons allen overgegeven," Romeinen 8:32. God gaf Hem de bittere beker in de hand en liet Hem die drinken, Johannes 18:11, want Hij had onze ongerechtigheid op Hem gelegd. Dat maakte Hem tot zonde en tot een vloek om onzentwil en verkeerde zijn brandoffer tot as ten teken, dat het aangenomen was, Psalm 20:4.
b. Hij verbrijzelde Hem zo dat Hij Hem ziek maakte. Christus onderwierp zich aan deze beschikking en onderging dat ziek worden toen Zijn Vader Hem overleverde. Hij werd in zo hoge mate ziek gemaakt dat Hij beangst werd tot de dood toe en begon zeer verbaasd en verschrikt te worden.
c. Het behaagde de Heere dit te doen, dat is, Hij besloot er toe, het was het gevolg van Zijn eeuwige raad. en Hij verheugde zich er in, want dit was de doeltreffende wijze om de mensen te verlossen en de eer van God te bevestigen en te bevorderen.
2. Hij stelde zichzelf in de plaats van de zondaren als een schuldoffer. Hij maakte Zijn ziel tot een offer voor de zonde. Zelf zegt Hij daarvan, Mattheus 20-28:"dat Hij gekomen is om Zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen." Wanneer de mensen runderen en bokken brachten als offeranden voor de zonder, maakten zij die tot hun offer, want zij hadden daar zeggenschap over, God had die alle onder hun voeten gezet. Maar Christus maakte zichzelf tot een offerande, het was Zijn eigen dood. Wij konden Hem niet in onze plaats stellen, maar Hij deed het zelf en zei, Vader, in Uwe handen beveel ik Mijnen geest, in veel hoger zin dan David dat zei of zeggen kon: Ik stel mijn geest in uw handen als het leven van een offer en als de prijs van de vergeving. Dus zal Hij de ongerechtigheden van velen dragen om hen rechtvaardig te maken, vers 11, Hij zal de zonde van de wereld wegdragen door die op zichzelf te leggen, Johannes 1:29. Dit wordt nog eens vermeld in vers 12. Hij heeft veler zonden gedragen, die, zo zij die zelf hadden moeten dragen, hen hadden doen wegzinken in de diepste diepte van de hel. Zie hoe dit op de voorgrond geplaatst wordt, want wanneer wij het lijden van Christus gedenken, moeten we in Hem altijd de drager van onze zonden zien.
3. Hij onderwierp zich aan hetgeen voor ons de bezoldiging van de zonde is, vers 12. Hij heeft Zijn ziel uitgestort in de dood, haar uitgestort als water, zo weinig lette Hij daarop toen die uitstorting bleek het enige middel te zijn voor onze verlossing en zaligmaking. Hij "heeft Zijn leven niet liefgehad tot de dood," en Zijn volgelingen, de martelaren deden evenzo, Openbaring 12:11. Of liever: Hij stortte haar uit als een drankoffer om Zijn offerande te volmaken, opdat Zijn bloed waarlijk drank zou zijn gelijk Zijn vlees spijze is voor Zijn gelovigen. Er was niet alleen een verbrijzeling van Zijn lichaam in Zijn lijden, Psalm 21:15. "Ik ben uitgestort als water," maar ook een overgave van Zijn ziel, Hij goot haar uit tot zelfs in de dood, ofschoon Hij de Heere des levens is.
4. Hij verdroeg het met de overtreders geteld te worden, en toch bood Hij Zichzelf aan om voor de overtreders tussen te treden vers 12.
A. Het was een grote verzwaring van Zijn lijden, dat Hij met de overtreders gerekend werd. Hij werd niet alleen als een misdadiger veroordeeld, maar Hij werd terechtgesteld tussen twee befaamde moordenaars, en Hij in het midden als de ergste van de drie. In dit onderdeel van Zijn lijden werd deze profetie vervuld, zegt ons de Evangelist, Markus 15:27, 28. Ja, de ergste misdadiger van allen, Bar-Abbas die een verrader, dief en moordenaar was werd aan het volk voorgesteld om tussen hem en Jezus te kiezen, en werd gekozen, want zij wilden niet Jezus, maar Bar-Abbas vrijlaten. Gedurende Zijn gehele leven was Hij met de misdadigers gerekend, want men noemde Hem een sabbatschender, een dronkaard, een vriend van tollenaren en zondaren.
B. Het was een grote aanbeveling van Zijn lijden en verstrekte Hem grotelijks tot eer, dat Hij in Zijn lijden voor de overtreders tusschentrad- gebeden heeft, voor hen die Hem vertrapten en kruisigden. Hij bad: Vader, vergeef het hun, en toonde daardoor niet alleen dat Hij het hun vergaf, maar dat Hij nu volbracht datgene waarop de vergeving voor hen en voor alle andere overtreders gegrond was. Dat gebed was de taal van Zijn bloed, dat niet om wraak maar om genade riep, en daarin betere dingen sprak dan het bloed van Abel, zelfs voor hen, wier goddeloze handen het vergoten.
II. De heerlijkheid van de staat van Zijn verhoging en de genade die Hij voor ons verworven heeft, is niet het geringste deel van de heerlijkheid die Hij verkreeg. Zij is Hem verzekerd door het verbond van de verlossing, waarvan deze verzen ons enig denkbeeld geven. Hij beloofde dat Hij zijn ziel tot een offer voor de zonden stellen zou, stemde er in toe dat de Vader Hem overleveren zou en nam op zich de zonden van velen te dragen. Daarvoor beloofde de Vader Hem dat Hij Hem verheerlijken zou, niet alleen met de heerlijkheid die Hij had eer de wereld was. Johannes 17:5, maar met de heerlijkheid van Middelaar.
1. Hij zal hebben de heerlijkheid van Vader van de eeuwigheid, onder deze naam was Hij in de wereld ingebracht, Jesaja 9:6, en Hij zal geheel aan deze naam voldoen als Hij de wereld verlaat. Dit was de belofte aan Abraham gedaan (die hierin een type van Christus was) dat hij "een vader van vele volken, en daardoor een erfgenaam van de wereld" worden zou Romeinen 4:13, 17. Gelijk Abraham de wortel van de Joodse kerk was, en het verbond met hem en met zijn zaad opgericht werd, zo werd Christus de wortel van de algemene kerk, en is met Hem en Zijn geestelijk zaad het verbond van de genade gesloten, hetwelk gegrond is op en verzegeld in het verbond van de verlossing waarvan ons hier enige heerlijke beloften meegedeeld worden.
Hier wordt beloofd: A. Dat de Verlosser zal hebben een zaad, dat Hem zal dienen en Zijn naam dragen, Psalm 22:31. Ware gelovigen zijn het zaad van Christus, daartoe gaf de Vader hen aan Hem, Johannes 17:6. Hij stierf om hen voor zichzelf te kopen en te reinigen, Hij viel in de aarde als een tarwegraan, opdat Hij vrucht voortbrengen zou, Johannes 12:24. Het Woord, dat onverderflijk zaad waardoor zij wedergeboren worden, is Zijn woord, de Geest, de grote bewerker van hun wedergeboorte is Zijn geest, en het is Zijn beeld waarnaar zij gevormd worden en dat zij dragen.
B. Dat Hij zal leren om Zijn zaad te zien. De kinderen van Christus hebben een levende Vader, en omdat Hij leeft, zullen zij leven, want Hij is hun leven. Ofschoon Hij stierf, stond Hij weer op en liet Zijn kinderen geen wezen maar droeg zorg om hun de Geest, de zegeningen en de erfenis van kinderen te geven. Hij zal dat zaad zeer zien vermeerderen, het woord staat in het meervoud: Hij zal Zijn zaden zien menigten van hen, zoveel dat zij ontelbaar zijn.
C. Hij zelf zal voortgaan met zorg te dragen voor dit talrijk gezin, Hij zal de dagen verlengen. Velen wanneer zij hun zaad en het zaad huns zaads gezien hadden, hebben begeerd heen te gaan in vrede, maar Christus zal de zorg voor Zijn gezin niet aan anderen overlaten, Hij zelf zal lang leven, en aan de grootheid en de vrede van deze heerschappij zal geen einde zijn, want Hij leeft eeuwig. Sommigen passen dat toe op de gelovigen, Hij "zal een zaad zien dat de dagen verlengen zal," naar aanleiding van Psalm 89:30, 37:"Zijn zaad zal eeuwig zijn." Zolang de wereld bestaat zal Christus er een kerk hebben, waarvan Hij zelf het leven is.
D. Dat Hij in Zijn werk voorspoedig zijn zal en dat het aan de verwachting beantwoorden zal. Het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan. Gods voornemen zal volbracht worden en geen tittel of jota er ver zal ter aarde vallen.
a. Het werk van de verlossing van de mensen is in handen van de Heere Jezus, en het is daar in goede hand en het is gezegend voor ons dat het Zijn handen zijn, want onze eigen handen zouden daarvoor niet voldoende zijn, maar Hij is machtig volkomen zalig te maken, Zijn handen ondersteunend alle dingen.
b. Het is het welbehagen des Heeren, hetgeen niet alleen aanduidt dat Zijn raad er door volbracht wordt, maar dat het Hem welgevallig is, en daarom prijst God Hem en heeft een welbehagen in Hem, omdat Hij besloot zijn leven te geven voor Zijn schapen.
c. Het is tot nu toe gelukkig voortgegaan en zal verder voorspoedig zijn, welke bezwaren of moeilijkheden er ook aan in de weg gelegd worden of zullen worden. Hetgeen naar Gods welbehagen ondernomen wordt, zal voorspoedig zijn, Jesaja 46:10. Cyrus, een type van Christus, zal al Gods welbehagen doen, les. 44:28, en, Christus zonder twijfel niet minder. Christus was zo volmaakt geschikt voor Zijn werk, Hij volbracht het met zoveel ijver, het was van het begin tot het einde zowel overlegd, dat het niet anders dan slagen kon, ter ere van de Vader en ter zaligheid van al Zijn zaad.
E. Dat Hijzelf er overvloedige voldoening in hebben zal. Hij zal de arbeid van Zijn ziel zien en verzadigd worden, vers 11, Hij zal het vooruit zien, -zo kan men het opvatten- , Hij zal bij het vooruitzicht van Zijn lijden een vooruitzicht van de vruchten ervan hebben, en Hij zal daardoor reeds van tevoren voldoening smaken, en Hij zal het zien in de bekering en behoudenis van arme zondaren. a. Onze Heere Jezus was in arbeid van Zijn ziel voor onze verzoening en redding, en in grote moeite, maar met hijgend verlangen om Zijn werk te volbrengen, en alle moeite en smart, die Hij onderging, moesten dienen om het te bespoedigen.
b. Christus moet en zal zien de vruchten van de arbeid van Zijn ziel, in de stichting en opbouwing van Zijn kerk en de eeuwige verlossing van al degenen, die Hem gegeven zijn. Hij zal aan het einde van Zijn werk in geen enkel opzicht te kort komen, maar zal zelf zien dat Hij niet tevergeefs gearbeid heeft.
c. De redding van zielen is de grote voldoening van de Heere Jezus, Hij zal al Zijn moeite welbesteed achten en zichzelf overvloedig beloond rekenen, indien vele kinderen door Hem tot de heerlijkheid geleid worden. Zo Hij dat heeft, heeft Hij genoeg. God zal geheiligd en verheerlijkt worden, boetvaardige gelovigen zullen gerechtvaardigd worden en dan acht Hij zich voldaan. Evenzo in gelijkvormigheid aan Christus moet het ons een voldoening zijn, indien wij iets doen kunnen om de belangen van Gods koninkrijk in deze wereld te dienen. Laat het doen van Godswil altijd onze spijs en drank zijn, gelijk dat met Christus het geval was.
II. Hij zal de heerlijkheid genieten van een eeuwige gerechtigheid te hebben aangebracht, zoals Hem betreffende voorzegd was, Daniël 9:24. En hier wordt hetzelfde voorzegd: Door Zijn kennis, dat is, door de kennis van Hem en het geloof in Heen, zal Mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal de zonden van velen dragen en daardoor de grond leggen voor hun rechtvaardiging.
a. Het grote voorrecht, dat voor ons uit de dood van Christus voortspruit is rechtvaardigmaking van zonden, dat wij verlost zijn van de schuld, die alleen ons kan doen verloren gaan, en aangenomen in Gods gunst, die alleen ons gelukkig maken kan.
b. Christus die voor ons de rechtvaardigmaking verwierf, past haar op ons toe door Zijn tussenkomst voor ons, Zijn Evangelie gepredikt aan ons en Zijn Geest getuigende in ons. De Zoon des mensen heeft de macht op aarde de zonden te vergeven.
c. Er zijn velen, die Christus rechtvaardig maakt, niet allen, menigten gaan in hun zonden verloren, toch velen, zovelen als waarvoor Hij Zijn leven tot een rantsoen gaf, zovelen als de Heere onze God er toe roepen zal. Hij zal rechtvaardig maken, niet hier en daar een buitengewoon merkwaardige of ontwikkelde, maar velen, uit de verachte menigte.
d. Door het geloof worden wij gerechtvaardigd, door onze instemming met Christus en het genadeverbond, in die weg worden Wij gered, omdat God daardoor het meest verheerlijkt en de vrije genade meest op de voorgrond gesteld wordt, wij zelf het diepst vernederd worden en ons geluk het best verzekerd wordt.
e. Het geloof is de kennis van Christus en zonder kennis kan er geen waar geloof zijn. De wijze waarop Christus onze wil en onze genegenheden wint, is ons verstand te verlichten en dat tot ongeveinsde instemming met de goddelijke waarheden te brengen.
f. Deze kennis van Christus en dat geloof in Hem, waardoor wij gerechtvaardigd worden, hebben betrekking op Hem, zowel als de knecht Gods en als onze borg God heeft Hem bestemd om door Hem Zijn doel te bereiken en de belangen van Zijn heerlijkheid te bevorderen en te verzekeren. Hij is Zijn knecht, de rechtvaardige en rechtvaardigt als zodanig de mensen. God heeft Hem gemachtigd en aangesteld om dit te doen, het is overeenkomstig Zijn wil, en Hij doet het tot Gods eer. Hij is zelf rechtvaardig en wij ontvangen allen van Zijn rechtvaardigheid. Hij die zelf rechtvaardig is, -want Hij kon geen verzoening voor de zonden aangebracht hebben, indien Hij zelf zich voor enige zonde te verantwoorden had-is ons van God gemaakt tot rechtvaardigmaking. Hij is de Heere onze gerechtigheid.
g. Wij moeten Hem kennen als degene die dat alles voor ons gedaan heeft. Wij moeten Hem kennen en in Hem geloven als degene die onze ongerechtigheden gedragen heeft en ons gered heeft van te verzinken onder de last, door die zelf op zich te nemen.
III. Hij zal de heerlijkheid hebben van een onbetwistbare overwinning te behalen en een algemeen gebied vers 12. Omdat hij dit alles gedaan heeft, zal u Hem een deel geven van velen, en, volgens de wil Zijns Vaders zal Hij de machtigen als een roof delen, gelijk een groot veldheer als Hij de vijand verslagen heeft, de buit voor zich en voor zijn leger neemt, hetgeen een ontegensprekelijk bewijs van de overwinning is, zowel als een beloning voor al de moeiten en gevaren van de veldslag.
a. God de Vader heeft zich verbonden om de diensten en het lijden van Christus met grote heerlijkheid te belonen. Ik zal Hem onder de groten zetten, Hem zeer aanzienlijk verhogen, Hem een naam boven allen naam geven, Ik zal Hem grote rijkdommen schenkend Hij zal de buit delen, Hij zal overvloed van genadegaven en vertroostingen hebben om uit te delen aan Zijn getrouwe krijgsknechten.
b. Christus verkrijgt Zijn heerlijkheid door overwinning, Hij heeft de sterke gewapende overmocht, hem gevangen genomen en de buit gedeeld. Hij heeft de overheden en de machten, zonde en Satan, dood en hel, de wereld en het vlees overwonnen, deze zijn de sterken welke Hij ontwapend en hun prooi ontnomen heeft.
c. Veel van de heerlijkheid waarmee Christus beloond is en van de roof die Hij gedeeld heeft, bestaat in de grote menigten van gewillige, gelovige, getrouwe onderdanen, die tot Hem zullen gebracht worden, want-zo lezen sommigen deze woorden: "Ik zal Hem velen geven en Hij zal een menigte als buit verkrijgen. God zal Hem de heidenen geven tot Zijn erfenis en de einden van de aarde tot Zijn bezitting," Psalm 2:8. Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee. Menigeen zal er door de genade Gods toe gebracht worden om zichzelf aan Hem te geven om door Hem geregeerd, onderricht en gered te worden, en hierdoor zal Hij zichzelf geëerd en verrijkt achten, en overvloedig beloond voor al wat Hij deed en leed.
d. Hetgeen God voor de Verlosser bestemde zal Hij zeker verkrijgen: Ik zal het Hem uitdelen, en daarop volgt onmiddellijk, Hij zal het delen, niettegenstaande de tegenstand die Hij daarbij ontmoeten zal, want gelijk Christus het werk volbracht, dat Hem te doen gegeven was zo heeft God de beloning gegeven, die Hem beloofd was, want Hij is machtig en getrouw.
e. De roof, die God Christus toedeelde, verdeelt Hij (hetzelfde woord wordt hier gebruikt) onder Zijn volgelingen, want toen Hij de gevangenis gevangen genomen heeft, ontving Hij gaven voor de mensen, opdat Hij die hun geven zou. Hij zelf heeft gezegd, Handelingen 20, 35 dat het zaliger is te geven dan te ontvangen. Christus overwon voor ons, en door Hem zijn wij meer dan overwinnaars, Hij heeft de roof gedeeld, de vruchten van Zijn overwinning, aan allen die de Zijnen zijn. Laat ons daarom ons lot met hen werpen.